Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:3490

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-11-2021
Datum publicatie
23-11-2021
Zaaknummer
20-002856-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Fiscale fraudezaak. Meermalen opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting. De verdachte, die een eenmanszaak dreef en ondernemer was voor de omzetbelasting, heeft onterecht bedragen aan voorbelasting geclaimd en omzetbelasting teruggevraagd. De (eenmanszaak van de) verdachte had daarop geen recht, omdat daaraan geen inkopen en/of inkoopfacturen ten grondslag lagen. Het belastingnadeel bedraagt € 15.386,00. De fiscale fraudekamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een geldboete ter hoogte van € 7.500,00 subsidiair 72 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-11-2021
V-N Vandaag 2021/2798
FutD 2021-3685
NLF 2021/2315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Parketnummer : 20-002856-20

Uitspraak : 23 november 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zitting houdende te ’s-Hertogenbosch, van 15 december 2020, in de strafzaak met parketnummer 82-081997-20 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1990,

wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte door de politierechter ter zake van ‘opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis waarvan 50 dagen subsidiair 25 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 mei 2019 te Tilburg en/of Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [verdachte] , waaronder/over het/de tijdvak(ken):
- 3e kwartaal 2014 (DOC-001, p. 74);
- 4e kwartaal 2015 (DOC-001, p. 87-89);
- 2e kwartaal 2016 (DOC-001, p. 93-95);
- 1e kwartaal 2017 (DOC-002, p. 145-147);
- 4e kwartaal 2018 (DOC-002, p. 174-176),
onjuist en/of onvolledig heeft gedaan en/of heeft doen laten doen, immers heeft hij en/of (één of meer van) zijn medeverdachte(n), toen aldaar – zakelijk weergeven – opzettelijk op het/de bij de inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken), in elk geval één of meer tijdvak(ken) – zakelijk weergeven – (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid een te hoog en/of onjuist bedrag aan voorbelasting opgegeven en/of doen laten opgeven, terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 2 oktober 2014 tot en met 23 december 2018 te Tilburg en/of Apeldoorn, althans in Nederland, meermalen, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting ten name van [verdachte] , over de tijdvakken:
- 3e kwartaal 2014;
- 4e kwartaal 2015;
- 2e kwartaal 2016;
- 1e kwartaal 2017;
- 4e kwartaal 2018,
onjuist heeft gedaan, immers heeft hij toen aldaar opzettelijk op de bij de inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting over genoemde aangiftetijdvakken telkens valselijk en in strijd met de waarheid een te hoog en onjuist bedrag aan voorbelasting opgegeven, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewijsoverwegingen

A.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Daartoe is in de kern aangevoerd dat niet de verdachte, maar aanvankelijk [boekhouder 1] (in de jaren 2014 tot in 2016) en later [boekhouder 2] (in de jaren 2017 en 2018) de onjuiste aangiften omzetbelasting hebben ingediend. Daartoe waren zij in staat, omdat zij beschikten over de DigiD-inloggegevens van de verdachte. Daarnaast kan in de visie van de verdediging niet worden bewezen dat de verdachte opzet had op het tenlastegelegde, ook niet in voorwaardelijke zin, reeds niet omdat hij geen wetenschap had van de onjuistheid van de ingediende aangiften omzetbelasting. De verdachte vertrouwde volledig op zijn boekhouders [boekhouder 1] en [boekhouder 2] en het lijkt er op dat zij misbruik van de verdachte hebben gemaakt, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen.1

Belastingambtenaar [belastingambtenaar 1] heeft op ambtsbelofte verklaard dat het persoonlijk domein met gebruikersnaam [gebruikersnaam] van de belastingplichtige is geactiveerd met het daarbij opgegeven e-mailadres [e-mailadres] .
De aangiften omzetbelasting over (onder meer) de tijdvakken 3e kwartaal 2014, 4e kwartaal 2015, 2e kwartaal 2016, 1e kwartaal 2017 en 4e kwartaal 2018 betreffende de belastingplichtige [verdachte] zijn binnengekomen op de computersystemen van de Belastingdienst. Uit de ambtsedige verklaringen van belastingambtenaar [belastingambtenaar 1] volgt verder dat de aangiften over het 4e kwartaal 2015, 2e kwartaal 2016, 1e kwartaal 2017 en 4e kwartaal 2018 zijn binnengekomen met gebruikmaking van de uitgereikte gebruikersnaam en het daaraan gekoppelde wachtwoord. De aangifte omzetbelasting over het 3e kwartaal 2014 is binnengekomen op 2 oktober 2014, de aangifte omzetbelasting over het 4e kwartaal 2015 is ontvangen op 22 december 2015, de aangifte omzetbelasting over het 2e kwartaal 2016 is binnengekomen op 7 juli 2016, de aangifte omzetbelasting over het 1e kwartaal 2017 is ontvangen op 13 maart 2017 en aangifte omzetbelasting over het 4e kwartaal 2018 is binnengekomen op 23 december 2018.2 De aangiften omzetbelasting over het 3e kwartaal 2014, het 4e kwartaal 2015, het 1e kwartaal 2017 en het 4e kwartaal 2018 zijn telkens ondertekend door ‘ [roepnaam verdachte] ’, zijnde de roepnaam van de verdachte.3

Uit een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel komt naar voren dat de verdachte eigenaar was van een eenmanszaak met als startdatum 1 november 2013 en opheffingsdatum 1 maart 2019. De eenmanszaak was gevestigd aan de [vestigingsadres] . Het geregistreerde e-mailadres betrof [e-mailadres] .4

Controlerend belastingambtenaar [belastingambtenaar 2] heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de FIOD als getuige verklaard dat hij een boekenonderzoek heeft ingesteld bij de verdachte. De aanleiding daarvoor was het feit dat er verschillen in de aangiften inkomstenbelasting en omzetbelasting werden vastgesteld. In de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2014 tot en met 2016 werd geen winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden aangegeven, terwijl in de aangiften omzetbelasting hoge bedragen aan voorbelasting werden geclaimd en verleend. Tijdens een controle op kantoor constateerde [belastingambtenaar 2] dat er geen aansluitingen waren tussen de aangiften inkomstenbelasting en omzetbelasting. Belastingambtenaar [belastingambtenaar 2] heeft aan de verdachte medegedeeld dat hij in de loop der jaren meer dan € 46.000,00 aan geclaimde voorbelasting heeft ontvangen. Dat zou betekenen dat daar ruim € 270.000,00 aan inkoopfacturen aan ten grondslag zouden moeten liggen, aldus [belastingambtenaar 2] . De verdachte verklaarde daarop dat dit ‘in de verste verte’ niet klopte. De verdachte had zelf ook de indruk dat het allemaal onjuist was. Het geld dat hij via de Belastingdienst terug had ontvangen, is opgegaan aan levensonderhoud en het afbetalen van schulden. De verdachte gaf [belastingambtenaar 2] verder te kennen dat hij volledig begreep dat hij verantwoordelijk is voor zijn belastingaangiften.5

Uit opgestelde overzichten van verschillen tussen de aangiften omzetbelasting met de administratie komt naar voren dat, op grond van een vergelijking met de administratie van de onderneming van de verdachte, betreffende het 3e kwartaal 2014 een bedrag van € 2.095,00, betreffende het 4e kwartaal 2015 een bedrag van € 6.233,00, betreffende het 2e kwartaal 2016 een bedrag van € 3.000,00, betreffende het 1e kwartaal 2017 bedragen van € 2.688,006 en betreffende het 4e kwartaal 2018 een bedrag van € 1.370,00 te veel aan omzetbelasting op aangifte is teruggevraagd en ontvangen, doordat in die aangiften steeds een onjuist bedrag aan verschuldigde en te vorderen omzetbelasting is opgegeven.7

Uit de ambtsedige verklaring inzake het belastingnadeel dat is ontstaan als gevolg van het opzettelijk onjuist indienen van aangiften omzetbelasting ten name van de verdachte volgt dat het nadeel betreffende de aangiften over de tijdvakken 3e kwartaal 2014, 4e kwartaal 2015, 2e kwartaal 2016, 1e kwartaal 2017 en 4e kwartaal 2018 saldeert tot een totaalbedrag van € 15.386,00.8

Aan de verdachte is bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie voorgehouden dat op de bankafschriften van de eenmanszaak is waargenomen dat er een groot aantal overboekingen hebben plaatsgevonden naar de privébankrekeningen van de verdachte. Het betreft de bankrekeningen met nummers [bankrekeningnummer 1] en [bankrekeningnummer 2] . De verdachte heeft vervolgens bevestigd dat deze bankrekeningen van hem zijn. Op een vraag waarom de betreffende gelden zijn overgemaakt, heeft de verdachte verklaard dat hij belastinggeld terug kreeg en dat geld heeft doorgestort naar zijn rekeningen. Het betrof geen geld van zijn klanten.9

Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat [e-mailadres] inderdaad zijn e-mailadres was en hij dat adres gebruikte voor zijn onderneming. De verdachte heeft verder verklaard dat het niet mogelijk is geweest dat zijn eenmanszaak inkopen heeft gedaan voor bedragen in de orde van grootte van ruim € 270.000,00. Op het moment dat hij teruggaven omzetbelasting overgemaakt kreeg, wist de verdachte naar eigen zeggen dat die bedragen niet konden kloppen. De verdachte erkende dat hij geld dat hij terug heeft ontvangen van de Belastingdienst naar zijn privérekeningen heeft overgeboekt. Daarnaar gevraagd heeft de verdachte tevens verklaard dat de bankrekeningen met nummers [bankrekeningnummer 3] , [bankrekeningnummer 4] , [bankrekeningnummer 5] en [bankrekeningnummer 6] op zijn naam waren gesteld.10 Op deze bankrekeningen is gezamenlijk aan omzetbelasting ontvangen een bedrag van € 43.865,00.11

C.

Het hof stelt op grond van de uit de bewijsmiddelen naar voren komende feiten en omstandigheden vast dat in de bewezenverklaarde periode aangiften omzetbelasting ten name van de verdachte over de tijdvakken 3e kwartaal 2014, 4e kwartaal 2015, 2e kwartaal 2016, 1e kwartaal 2017 en 4e kwartaal 2018 zijn gedaan. Bij het doen van die aangiften is telkens een te hoog en daarmee onjuist bedrag aan voorbelasting opgegeven. Die teruggevraagde voorbelasting was te hoog, omdat door de Belastingdienst geen aansluiting kon worden gevonden tussen de ingediende aangiften omzetbelasting en de administratie. Ook anderszins heeft de verdachte de opgegeven bedragen aan voorbelasting niet kunnen staven met bescheiden, zoals inkoopfacturen. Aan de hand van de geldstromen op de bankrekeningen viel evenmin te herleiden op basis van welke uitgaven de voorbelasting is geclaimd.12


Het hof stelt voorts vast dat het persoonlijk domein binnen de digitale omgeving van de Belastingdienst, waarbinnen voormelde aangiften omzetbelasting zijn gedaan, is geactiveerd met het e-mailadres dat toebehoort aan de onderneming van de verdachte en waarvan de verdachte heeft verklaard dat hij dat e-mailadres gebruikte voor zijn onderneming.
Alle hiervoor genoemde bankrekeningen waren ten name van de verdachte gesteld. Uit het onderzoek ter terechtzitting is genoegzaam naar voren gekomen dat de Belastingdienst is overgegaan tot uitbetaling van de op aangifte teruggevraagde omzetbelasting op één of meer van deze bankrekeningen en dat de verdachte vervolgens die geldbedragen, althans een deel daarvan, heeft overgeboekt naar zijn privébankrekeningen. Tegenover controlerend belastingambtenaar [belastingambtenaar 2] heeft de verdachte verklaard dat deze laatstbedoelde bedragen zijn opgegaan aan levensonderhoud en het afbetalen van schulden.

Het voorgaande wijst naar het oordeel van het hof in de richting van de verdachte als degene die de betreffende aangiften omzetbelasting onjuist heeft ingediend. Niet alleen zijn het gebruikte e-mailadres om het persoonlijk domein te activeren en de betrokken bankrekeningen in gebruik respectievelijk ten name gesteld van de verdachte, bovendien heeft de verdachte via zijn bankrekeningen gedurende de bewezenverklaarde periode teruggaven omzetbelasting ontvangen, deze (deels) doorgestort naar zijn privébankrekeningen en ten eigen nutte voor privédoeleinden aangewend. De verdachte had aldus de beschikkingsbevoegdheid over die bankrekeningen. Ook neemt het hof in aanmerking dat desbetreffende aangiften omzetbelasting – met uitzondering van de aangifte omzetbelasting over het 2e kwartaal 2016 – steeds zijn ondertekend door ‘ [roepnaam verdachte] ’, zijnde de roepnaam van de verdachte. Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat het de verdachte is geweest die de aangiften omzetbelasting onjuist heeft ingediend.

Het hof is tegen voormelde achtergrond ook van oordeel dat de verdachte wetenschap had van de onjuistheid van de aangiften. Niet alleen heeft de verdachte verklaard dat zijn eenmanszaak geen inkopen heeft kunnen doen in de orde van grootte als hier aan de orde, ook ten tijde van het ontvangen van de teruggaven omzetbelasting wist de verdachte dat die niet konden kloppen. Door onder deze omstandigheden aangiften omzetbelasting in te dienen, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij, door te hoge bedragen aan voorbelasting op te geven, onjuiste aangiften omzetbelasting zou indienen.

Het hiertegenover door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario, inhoudende dat een of meer derden (meer bepaald [boekhouder 1] en [boekhouder 2] ) de aangiften omzetbelasting onjuist hebben ingediend, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. Allereerst vindt een dergelijk scenario onvoldoende steun in het procesdossier. Bovendien is dit scenario niet te verenigen met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder niet met het feit dat de verdachte (en dus niet [boekhouder 1] en/of [boekhouder 2] ) zelf de beschikking heeft gekregen over ontvangen teruggaven omzetbelasting, die bedragen heeft overgemaakt en voor privédoeleinden heeft aangewend.

De omstandigheid dat [boekhouder 1] bij vonnis van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 5 april 2018 onder parketnummers 05/862577-13, 05/985001-14 en 05/780122-16 is veroordeeld ter zake van onder meer verduistering van gelden, waarbij de verdachte één van de slachtoffers was, leidt niet tot een ander oordeel, reeds niet omdat in die zaak sprake was van een ander feitencomplex dan hier aan de orde.


De omstandigheid dat de verdachte stelt zijn DigiD-inloggegevens aan een ander ter beschikking te hebben gesteld, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, brengt het hof evenmin tot een andersluidend bewijsoordeel, aangezien uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat de bewezenverklaarde aangiften omzetbelasting voor de tijdvakken 4e kwartaal 2015, 2e kwartaal 2016, 1e kwartaal 2017 en 4e kwartaal 2018 zijn gedaan met gebruikmaking van de uitgereikte gebruikersnaam en het daaraan gekoppelde wachtwoord via een zakelijk portaal op de website voor de Belastingdienst en niet met gebruikmaking van de DigiD-inloggegevens. Ook de aangifte 3e kwartaal 2014 is niet gedaan met gebruikmaking van de DigiD-inloggegevens.13 Ambtshalve is het hof ermee bekend dat ten tijde van deze aangifte het doen van een aangifte omzetbelasting niet kon plaatsvinden met gebruikmaking van de DigiD-inloggegevens.

Aldus laat het voorgaande geen andere conclusie toe dan dat het de verdachte is geweest die de aangiften omzetbelasting opzettelijk onjuist heeft ingediend.

D.

Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straffen

Het hof heeft het bepalen van de op te leggen straffen gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting. De verdachte, die een eenmanszaak dreef en ondernemer was voor de omzetbelasting, heeft onterecht bedragen aan voorbelasting geclaimd en omzetbelasting teruggevraagd. De (eenmanszaak van de) verdachte had daarop geen recht, omdat daaraan geen inkopen en/of inkoopfacturen ten grondslag lagen.

De Staat der Nederlanden en de Europese Unie hebben als gevolg van de door de verdachte begane belastingfraude een belastingnadeel van € 15.386,00 geleden. Dat nadeel ziet op de vijf bewezenverklaarde aangiften.

Bij belastingheffing zijn in het algemeen gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken. Met de heffing van omzetbelasting wordt immers beoogd de Staat der Nederlanden en de Europese Unie geldmiddelen te verschaffen die voor hun instandhouding en taakvervulling noodzakelijk zijn. De verdachte heeft door zijn handelwijze deze gemeenschapsbelangen geschonden. Dergelijk strafbaar gedrag leidt uiteindelijk ertoe dat bonafide belastingplichtigen meer belasting moeten betalen. Voorts is het voor een goede werking van het systeem voor de heffing van omzetbelasting essentieel dat kan worden uitgegaan van de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van de aangiften. Het systeem van de omzetbelasting is immers mede gebaseerd op het vertrouwen dat een (rechts)persoon een juiste aangifte doet en dat de Belastingdienst op basis daarvan de verschuldigde omzetbelasting of teruggave daarvan vaststelt. Door aangiften te doen die niet stroken met de werkelijkheid, wordt het systeem van de heffing van omzetbelasting ondergraven.

Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Daarbij komt dat de verdachte, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, kennelijk nog steeds niet is doordrongen van het kwalijke van zijn gedrag.

Het hof heeft in het kader van de straftoemeting eveneens acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 augustus 2021, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij mantelzorger is voor zijn echtgenoot die is getroffen door een hersenbloeding, dat hij een Wajong-uitkering geniet, dat hij arbeidsongeschikt is, dat hij schuldenvrij is en dat hij woonachtig is in een koophuis.

Oplegging van uitsluitend een geheel voorwaardelijke straf, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd en waartoe door de verdediging is verzocht, doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van het bewezenverklaarde, zodat het hof daartoe niet zal overgaan. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of taakstraf acht het hof evenmin een passende straf. De verdachte is immers mantelzorger voor zijn echtgenoot en deze echtgenoot is geheel afhankelijk van de zorg van de verdachte. Tevens is uit het verhandelde ter terechtzitting naar voren gekomen dat de verdachte arbeidsongeschikt is verklaard, reden waarom de uitvoering van een taakstraf voorshands geen reële optie is. Daarom zal het hof, naast oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf, overgaan tot oplegging van een geldboete. Bij de vaststelling van de hoogte van deze geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een geldboete ter hoogte van € 7.500,00 subsidiair 72 dagen hechtenis, passend en geboden.

Met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 7.500 (zevenduizendenvijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 72 (tweeënzeventig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. drs. P. Fortuin, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. S. Taalman, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen en mr. A.S. van Middelkoop, griffiers,

en op 23 november 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. drs. Fortuin voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het overzichtsproces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Breda, op ambtseed opgemaakt door verbalisant [opsporingsambtenaar] , opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD, onderzoeksnummer 64798, gesloten d.d. 22 oktober 2019, inhoudende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de Belastingdienst/FIOD met daarin gerelateerde bijlagen met doorgenummerde dossierpagina’s 1-213.

2 Ambtsedige verklaring omzetbelasting betreffende omzetbelastingnummer [omzetbelastingnummer 1] d.d. 12 september 2019 met bijlagen, p. 64-137, alsmede de ambtsedige verklaring omzetbelasting betreffende omzetbelastingnummer [omzetbelastingnummer 2] d.d. 11 september 2019 met bijlagen, p. 138-176, telkens opgemaakt door [belastingambtenaar 1] , belastingambtenaar, met als bijlagen een overzicht van datum en tijdstip waarop de desbetreffende aangiften zijn ontvangen door de Belastingdienst/Centrale administratie Apeldoorn (p. 65 en 139) en afdrukken van de betreffende aangiften omzetbelasting (respectievelijke p. 74, 87-89, 93-95, 145-147 en 174-176).

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 22 oktober 2019, p. 31.

4 Uittreksel uit de Kamer van Koophandel d.d. 3 september 2019, p. 199-202.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [belastingambtenaar 2] d.d. 2 oktober 2019, p. 57-60.

6 Omzetbelastingnummer [omzetbelastingnummer 2] .

7 Overzichten verschillen aangiften omzetbelasting met administratie, p. 197 (inzake omzetbelastingnummer [omzetbelastingnummer 1] ) en p. 198 (inzake omzetbelastingnummer [omzetbelastingnummer 2] ).

8 Ambtsedige verklaring inzake het belastingnadeel d.d. 22 oktober 2019, p. 212-213.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 15 juni 2016, p. 177-196.

10 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, derde meervoudige kamer voor strafzaken, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] .

11 Overzichtsproces-verbaal d.d. 22 oktober 2019, p. 17.

12 Overzichtsproces-verbaal d.d. 22 oktober 2019, p. 17 en p. 19.

13 Zoals bijvoorbeeld de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken 4e kwartaal 2018 tot en met 1e kwartaal 2019 voor omzetbelastingnummer [omzetbelastingnummer 1] , die hebben plaatsgevonden via de internetsite Mijn Belastingdienst Zakelijk met gebruik van DigiD, overzichtsproces-verbaal d.d. 22 oktober 2019, p. 64.