Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:355

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-02-2021
Datum publicatie
25-02-2021
Zaaknummer
200.251.451_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:7243
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toerekenbare tekortkoming revisie motor, causaliteit en schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.251.451/01

arrest van 9 februari 2021

in de zaak van

[appellant] ,

h.o.d.n. [Autotechniek] Haaglanden,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. K. Kasem te Amsterdam-Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel,

tegen

Automotoren Trading B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Automotoren,

advocaat: mr. G.C.L. van de Corput te Breda,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 5 februari 2019 en 2 juni 2020

in het hoger beroep van de door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/334419/HA ZA 17-551 gewezen vonnis van 26 september 2018.

8 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 2 juni 2020;

  • -

    de akte na tussenarrest van [appellant] met producties;

  • -

    de antwoordakte van Automotoren met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

9 De verdere beoordeling

9.1.1.

In het tussenarrest van 2 juni 2020 heeft het hof geoordeeld dat Automotoren onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van de door haar met [appellant] gesloten overeenkomst tot revisie van de motor uit de auto van [betrokkene] , zodat het hof het bestaan van deze tekortkoming tot uitgangspunt neemt. Het hof heeft [appellant] vervolgens in de gelegenheid gesteld om zich bij akte nader uit te laten over de door hem gestelde schade en het causale verband van deze schade met de tekortkoming van Automotoren.
heeft zich in zijn akte uitgelaten over een vijftal concrete schadeposten; Automotoren heeft hierop gereageerd in haar antwoordakte. Het hof zal de schadeposten hierna achtereenvolgens bespreken en zal daarbij, voor zoveel nodig, ook ingaan op het causaal verband. Daaraan voorafgaand verdienen enkele kwesties de aandacht die voor twee of meer schadeposten van belang zijn.

9.1.2.

Dat is allereerst de omvang van de tekortkoming van Automotoren. Anders dan uit het gestelde in de antwoordakte (o.m. nrs. 1-3) lijkt te volgen, heeft het hof in zijn genoemde tussenarrest niet geoordeeld dat Automotoren enkel is tekortgeschoten door een ketting en een kettingspanner niet te vervangen. Uit hetgeen is overwogen in rov. 6.5.3. volgt dat het hof ervan uitgaat dat Automotoren op een groot aantal punten is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting tot revisie van de motor, waarbij het hof doorslaggevend belang heeft gehecht aan de inhoud van het - door Automotoren onvoldoende weersproken - rapport van de deskundige van Achmea Expertise (en er voorts op heeft gewezen dat Automotoren in haar reactie op een e-mail van [appellant] van 6 september 2016 zelf heeft aangegeven dat de schade zich niet beperkt tot een ketting en kettingspanner).

9.1.3.

Een tweede kwestie van meer algemeen belang is het verweer van Automotoren dat de schade aan de motor niet is veroorzaakt door de (eventuele) tekortschietende revisie, maar door het (volgens Automotoren niet met de revisie verband houdende) te lang doorrijden in de auto door [betrokkene] - op reis naar zijn vakantieadres in Frankrijk - terwijl het oliepeil- en oliedruklampje brandden. Automotoren heeft het bestaan van deze alternatieve schadeoorzaak feitelijk onvoldoende onderbouwd, waarbij het hof opmerkt dat [appellant] onbetwist heeft gesteld dat [betrokkene] olie heeft bijgevuld alvorens hij is doorgereden naar zijn vakantieadres. Het hof verwerpt daarom dit verweer. Ook het verweer dat [appellant] een fout heeft gemaakt bij het inbouwen van de motor is door Automotoren onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. Hetzelfde geldt voor het verweer dat sprake is geweest van een lekkage in/bij het filterhuis dat niet door Automotoren is geleverd.

9.1.4.

Ten derde verdient opmerking dat [appellant] in zijn akte zijn eis heeft verminderd, in verband met de in de oorspronkelijke schadeopstelling bij enkele schadeposten ten onrechte opgevoerde btw. Het hof zal hierna rekening houden met deze eisvermindering.

a) Schaderapport

9.2.

[appellant] heeft voor het opgestelde schaderapport van 22 maart 2017 een bedrag van
€ 2.262,12 (excl. btw) gevorderd. Volgens [appellant] is sprake van - door Automotoren te vergoeden - kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Automotoren heeft betwist dat de in verband met het schaderapport gemaakte kosten voor rekening van [appellant] zijn gekomen (zie reeds cva p. 8). Volgens Automotoren is de rechtsbijstandsverzekeraar van [appellant] opdrachtgever van het rapport geweest en zijn de in verband met het rapport gemaakte kosten voor rekening van deze verzekeraar gekomen. Ter onderbouwing van de schadepost heeft [appellant] een afschrift van het schaderapport in het geding gebracht, dat onder meer een opgave bevat van de gemaakte uren en de door Achmea Expertise gemaakte kosten. Uit dit rapport volgt evenwel niet dat deze kosten voor rekening van [appellant] zijn gekomen. [appellant] heeft geen factuur (of ander schriftelijk bescheid) overgelegd waaruit blijkt dat zijn verzekeraar de expertisekosten aan hem in rekening heeft gebracht. Ook overigens heeft [appellant] onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat hij recht heeft op vergoeding van het genoemde bedrag van € 2.262,12. Aan bewijslevering komt het hof aldus niet toe. De schadepost van € 2.262,12 (excl. btw) zal het hof daarom afwijzen.

b) Herstelkosten

9.3.1.

Aanschaf motor, onderdelen, motorolie en andere vloeistoffen, uitlezen
[appellant] heeft aangevoerd dat hij ten behoeve van het herstel van de auto van [betrokkene] een vervangende motor voor de Audi heeft aangeschaft ten bedrage van € 2.250,00 (excl. btw) bij [de vennootschap] te [plaats] (hierna: [de vennootschap] ). [appellant] heeft daartoe gesteld dat deze oplossing voordeliger was dan het herstel van de oorspronkelijke (niet deugdelijk gereviseerde en vervolgens ernstig beschadigde) motor. Ter onderbouwing heeft [appellant] verder verwezen naar de factuur van 10 november 2016 van [de vennootschap] . De in verband met deze schadepost door Automotoren aangevoerde verweren heeft het hof in het voorgaande besproken en verworpen (zie de rov. 9.1.2. en 9.1.3.). Het door [appellant] gevorderde bedrag van € 2.250,00 (excl. btw) zal daarom worden toegewezen.
Datzelfde zal gebeuren met de vordering van [appellant] die betrekking heeft op de kosten van de aanschaf van onderdelen ten behoeve van de montage van de motor in de auto van [betrokkene] . Volgens [appellant] hebben deze onderdelen € 496,65 (excl. btw) gekost. [appellant] heeft daarbij verwezen naar de gespecificeerde factuur van [naam] van 11 november 2016. Automotoren heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat deze onderdelen noodzakelijk waren om de bij [de vennootschap] aangeschafte motor in te bouwen. Die noodzaak hoeft niet te blijken uit de factuur van [naam] , zoals Automotoren heeft aangevoerd.
Het schadeonderdeel ‘motorolie’ is niet betwist door Automotoren, zodat het gevorderde bedrag ad € 36,15 kan worden toegewezen.
Dat geldt niet voor de in het geheel niet toegelichte (en door Automotoren betwiste) posten ter zake ‘koelvloeistof’, ‘vloeistof airco-systeem’ en ‘kosten uitlezen’ ad respectievelijk
€ 42,70, € 135,- en € 29,95. In zoverre zal de vordering worden afgewezen.

9.3.2.

Transport Audi A3 bij MRV

[appellant] heeft een bedrag van € 369,19 gevorderd in verband met de kosten van het ophalen van de auto van [betrokkene] bij MRV te [plaats] . [appellant] heeft ter onderbouwing van dit schadeonderdeel een afschrift in het geding gebracht van de factuur van autotransportbedrijf [autotransportbedrijf] . Automotoren heeft niet betwist dat deze transporteur voor het transport van de auto
€ 369,19 in rekening heeft gebracht en dat dit bedrag door [appellant] is betaald. Automotoren heeft wel aangevoerd dat [appellant] de transportkosten onnodig heeft gemaakt, stellende dat zij de auto ‘na reparatie’ weer zou terugbrengen. Automotoren miskent hiermee dat zij deze reparatie niet heeft uitgevoerd. Het verweer wordt daarom verworpen. Klaarblijkelijk verdisconteert [autotransportbedrijf] de door haar chauffeur gewerkte uren in het bedrag per kilometer, dat daardoor uitkomt op € 1,06 per kilometer. Mede gelet hierop verwerpt het hof het verweer van Automotoren dat de kosten niet redelijk waren. Dat Automotoren, zoals zij verder nog heeft gesteld, normaal € 150,- rekent voor het transport van een auto door Nederland is niet van belang, nu is gesteld noch gebleken dat Automotoren [appellant] heeft aangeboden om het transport vanuit [plaats] voor dit bedrag te verrichten.
Het hof zal het bedrag van € 369,19 toewijzen.

9.3.3.

Transportkosten ophalen motor

[appellant] heeft voor het ophalen van de motor bij [de vennootschap] een bedrag van € 421,88 aan transportkosten gevorderd ( [plaats] - [plaats] v.v., 398 km à € 1.06 voor brandstofkosten, afschrijving en arbeid). Uit het door [appellant] gestelde volgt dat hij de motor in [plaats] wilde controleren alvorens deze (eventueel) te transporteren naar [plaats] . Het bedrag van € 1,06 per km heeft [appellant] , naar hij stelt, ontleend aan het door [autotransportbedrijf] aan hem in rekening gebrachte tarief (zie rov. 9.3.2.). Automotoren heeft aangevoerd dat [appellant] een te hoge kilometerprijs hanteert, maar heeft dat verweer niet nader onderbouwd. Het hof acht het redelijk dat [appellant] in verband met het transport van de motor ook aanspraak maakt op een vergoeding van de door hem aan het vervoer bestede tijd. Automotoren heeft daarnaast aangevoerd dat haar is gebleken dat [de vennootschap] motoren aflevert in Nederland voor een veel lager, vast, bedrag. Ook dit verweer faalt. Automotoren heeft niet betwist dat [appellant] de motor heeft gecontroleerd en evenmin dat een dergelijke controle wenselijk was. Gelet op deze wenselijkheid lag het niet voor de hand dat [appellant] de motor ongezien naar Den Haag zou laten transporteren. Het verweer inzake het doorrijden door [betrokkene] nadat de oliecontrolelampjes waren gaan branden heeft het hof besproken en verworpen in rov. 9.1.3.
De vordering is daarom toewijsbaar tot het bedrag van € 421,88.

9.3.4.

Verrichte arbeid

Ter zake verrichte arbeid heeft [appellant] diverse bedragen gevorderd. Door Automotoren is betwist dat deze bedragen verschuldigd zijn, onder meer omdat een deugdelijke specificatie van de gemaakte uren ontbreekt. Dit verweer treft doelt. De door [appellant] aangeleverde (destijds aan de deskundige verzonden) e-mail van 21 november 2016 is onvoldoende om de gevorderde bedragen toe te wijzen. Een deugdelijke toelichting was des te meer op zijn plaats geweest nu uit het door [appellant] gestelde volgt dat hij, kennelijk, meer dan twee volledige werkwerken heeft besteed aan het weer rijdend krijgen van de auto na de tekortkoming van Automotoren. Bij gebreke van een adequate toelichting op dit onderdeel van de vordering, komt het hof niet toe aan bewijslevering. Het door [appellant] gevorderde bedrag is daarom niet toewijsbaar.
Het hof zal wel € 850,- toewijzen, omdat uit het verweer van Automotoren in ieder geval blijkt dat (minimaal) 13,60 uur nodig is voor de (de-)montage van de motor en nu zij het door [appellant] gehanteerde uurtarief van € 62,50 niet heeft betwist.
Het totaal van de toewijsbare daadwerkelijke herstelkosten (motor, transport motor, onderdelen, arbeid) blijft beneden het bedrag van € 6.183,62 (incl. btw) dat het plaatsen van een nieuwe motor door een dealer volgens Automotoren zou hebben gekost, zodat het desbetreffende verweer van Automotoren wordt verworpen.

c) Kosten vervangend vervoer

9.4.

[appellant] heeft ter zake gemaakte kosten vanwege vervangend vervoer, zoals door hem geregeld voor [betrokkene] , een bedrag van € 3.030,00 gevorderd. Automotoren heeft betwist dat deze kosten zijn gemaakt en heeft ook de redelijkheid van het gevorderde bedrag betwist. Dit verweer slaagt. [appellant] heeft geen factuur in het geding gebracht ter onderbouwing van dit schadeonderdeel en heeft dit schadeonderdeel ook verder onvoldoende toegelicht. Zo heeft [appellant] niet toegelicht of hij het ‘vervangende voertuig’ bij een derde heeft gehuurd of dat hij het uit eigen voorraad beschikbaar heeft gesteld. Evenmin heeft hij toegelicht waarom het vervangend vervoer gedurende 101 dagen nodig was en waarom het redelijk is om bij de berekening van de schade uit te gaan van het (relatief erg hoge) tarief dat autoverhuurders rekenen voor de verhuur per dag. Nu door [appellant] aldus onvoldoende is gesteld, zal de vordering ter zake kosten vervangend vervoer worden afgewezen.

d) Kosten Frankrijk / auto ophalen

9.5.

[appellant] heeft kosten gevorderd ten bedrage van in totaal € 1.586,10 omdat hij naar Frankrijk is afgereisd in een poging om de problemen van [betrokkene] met diens auto op te lossen. Volgens Automotoren was de reis van [appellant] naar Frankrijk niet schadebeperkend en niet noodzakelijk. Daarbij heeft zij gewezen op de mogelijkheid van een reparatie van de auto bij een lokale Franse dealer en ook heeft zij gewezen op de mogelijkheden die ANWB biedt voor vervoer terug naar Nederland. [appellant] heeft echter in zijn akte wel degelijk uitgelegd waarom hij er destijds voor heeft gekozen om zelf naar Frankrijk af te reizen: [appellant] liep het risico dat de kosten van een Franse dealer op hem zouden worden verhaald, terwijl hij had ingeschat dat hij het probleem eenvoudig kon oplossen. Het hof overweegt dat [appellant] op dat moment niet wist wat er aan de hand was. Hij moest een inschatting maken of het voor hem in financieel opzicht gunstiger was om zelf naar Frankrijk af te reizen om het probleem te verhelpen, of om het probleem door een Frans garagebedrijf te laten onderzoeken en oplossen. Het hof constateert dat [appellant] in deze positie is gebracht door de toerekenbare tekortkoming van Automotoren. Verder acht het hof van belang dat [appellant] naar Frankrijk is gereisd met het oogmerk om de schade zoveel mogelijk te beperken. Het hof is van oordeel dat Automotoren onvoldoende heeft toegelicht waarom [appellant] , op basis van de toen voor hem beschikbare informatie, een onjuiste keuze heeft gemaakt. Evenmin heeft Automotoren inzicht gegeven in de kosten die zouden zijn ontstaan als [appellant] niet zelf naar Frankrijk zou zijn gereisd.

Automotoren heeft verder aangevoerd dat [appellant] geen factuur heeft overgelegd. Daarmee gaat Automotoren er echter aan voorbij dat [appellant] zelf naar Frankrijk is gereden. Uit productie 11 blijkt dat [appellant] met name de tijd die hij heeft besteed in rekening wil brengen. Dat hij dit doet door uit te gaan van het (in rov. 9.3.2. genoemde en toegelichte) bedrag van
€ 1,06 per kilometer oordeelt het hof passend. Het hof zal alsnog € 1.586,10 toewijzen.

e) Kosten lening (rente en afsluitkosten)

9.6.1.

[appellant] heeft ten slotte gesteld dat hij gevolgschade ad € 6.528,36 heeft geleden doordat hij een kredietovereenkomst ter hoogte van € 25.000,00 heeft moeten afsluiten, waarvoor hij rente en afsluitkosten heeft moeten voldoen. Deze lening is afgesloten teneinde aan zijn lopende verplichtingen te kunnen blijven voldoen, aldus [appellant] . Daarbij heeft [appellant] gesteld dat hij in financiële nood kwam omdat hij [betrokkene] schadeloos had moeten stellen en verder veel uren heeft moeten maken om de auto van [betrokkene] weer rijdend te krijgen. Deze bestede uren konden volgens [appellant] daarom niet gebruikt worden om omzet te maken in zijn onderneming. Ter onderbouwing van de gevolgschade heeft [appellant] een afschrift in het geding gebracht van een ongetekende geldleningsovereenkomst en een afschrift van een e-mail d.d. 23 december 2016. Automotoren heeft gemotiveerd betwist dat sprake is van een causaal verband tussen de kosten en de rente van de lening enerzijds en haar tekortkoming anderzijds.

9.6.2.

Het hof is van oordeel dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat causaal verband (in de zin van conditio sine qua non-verband) bestaat tussen de lening en de tekortkoming van Automotoren. [appellant] heeft weliswaar gesteld dat de lening niet zou zijn afgesloten wanneer de tekortkoming zich niet zou hebben voorgedaan, maar hij heeft ter onderbouwing daarvan geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd. Zo heeft [appellant] geen inzicht gegeven in zijn financiële positie ten tijde van en voorafgaand aan het afsluiten van de lening. Evenmin heeft [appellant] inzichtelijk gemaakt welke omzet hij zou hebben kunnen maken wanneer de tekortkoming achterwege zou zijn gebleven. [appellant] had bijvoorbeeld gegevens kunnen aanleveren van klanten die hij heeft moeten afwijzen indertijd, maar dit heeft hij niet gedaan. Daar komt bij dat het hof, zoals reeds aan de orde kwam in rov. 9.3.4., van oordeel is dat [appellant] de omvang van de inspanning om de auto van [betrokkene] weer rijdend te krijgen onvoldoende heeft toegelicht. Bij gebreke van een voldoende concrete toelichting op het causaal verband komt het hof niet toe aan bewijslevering. Het hof zal aldus de vordering ter zake de gevolgschade van € 6.528,36 afwijzen.

Slotsom

9.7.1.

Gelet op al het voorgaande zal het hof van de vordering van [appellant] toewijzen tot het bedrag van € 6.009,97, dat uiteenvalt in de volgende posten:

€ 2.250,00, motor,

€ 496,65, onderdelen,

€ 36,15, motorolie,
€ 369,19, vervoer auto,
€ 421,88, vervoer motor,
€ 850,00, arbeid,
€ 1.586,10, ophalen auto.

9.7.2.

Uit de inleidende dagvaarding, waarin voor wat betreft de wettelijke rente over de hoofdsom wordt verwezen naar een renteberekening, blijkt dat de rente wordt gevorderd vanaf 21 maart 2017. Die ingangsdatum is niet betwist, zodat het hof dienovereenkomstig zal beslissen.
Daarnaast zal het hof buitengerechtelijke incassokosten toewijzen, nu de verschuldigdheid daarvan niet is betwist. Het hof zal niet het gevorderde bedrag toewijzen, aangezien dat is gebaseerd op de gevorderde hoofdsom, die niet volledig toewijsbaar is. Het hof zal een bedrag toewijzen overeenkomstig het toe te wijzen deel van de hoofdsom en conform het rapport VoorWerk II, neerkomend op € 929,28.

9.8.

Het hof zal Automotoren als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van beide instanties.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 85,21

- griffierecht € 883,00

totaal verschotten € 968,21

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

2 punten x € 695,00 € 1.390,00.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 87,79

- griffierecht € 726,00

totaal verschotten € 813,79

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

2,5 punten x € 759,- € 1.897,50.

Het hof zal de nakosten begroten op € 131,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op
€ 199,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.

De door [appellant] gevorderde wettelijke rente over de proceskostenveroordeling zal op de na te melden wijze worden toegewezen.

10 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het tussen partijen op 26 september 2018 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/334419/HA ZA 17-551 gewezen vonnis;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Automotoren om € 6.009,97 te betalen aan [appellant] , dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 maart 2017 tot de dag der algehele voldoening;


veroordeelt Automotoren om € 929,28 aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen aan [appellant] ;

veroordeelt Automotoren in de proceskosten van:
- de eerste aanleg en begroot die kosten aan de zijde van [appellant] op € 968,21 aan verschotten en op € 1.390,00 aan salaris advocaat;
- het hoger beroep, en begroot die kosten aan de zijde van [appellant] tot op heden op
€ 813,79 aan verschotten en op € 1.897,50 aan salaris advocaat voor het hoger beroep;
en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden,
en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst de vordering van [appellant] voor het overige af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, W.J.J. Beurskens en A.C. van Campen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 februari 2021.

griffier rolraadsheer