Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:3243

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-10-2021
Datum publicatie
03-11-2021
Zaaknummer
200.261.846_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:3155
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IT-recht. Levering tweedehands laptop met illegale software. Conformiteit. Vervolg op ECLI:NL:GHSHE:2020:3075. Bewezen dat legale software moest worden geleverd. Omvang schade. Geen eigen schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.261.846/01

arrest van 26 oktober 2021

in de zaak van

[appellant] ,

handelend onder de naam [handelsnaam 1] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. F.E.L. Teerling te Heerlen,

tegen

[geïntimeerde] ,

handelend onder de naam [handelsnaam 2] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. L. Isenborghs te Heerlen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 6 oktober 2020 in het hoger beroep van het vonnis van 3 april 2019, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde.

7 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 6 oktober 2020

  • -

    de brief van [geïntimeerde] van 8 maart 2021 met producties 1 en 2

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 29 juni 2021

  • -

    de memories na enquête van beide partijen

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, de stukken vermeld in het tussenarrest en de stukken van de eerste aanleg.

8 De verdere beoordeling in hoger beroep

8.1.

Bij het tussenarrest heeft het hof [geïntimeerde] toegelaten te bewijzen dat partijen zijn overeengekomen dat [appellant] hem een laptop met een legale versie van de software SolidWorks zou leveren. Hetgeen partijen nadien hebben aangevoerd, is geen reden om terug te komen van hetgeen in dat tussenarrest is overwogen.

8.2.

[geïntimeerde] heeft [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen laten horen. [appellant] heeft afgezien van een tegenverhoor. [geïntimeerde] heeft verder een weergave van WhatsApp-berichten en van een telefoongesprek in het geding gebracht.

8.3.

De getuige [getuige 1] was destijds werknemer van [geïntimeerde] . Hij heeft onder meer het volgende verklaard:

‘Ik heb voordat de koop werd gesloten contact gehad met [appellant] . Ik weet niet meer precies wanneer dat was, ik denk rond juli/augustus 2017. Er is tijdens dat contact gesproken over software. We hebben besproken dat wij een laptop zochten voor een kortstondig project en aan [appellant] gevraagd of hij kon helpen met de aanschaf van de laptop. Mij is geadviseerd om SolidWorks aan te schaffen door een tekenaar. Tegen [appellant] heb ik gezegd dat ik een laptop zocht met SolidWorks. Ik heb uitdrukkelijk gezegd dat het om SolidWorks ging. [appellant] zou gaan kijken of hij dat voor mij kon regelen. Er is op dat moment niet specifiek gesproken over een legale of illegale versie. Er is ook niets gezegd over een trialversie, alleen dat het om SolidWorks ging. [appellant] zei dat hij ervoor kon zorgen. Hij zou in eerste instantie kijken of hij aan mijn wensen kon voldoen om een laptop met die software te leveren. Er is bij de aflevering van de laptop nog gesproken over SolidWorks. Hij heeft aan de keukentafel bij mijn schoonouders gedemonstreerd dat er SolidWorks op de laptop zat. Hij heeft laten zien dat het programma er op zat door het programma te openen maar niet laten zien hoe het werkte. Er is niet gesproken over de versie van SolidWorks op het moment van aflevering. Ik kan het me niet herinneren. Achteraf heb ik nog contact gehad met [appellant] . Hij heeft toen tegen mij beweerd dat hij er geen illegale versie heeft opgezet en dat hij altijd eerlijke zaken deed.

(…) Er is niet gesproken over een alternatief voor SolidWorks voorafgaand aan de koop. (…) Er is ook niet over gesproken dat [geïntimeerde] geen € 6.000,00 wilde betalen voor SolidWorks.

(…) Ik ben de enige die voor de koop van de laptop met [appellant] heeft gesproken. Omdat het een kortstondig project was heb ik vooraf een calculatie gemaakt. Volgens die calculatie mocht het ongeveer € 1.000,00 kosten en dat heb ik ook tegen [appellant] gezegd. Bij de calculatie heb ik alleen gekeken naar het totaalbedrag en niet specifiek naar wat de software zou kosten. Ik wist ook niet wat de kosten van SolidWorks waren. Ik had mij niet verdiept in de kosten van SolidWorks en ik had er ook niet van gehoord voordat die tekenaar mij daarover adviseerde. (…). Ik heb geen onderzoek naar SolidWorks gedaan nadat de tekenaar mij daarover advies had gegeven.’

8.4.

De getuige [getuige 2] , dochter van [geïntimeerde] , heeft onder meer verklaard:

‘Mijn vader zei achteraf dat hij een eerlijke zakenman is en dat hij geen illegale versie zou hebben gebruikt als hij zou hebben geweten dat het illegaal was.’

8.5.

Volgens de verklaring van de getuige [getuige 1] is dus namens [geïntimeerde] uitdrukkelijk vóór de koop aan [appellant] meegedeeld dat het ging om een laptop voor ongeveer € 1.000,00 met daarop de software SolidWorks, ten behoeve van een kortstondig project. Over een legale, illegale of trialversie van deze software is niet gesproken. De getuige [getuige 1] - [geïntimeerde] ondersteunt deze verklaring in zoverre dat zij verklaart dat [geïntimeerde] – haar vader – geen illegale versie van de software zou hebben gebruikt. Het hof heeft geen aanwijzingen dat er redenen zijn om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van deze getuigen of de betrouwbaarheid van hun verklaringen. De overgelegde weergave van de Whatsapp-berichten en het telefoongesprek biedt tot op zekere hoogte steun aan de verklaring van de getuige [getuige 1] . Uit de Whatsapp-berichten blijkt dat vóór het afleveren van de laptop over software is gesproken. In het telefoongesprek dat [getuige 1] en [appellant] naderhand hebben gevoerd, heeft [appellant] niet ontkend dat de laptop is afgeleverd met SolidWorks en dat dit een legale versie moest zijn.

8.6.

[appellant] heeft het voorgaande niet ontzenuwd door getuigenverklaringen, door andere bewijsmiddelen of op andere wijze. Het hof gaat daarom ervan uit dat [getuige 1] vóór de koop de mededelingen aan [appellant] heeft gedaan, waarover [getuige 1] heeft verklaard.

8.7.

Uit deze mededelingen van [getuige 1] heeft [appellant] kunnen en moeten opmaken dat de software SolidWorks nodig was voor gebruik ten behoeve van een project. Voor gebruik van software is in beginsel een legale versie van de software nodig. [appellant] heeft dus redelijkerwijs moeten begrijpen dat [geïntimeerde] een laptop met een legale versie van SolidWorks wenste en dat het dus een dergelijke laptop was die hij moest leveren. [appellant] heeft niet op enig moment vóór de koop of de levering ervoor gewaarschuwd dat een laptop zou worden geleverd met een illegale versie of een trialversie van SolidWorks.

8.8.

Concrete feiten of omstandigheden waaruit volgt dat [geïntimeerde] desondanks rekening ermee moest houden dat [appellant] een laptop met een illegale versie of een trialversie van Solid Works zou leveren, zijn niet of niet voldoende naar voren gebracht. Het hof hecht in dit verband mede belang aan de verklaring van [getuige 1] dat de tekenaar had gevraagd om deze software en dat hij zelf niet met die software bekend was, noch met de kosten daarvan. Het feit dat [geïntimeerde] een onderneming had waarin las- en constructiewerkzaamheden werden verricht en een loonwerkersbedrijf werd geëxploiteerd (memorie van antwoord nr. 10), maakte hem niet tot een professioneel tekenaar of professioneel gebruiker of kenner van tekenprogramma’s als SolidWorks. Dit enkele feit leidt dus niet tot het oordeel dat [geïntimeerde] vanwege kennis van de kosten van een licentie van SolidWorks geen legale versie van de software mocht verwachten. Dat [geïntimeerde] die kennis uit anderen hoofde wel had, valt uit de feiten of omstandigheden die in deze procedure zijn aangedragen, niet af te leiden. Het kan verder zijn dat [geïntimeerde] bij navraag of onderzoek op internet daarvan op de hoogte had kunnen raken, maar dat kan hem alleen worden tegengeworpen als hij aanleiding had om navraag of onderzoek daarnaar te doen. Wat die aanleiding had moeten zijn, heeft [appellant] niet naar voren gebracht en is ook anderszins niet gebleken. Daarbij komt nog dat de koopovereenkomst niet inhield dat een laptop met een nieuwe licentie van SolidWorks moest worden geleverd.

8.9.

[geïntimeerde] mocht er dus bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel op vertrouwen dat de overeenkomst inhield dat een laptop zou worden geleverd met een legale versie van SolidWorks, althans dat áls [appellant] een laptop zou leveren, dit een laptop met een legale versie van SolidWorks zou zijn. Het heeft daarbij op de weg van [appellant] gelegen om na te gaan of hij voor de prijs van maximaal € 1.000,00 een laptop met een legale versie van SolidWorks kon leveren. Indien hij dit niet kon, had hij [geïntimeerde] daarover moeten informeren. Wat hem op grond van de overeenkomst niet was toegestaan, was het leveren van een laptop met een niet-legale versie van de software zonder [geïntimeerde] ervan op de hoogte te stellen dat het geen legale versie was.

8.10.

De conclusie is dat hiermee het verlangde bewijs is geleverd. Grief I kan dus niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. Grief III slaagt evenmin, voor zover [appellant] daarmee betoogt dat, kort gezegd, [geïntimeerde] wist of moest weten dat de versie van SolidWorks die op de laptop was geïnstalleerd, niet legaal was.

8.11.

Zoals volgt uit hetgeen het hof in 5.10 van het tussenarrest heeft overwogen, brengt de conclusie mee dat [appellant] niet heeft voldaan aan zijn verplichting om een laptop te leveren met een legale versie van SolidWorks. Het is niet in geschil dat [appellant] bij deze stand van zaken verplicht is om de schade te vergoeden die [geïntimeerde] hierdoor heeft geleden.

Schade

8.12.

Grief IV gaat over de schade. [appellant] bestrijdt dat de schade € 7.500,00 is, zoals de kantonrechter heeft aangenomen. Het gaat om het bedrag dat [geïntimeerde] achteraf aan [naam] heeft betaald voor het gebruik van SolidWorks.

8.13.

Wat de schade is, moet worden bepaald door een vergelijking te maken tussen de werkelijke situatie waarin [geïntimeerde] is komen te verkeren, doordat geen laptop met een legale versie van SolidWorks is geleverd en de hypothetische situatie waarin wel een dergelijke laptop zou zijn geleverd. Zou [appellant] een dergelijke laptop hebben geleverd, dan had [geïntimeerde] het bedrag van € 7.500,00 niet aan [naam] behoeven te betalen vanwege het gebruik van SolidWorks. Dit bedrag is dus schade die [geïntimeerde] door de tekortkoming van [appellant] heeft geleden. Het is in dit opzicht niet van betekenis dat [geïntimeerde] profijt heeft gehad van het gebruik van SolidWorks, want dit profijt zou [geïntimeerde] ook hebben gehad als [appellant] zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst was nagekomen. Evenmin is van betekenis dat [geïntimeerde] volgens [appellant] ’normaliter’ voor een licentie voor SolidWorks een nog hoger bedrag had moeten betalen dan € 7.500,00.

Het gaat er niet om wat [geïntimeerde] normaliter voor een licentie had moeten betalen, maar wat hij volgens de koopovereenkomst voor een laptop met een legale versie van SolidWorks moest betalen. Ook voor het overige zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot het oordeel kunnen leiden dat het aan [naam] betaalde bedrag geen schade is ten gevolge van de tekortkoming van [appellant] .

8.14.

Grief IV treft dus geen doel voor zover deze gaan over de omvang van de schade.

Eigen schuld

8.15.

[appellant] heeft bij de grieven III en IV verder nog naar voren gebracht dat [geïntimeerde] wel kon vermoeden dat de versie van SolidWorks niet legaal was en dat zijn eigen handelen de schade heeft veroorzaakt. [appellant] heeft hiervoor in de eerste plaats andere argumenten aangedragen die het hof hiervóór in 8.8 al heeft besproken en niet gegrond heeft bevonden. Daarnaast stelt [appellant] dat [geïntimeerde] bij [naam] had kunnen bepleiten niet te weten dat de versie illegaal was, het gebruik van de versie had kunnen staken en aansprakelijkheid had kunnen afwijzen of verschuiven. Dat [naam] op enigerlei wijze ontvankelijk voor een dergelijk pleidooi zou zijn geweest en met een lager of geen bedrag genoegen zou hebben genomen of hebben moeten nemen, is echter niet concreet gemaakt. Het hof gaat bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing daarom aan deze stelling voorbij. Ook voor het overige heeft [appellant] niets aangedragen dat het oordeel rechtvaardigt dat de schade mede een gevolg is van omstandigheden die aan [geïntimeerde] kunnen worden toegerekend.

8.16.

De grieven III en IV slagen niet voor zover deze betrekking hebben op de vermeende eigen schuld van [geïntimeerde] .

Buitengerechtelijke en andere kosten

8.17.

Grief V is gericht tegen de beslissing van de kantonrechter over buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en nakosten.

8.18.

De grief is primair toegelicht door te verwijzen naar de samenhang met de hoofdvordering van [geïntimeerde] . In zoverre deelt de grief het lot van de andere grieven. Subsidiair heeft [appellant] verzocht de kosten te matigen. Daarvoor is echter geen deugdelijke grondslag of onderbouwing gegeven. Ook in zoverre slaagt de grief dus niet.

Slot

8.19.

Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, behoeft het hof niet te bespreken. Ook het bewijsaanbod van [appellant] passeert het hof. Er zijn immers geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht of te bewijzen aangeboden, die tot een andere beslissing kunnen leiden.

8.20.

De slotsom is dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

Proceskosten

8.21.

De proceskosten van het hoger beroep komen ten laste van [appellant] , omdat hij in het ongelijk is gesteld. Het hof stelt de proceskosten tot heden aan de zijde van [geïntimeerde] als volgt vast:

- griffierecht € 324,00

- salaris advocaat € 3.342,00 (tarief II, 3 punten)

totaal € 3.666,00

8.22.

De nakosten stelt het hof vast, zoals hierna in de uitspraak wordt vermeld.

9 De uitspraak

Het hof:

9.1.

bekrachtigt het bestreden vonnis;

9.2.

veroordeelt [appellant] in de proceskosten, aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op:

- € 3.666,00 tot heden voor het hoger beroep,

- € 163,00 aan nasalaris advocaat zonder betekening van dit arrest of € 248,00 vermeerderd met de explootkosten bij betekening van dit arrest,

indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de dag van deze uitspraak tot de dag van betaling;

9.3.

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, L.S. Frakes en B.A. Meulenbroek en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 oktober 2021.

griffier rolraadsheer