Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:3281

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-11-2021
Datum publicatie
01-11-2021
Zaaknummer
20-000533-20
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2020:601, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bevestiging van het vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – onder aanvulling van de gronden waarop dit berust, behoudens de opgelegde straf en de strafmotivering.

Het hof is van oordeel dat de verdachte willens en wetens bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in zijn loods die hij had verhuurd, een drugslaboratorium werd gebouwd en in bedrijf was. Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid tot medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, een ander daartoe gelegenheid verschaffen (in eendaadse samenloop gepleegd). Tevens had de verdachte een vuurwapen en munitie voorhanden. Het hof komt tot een lagere straf dan de rechtbank en veroordeelt de verdachte, gelet op diens persoonlijke omstandigheden, tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van voorarrest, alsmede een taakstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000533-20

Uitspraak : 1 november 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie

’s-Hertogenbosch, van 5 februari 2020, in de strafzaak met parketnummer 01-865066-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1958,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

1. Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte van de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten vrijgesproken en is terzake van subsidiar: medeplichtigheid tot medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en

3. om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, een ander daartoe gelegenheid verschaffen,

feit 1 subsidiair en feit 3 zijn in eendaadse samenloop gepleegd

4. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van voorarrest.

De voorlopige hechtenis is bij vonnis waarvan beroep (onder voorwaarden) geschorst met ingang van 5 februari 2020.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, onder aanvulling van gronden, doch met uitzondering van de opgelegde straf en, op dat punt opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd het bevel voorlopige hechtenis op te heffen.

Namens verdachte is geen inhoudelijk verweer gevoerd ten aanzien van de bewezenverklaring van de rechtbank van de feiten onder 1 subsidiair, onder 3 en onder 4. Wel is een strafmaatverweer gevoerd. De raadsvrouw heeft bepleit geen gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel het voorarrest overstijgt. Ook zij heeft opheffing van het bevel voorlopige hechtenis bepleit.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte richt zich mede tegen de vrijspraak door de eerste rechter van hetgeen aan de verdachte onder 2 ten laste werd gelegd. Dat is in strijd met het bepaalde in artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in zoverre niet ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – onder aanvulling van de gronden waarop dit berust, behoudens de opgelegde straf en de strafmotivering.

De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, aanvulling.

Naast de door de eerste rechter gebruikte bewijsmiddelen, komt de bewezenverklaring mede te berusten op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover deze – zakelijk weergegeven – inhoudt: al hetgeen is vermeld in de aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering; deze aanvulling zal aan dit arrest worden gehecht.

Het hof merkt op dat de verdachte in hoger beroep een andersluidende verklaring heeft afgelegd dan bij de rechtbank en heeft erkend dat hij medeplichtig was bij de productie van synthetische drugs.

Na enige tijd wist de verdachte dat er iets niet goed was. De loods werd en bleef gesloten en er werd stiekem gedaan door de mensen die zich rondom de loods ophielden. De verdachte heeft verklaard dat hij wel het vermoeden had dat het met drugs te maken had.

Over de persoon aan wie hij de schuur heeft verhuurd, de man uit Tilburg, heeft de verdachte in hoger beroep nog verklaard dat hij wel zijn naam wist, maar dat hij deze naam niet bekend wenst te maken. In die zin leest het hof de bewijsoverweging van de rechtbank als vermeld op pagina 5 van het vonnis (vierde alinea, eerste zin na “het feit” tot aan “mocht van”) verbeterd als volgt: (…) dat de verdachte de identiteitsgegevens van de man aan wie hij de schuur had verhuurd niet aan de hand van een ID-bewijs heeft geverifieerd, (…).

Op grond van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, is het hof van oordeel dat de verdachte willens en wetens bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in zijn loods die hij had verhuurd, een drugslaboratorium werd gebouwd en in bedrijf was, gelet op de chemische geur die in de nabijheid van de loods aanwezig was en die de verdachte naar het oordeel van het hof moet hebben geroken omdat het verdachte was die de varkens voederde en de moestuin bijhield. Zowel het varkenshok als de moestuin bevonden zich op enkele meters (maximaal 10 meter) van de loods. Bovendien stond de (bestel)bus van de verdachte die hij dagelijks gebruikte om naar zijn werk te gaan, op zeer korte afstand van de loods geparkeerd. De verbalisanten die ter plaatse zijn gekomen op 14 mei 2019 hebben gerelateerd dat zij direct een sterke chemische lucht roken bij het varkenshok, de moestuin en de (bestel)bus (merk Ford).

De voor medeplichtigheid vereiste opzet is aldus in voorwaardelijke zin aanwezig.

Op te leggen sanctie

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd en heeft het hof verzocht te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Verdachte heeft door een loods te verhuren weliswaar een onmisbare maar relatief ondergeschikte rol gehad bij het XTC-laboratorium. Hij heeft daar geen verdere rol bij gespeeld en niet gebleken is dat hij ooit in het lab is geweest.

Voorts heeft de raadsvrouw gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die vanwege de bewezenverklaarde feiten alles is kwijtgeraakt. Hij staat financieel, sociaal en psychisch met de rug tegen de muur. De tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht heeft grote impact op hem gehad, het contact met zijn familie is bekoeld en door zijn omgeving wordt hij met de nek aangekeken. Tevens heeft de verdachte de hypotheek op zijn huis moeten aflossen en heeft hij op moet draaien voor de als gevolg van de productie van synthetische drugs in de loods noodzakelijk geworden sanering van de grond op zijn terrein, hetgeen een grote financiële last betekent voor de verdachte.

De verdachte heeft voorts te kampen met angstklachten, in het bijzonder voor de personen die achter het XTC-laboratorium zaten, en met een burn-out waarvoor hij psychologische hulp krijg.

De verdediging heeft zich geschaard achter de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis.

Het hof overweegt omtrent de strafoplegging als volgt.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij anderen in de gelegenheid heeft gesteld om een grote hoeveelheid MDMA te vervaardigen, door zijn loods en vakantiehuisje ter beschikking te stellen, alsmede dat hij zich bezig heeft gehouden met het plegen van voorbereidingshandelingen ter zake van een amfetamine productie- en verwerkingsproces. Het hof heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met het feit dat deze gedragingen in eendaadse samenloop zijn begaan en een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren.

In de loods bij zijn woning te [woonplaats] zijn grote hoeveelheden chemicaliën, grondstoffen en voorwerpen aangetroffen die bestemd zijn voor de productie van MDMA volgens de verhoogde druk methode met behulp van PMK. Gezien het aantal drukreactieketels, destillatieketels, diepvrieskisten, gascilinders, de hoeveelheid afval en chemicaliën betrof het een productieplaats van synthetische drugs waar op zeer grote schaal MDMA vervaardigd/bewerkt werd. Met zijn handelen heeft de verdachte de producenten van synthetische drugs gefaciliteerd en was hij een essentiële schakel in het geheel.

De productie van en handel in synthetische drugs is een groot maatschappelijk probleem. Algemeen bekend is dat dergelijke harddrugs, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren. Bovendien gaan overtredingen van de Opiumwet vaak gepaard met andere vormen van zware criminaliteit, zoals witwassen, (bedreiging met) geweld en liquidaties. Daarnaast wordt het chemisch afval dat ontstaat bij de productie veelal illegaal gedumpt, hetgeen zeer schadelijk is voor het milieu.

Voorts wijst het hof op de vele risico’s die gepaard gaan met het opslaan en bewerken van diverse chemicaliën in een illegaal drugslaboratorium, zoals brand- en ontploffingsgevaar en het vrijkomen van giftige stoffen. In dat kader merkt het hof op dat het XTC-laboratorium zich in de nabijheid van de woning bevond waar buiten de verdachte ook zijn partner woonde en dat op het perceel vlak- bij de loods door vakmensen aan een hooischuur werd gewerkt. Kennelijk heeft de verdachte deze gevaren op de koop toe genomen, althans heeft hij zich daardoor niet laten weerhouden. De verdachte heeft zich ingelaten met deze illegale activiteiten kennelijk om extra inkomsten te verwerven, zonder rekening te houden met de negatieve effecten voor anderen.

Het hof overweegt verder dat dergelijke synthetische drugslabs in het buitengebied vaker aangetroffen worden in leegstaande schuren/loodsen. De verdachte heeft met zijn handelwijze dit maatschappelijke probleem in stand gehouden, kennelijk alleen maar vanwege financiële motieven. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Dit wapen en munitie was door de partner van de verdachte meegenomen toen zij bij de verdachte ging wonen, maar hield geen verband met het XTC-laboratorium volgens de verdachte. Uit het dossier zijn daar ook geen aanwijzingen voor aangetroffen.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de hiervoor beschreven ernst van het bewezenverklaarde en in verband met een juiste normhandhaving, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarbij heeft het hof tevens gelet op de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid, ten aanzien van het bereiden, bewerken en/of vervaardigen van harddrugs.

Voor het voorhanden hebben van een geweer, zijnde een vuurwapen, wordt volgens de LOVS-oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden als oriëntatiepunt gehanteerd.

In het voordeel van de verdachte heeft het hof bij de straftoemeting acht geslagen op de navolgende omstandigheden. Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 juli 2021, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van strafbare feiten door een strafrechter is veroordeeld.

Zoals door de verdediging gemotiveerd en onderbouwd naar voren is gebracht zijn de gevolgen van het drugslab in zijn loods voor de verdachte enorm geweest. Zowel financieel als sociaal. De verdachte heeft de hypotheek op zijn woning verplicht moeten aflossen, de saneringskosten van de bodem kwamen voor zijn rekening en de contacten met zijn familie zijn bekoeld. Voorts acht het hof het aannemelijk dat de verdachte kampt met psychische klachten als gevolg van de inval en de voorlopige hechtenis die hij heeft ondergaan. Voor deze klachten, alsmede voor angstklachten is de verdachte thans onder behandeling.

Alles overziende is het hof van oordeel dat, ondanks de ernst van de feiten, in het onderhavige geval de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zwaarder dienen te wegen. Het hof acht het met de advocaat-generaal en de raadsvrouw derhalve niet geboden dat hij wederom van zijn vrijheid wordt beroofd. Het hof zal een gevangenisstraf opleggen, conform de vordering van de advocaat-generaal, voor de duur van 18 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Het onvoorwaardelijk gedeelte van deze gevangenisstraf overstijgt de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht niet. Daarnaast acht het hof het geboden om een taakstraf op te leggen voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis.

Gelet hierop zal het geschorste bevel voorlopige hechtenis worden opgeheven.

Met oplegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 48, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Heft op het geschorste, tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. E.A.A.M. Pfeil, voorzitter,

mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. J.J.M. Gielen-Winkster, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 1 november 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mrs. E.A.A.M. Pfeil en O.A.J.M. Lavrijssen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.