Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:3226

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-10-2021
Datum publicatie
27-10-2021
Zaaknummer
20-001420-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Coronarellen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen tijdens de rellen in Eindhoven op 24 januari 2021.

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De vordering van de politie als benadeelde partij is hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 24.381,99, vermeerderd met de wettelijke rente en onder afwijzing van het meer of anders gevorderde. Tevens is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2022/237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Parketnummer : 20-001420-21

Uitspraak : 27 oktober 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zitting houdende te ’s-Hertogenbosch, van 21 mei 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-044197-21 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1978,

wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij Politie Eenheid Oost-Brabant toegewezen tot een bedrag van € 3.250,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is in het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. Ten behoeve van het slachtoffer is tevens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, op dezelfde wijze als de politierechter heeft gedaan, onder niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in het overige deel van haar vordering. Ten slotte is gerequireerd tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman van de verdachte heeft zich met betrekking tot het tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof. Daarnaast is een straftoemetingsverweer gevoerd, in die zin dat is verzocht de verdachte te veroordelen tot een taakstraf, al dan niet in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, telkens voor een duur zoals het hof in goede justitie vermeent te behoren. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging geconcludeerd tot matiging van het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding, primair tot een bedrag van ten hoogste € 1.000,00 en subsidiair tot een bedrag van € 3.250,00. De raadsman heeft ten slotte verzocht niet te bepalen dat de verdachte samen met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor de geleden schade.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 24 januari 2021 te Eindhoven openlijk, te weten op of aan de openbare weg(en), het Catharinaplein en/of het Stratumseind en/of de Demer en/of het Stationsplein en/of het 18 Septemberplein en/of de Piazza en/of de Vestdijk en/of de Boschdijktunnel en/of elders in het centrum van Eindhoven, in elk geval op of aan een openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een) perso(o)n(en), te weten (een) politieambtena(a)r(en) en/of (een) ordehandhaver(s), en/of tegen goederen, welk geweld bestond uit het (opzettelijk)
- los trekken van bestrating en/of ter hand nemen van (een) straatklinker(s) en/of (een) ste(e)n(en) en/of (een) fles(sen) en/of (een) fiets(en) en/of (andere) voorwerpen en/of
- gooien van (een) loopkruk en/of ste(e)n(en) en/of straatklinker(s) en/of fles(sen) en/of fiets(en) en/of (andere) voorwerpen naar de Mobiele Eenheid en/of
- gooien van (een) loopkruk en/of ste(e)n(en) en/of straatklinker(s) en/of fles(sen) en/of fiets(en) en/of (een) bromfiets(en) en/of (een) scooter(s) en/of (andere) voorwerpen tegen en/of in de richting van (een) voertuig(en) van de Mobiele Eenheid en/of
- slaan met een loopkruk tegen en/of in de richting van (een schild van) een lid van de Mobiele Eenheid en/of
- slaan met een loopkruk tegen en/of in de richting van een paard van de Mobiele Eenheid en/of
- ter hand nemen van een (metalen) paal (met een (scherpe) punt) en/of dreigend zwaaien met die (metalen) paal en/of (vervolgens) gooien van die (metalen) paal (met (scherpe) punt) in de richting van de Mobiele Eenheid en/of
- schreeuwen en/of schelden tegen (een) politieambtena(a)r(en) en/of ordehandhaver(s) en/of
- het aannemen van een agressieve en/of uitdagende houding tegenover de Mobiele Eenheid en/of politieambtena(a)r(en) en/of
- belagen van (een) (onbeschermde) politieambtena(a)r(en) en/of orderhandhaver(s) en/of
- gooien van (een) ste(e)n(en) en/of klinker(s) en/of voorwerp(en) tegen (een) winkelruit(en) en/of winkelpand(en) (te weten een winkel van Jumbo City en/of Schaap en Citroen en/of Bijenkorf en/of Stationskapsalon en/of de gemeente Eindhoven en/of de Nederlandse Spoorwegen en/of Oogwereld en/of Jurc en/of Hema (gevestigd aan de Hermanus Boexstraat) en/of C&A en/of Happiness café en/of America Today en/of Seasons en/of Jazz Bar en/of Ramban) en/of
- plunderen en/of beroven van (een) winkel(s) (in elk geval Jumbo City) en/of
- vernielen van straatmeubilair en/of stationsmeubilair en/of
- vernielen van en/of schoppen en/of trappen tegen een camerapaal en/of elektriciteitskast en/of
- vernielen en/of omver gooien van terrasmeubilair en/of
- schoppen en/of slaan tegen een voertuig van ProRail (eigendom van Leaseplan Nederland N.V.) en/of omver gooien van dat voertuig en/of
- ter hand nemen en/of ontsteken van vuurwerk en/of het gooien van dat vuurwerk in de richting van de Mobiele Eenheid en/of in een voertuig van ProRail en/of het in brand steken van dat voertuig en/of
- afpakken van een wapenstok van een politieambtenaar en/of ordehandhaver en/of slaan met die wapenstok tegen en/of in de richting van (een) politieambtena(a)r(en) en/of ordehandhaver(s).

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 januari 2021 te Eindhoven openlijk, te weten op of aan het Stationsplein en het 18 Septemberplein en de Piazza, in elk geval op of aan een openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten politieambtenaren of ordehandhavers, en tegen goederen, welk geweld bestond uit het opzettelijk
- los trekken van bestrating en/of ter hand nemen van (een) straatklinker(s) en/of (een) ste(e)n(en) en/of (een) fiets(en) en/of andere voorwerpen en
- gooien van een loopkruk en/of ste(e)n(en) en/of straatklinker(s) en/of fiets(en) en/of andere voorwerpen naar de Mobiele Eenheid en
- gooien van een loopkruk en/of ste(e)n(en) en/of straatklinker(s) en/of fiets(en) en/of andere voorwerpen tegen en/of in de richting van (een) voertuig(en) van de Mobiele Eenheid en
- slaan met een loopkruk tegen en/of in de richting van een lid van de Mobiele Eenheid en
- schreeuwen en/of schelden tegen (een) politieambtena(a)r(en) en/of ordehandhaver(s) en
- het aannemen van een agressieve en/of uitdagende houding tegenover de Mobiele Eenheid en/of politieambtena(a)r(en) en
- belagen van (een) politieambtena(a)r(en) en/of orderhandhaver(s) en
- vernielen van straatmeubilair en
- vernielen van een camerapaal en
- ter hand nemen en/of ontsteken van vuurwerk en/of het gooien van dat vuurwerk in de richting van de Mobiele Eenheid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De regering heeft ter bestrijding van de coronapandemie ingrijpende maatregelen moeten treffen om te trachten de oplopende besmettingen een halt toe te roepen en de ziekenhuizen te ontlasten. In dat kader is ook het ingrijpende middel van de avondklok aangewend, waardoor eenieder, behoudens bij wet geregelde uitzonderingsgevallen, zich vanaf 21.00 uur niet meer op straat mocht begeven. Naar aanleiding van de instelling van deze avondklok zijn in Nederland grootschalige rellen uitgebroken, die menig burger grote angst hebben ingeboezemd. Daarbij is door grote groepen personen gereld, geplunderd en werden er allerhande zaken (waaronder winkels) vernield. Mensen moesten machteloos toekijken hoe hun eigendommen en woonomgeving genadeloos werden vernield, terwijl veel burgers in deze tijden om uiteenlopende redenen al zwaar te lijden hebben onder de genomen maatregelen. Deze pure vernielzucht kent geen enkele rechtvaardiging.


Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 24 januari 2021 schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen. De verdachte heeft zich toen begeven naar het centrum van Eindhoven, alwaar een demonstratieverbod gold en door de burgemeester een noodbevel was afgekondigd. De verdachte heeft zich, ondanks dat hij wist dat demonstreren aldaar verboden was, gemengd in een grote groep personen die zich hadden verzameld op het 18 Septemberplein. Omdat de coronamaatregelen massaal door de aanwezige personen werden overtreden, kreeg de politie de opdracht om het plein te ontruimen. Daarop zijn ernstige ongeregeldheden uitgebroken, waarbij de politie werd bekogeld met onder meer vuurwerk en stenen, er geweld werd gebruikt en op grote schaal vernielingen werden gepleegd. De openbare orde is hierdoor op ontoelaatbare wijze verstoord en de Mobiele Eenheid moest er aan te pas komen om deze te herstellen. Het concrete aandeel van de verdachte in de constellatie van deze strafbare feiten was, naast het getalsmatig versterken van de aanwezige groep relschoppers, het aannemen van een agressieve en uitdagende houding tegenover de leden van de Mobiele Eenheid, het gooien van een loopkruk tegen en/of in de richting van een voertuig van de Mobiele Eenheid en het met een loopkruk slaan tegen en/of in de richting van politieambtenaren en een politievoertuig. Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is voor het hof genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte zich, kort voor het moment dat het zware middel van traangas moest worden ingezet omdat de situatie dusdanig escaleerde, van verdere geweldplegingen heeft gedistantieerd en het centrum van Eindhoven heeft verlaten.


Het door de relschoppers, waaronder verdachte, vertoonde gedrag is onacceptabel en dient naar het oordeel van het hof, met name uit het oogpunt van generale preventie en vergelding, streng te worden bestraft, opdat de samenleving daartegen wordt beschermd.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 juni 2021, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij samen met zijn zus woonachtig is in hun ouderlijk huis, dat hij de enige persoon is die zijn zus kan opvangen als zij in de weekenden met verlof mag vanuit de verslavingsinstelling waar zij verblijft, dat hij een vriendin heeft, dat hij op eigen kracht abstinent is geworden van het gebruik van verdovende middelen, dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet geniet en dat hij schulden heeft. Door traumatische ervaringen in zijn jeugd heeft de verdachte lange tijd psychische hulp gekregen voor zijn dysthyme stoornis. Deze behandeling is volgens een door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep overgelegd schrijven van psychologe drs. [psychologe] op 7 juni 2021 succesvol afgerond. De verdachte stelt evenwel dat hij door de genomen coronamaatregelen en de situatie van zijn zus de afgelopen periode meer spanningsklachten ervaart en hij om die reden zich bij zijn huisarts heeft vervoegd om opnieuw te worden aangemeld voor een behandeltraject bij zijn psychologe.

Het hof is van oordeel, ondanks de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, dat in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de rol van de verdachte bij het geweld, in verband met een juiste normhandhaving en uit een oogpunt van generale preventie en vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Hoewel de politierechter zulks eveneens heeft onderkend, zou met oplegging van dezelfde straf als door de politierechter is gevonnist naar ’s hofs oordeel onvoldoende recht worden gedaan aan de ernst van het bewezenverklaarde. Voorts zou daarvan jegens potentiële relschoppers in onvoldoende mate een afschrikwekkend effect uitgaan. Het hof zal derhalve overgaan tot oplegging van een gevangenisstraf van langere duur.

Tegen voormelde achtergrond ziet het hof vanzelfsprekend geen aanleiding om de strafeis van de advocaat-generaal of het straftoemetingspleidooi van de raadsman te volgen. Hetgeen door of namens de verdachte over de situatie van de zus van de verdachte naar voren is gebracht legt, met name afgezet tegen de ernst van het bewezenverklaarde feit, onvoldoende gewicht in de schaal om tot een andersluidend oordeel te kunnen komen.

Het feit dat eenieder in Nederland zich – zeker ten tijde van het bewezenverklaarde – door de uitbraak van het coronavirus in een uitzonderlijke situatie bevond en ook, nu het nog allerminst zeker is of de coronapandemie volledig op zijn retour is, thans nog bevindt en het handelen van de verdachte op die situatie betrekking heeft, maakt dat de binnen de zittende en staande magistratuur ontwikkelde richtlijnen, dienende als indicatie voor een gebruikelijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van openlijke geweldpleging in vereniging, niet op de onderhavige situatie van toepassing zijn. Deze richtlijnen zijn immers niet voor deze uitzonderlijke situatie geschreven, temeer nu ten tijde van het opstellen daarvan de aard en omvang van de coronapandemie niet kon worden voorzien.

Het hof is van oordeel dat voor gevallen van openlijke geweldpleging in vereniging, indien dat strafbare feit op enigerlei wijze kan worden gerelateerd aan de van overheidswege genomen maatregelen ter bestrijding van de coronapandemie, in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 6 tot 15 maanden op zijn plaats is.

Alles afwegende acht het hof in deze zaak oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Met oplegging van het voorwaardelijke strafdeel, dat met name is ingegeven door de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, wordt tevens enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij Politie Eenheid Oost-Brabant

De benadeelde partij Politie Eenheid Oost-Brabant heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 162.546,64, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op vergoeding van schade aan politievoertuigen, welke is ontstaan als gevolg van de coronarellen op 24 januari 2021 in Eindhoven. De vordering valt uiteen in de volgende posten, telkens inclusief BTW:

  1. een bedrag van € 27.009,22 (voertuig met kenteken [kenteken 1] );

  2. een bedrag van € 12.705,00 (voertuig met kenteken [kenteken 2] );

  3. een bedrag van € 5.479,40 (voertuig met kenteken [kenteken 3] );

  4. een bedrag van € 38.720,00 (voertuig met kenteken [kenteken 4] );

  5. een bedrag van € 10.461,06 (voertuig met kenteken [kenteken 5] );

  6. een bedrag van € 25.525,30 (voertuig met kenteken [kenteken 6] );

  7. een bedrag van € 7.859,16 (voertuig met kenteken [kenteken 7] );

  8. een bedrag van € 8.833,00 (voertuig met kenteken [kenteken 8] );

  9. een bedrag van € 5.445,00 (voertuig met kenteken [kenteken 9] );

  10. een bedrag van € 3.932,50 (voertuig met kenteken [kenteken 10] );

  11. een bedrag van € 6.292,00 (voertuig met kenteken [kenteken 11] );

  12. een bedrag van € 10.285,00 (voertuig met kenteken [kenteken 12] ).

De politierechter heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep gedeeltelijk toegewezen tot het bedrag van € 3.250,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is in het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven haar vordering in hoger beroep te handhaven.

De raadsman van de verdachte heeft geconcludeerd tot matiging van het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding, primair tot een bedrag van ten hoogste € 1.000,00 en subsidiair tot een bedrag van € 3.250,00. Tevens is het hof verzocht niet te bepalen dat de verdachte samen met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor de geleden schade.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij Politie Eenheid Oost-Brabant als gevolg van het bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Daartoe overweegt het hof als volgt.

De benadeelde partij heeft gesteld dat de in bijlage 1 bij de vordering genoemde politievoertuigen schade hebben opgelopen bij de inzet op zondag 24 januari 2021 te Eindhoven. De schades zijn met name op het 18 Septemberplein en het Stationsplein toegebracht. De schadeposten zijn uitgebreid onderbouwd met onder meer kostenspecificaties en foto’s.

Het hof stelt vast dat de verdediging de gevorderde schadeposten niet inhoudelijk heeft betwist. De schadeposten zijn naar het oordeel van het hof ook voldoende onderbouwd. Voorts is op grond van het onderzoek ter terechtzitting genoegzaam komen vast te staan dat de politievoertuigen schade hebben opgelopen als gevolg van de rellen in Eindhoven op 24 januari 2021, waarbij onder meer met allerhande voorwerpen richting politievoertuigen is gegooid, zoals eveneens ten laste van de verdachte bewezen is verklaard. Daaraan doet niet af dat de verdachte zelf slechts enkele van de bewezenverklaarde handelingen van het openlijke geweld heeft verricht. Onder de uit de bewijsmiddelen naar voren komende feiten en omstandigheden wist de verdachte, althans behoorde hij te begrijpen, dat het groepsoptreden waaraan hij deelnam het gevaar schiep voor schade zoals in concreto is toegebracht.

Met betrekking tot de loop der gebeurtenissen, zoals die relevant zijn voor de vaststelling van de omvang van de schade, overweegt het hof als volgt.

Uit het procesdossier komt naar voren dat de verdachte op 24 januari 2021 omstreeks 13.00 uur is gearriveerd in het centrum van Eindhoven. Uit het proces-verbaal van commissaris van politie [commissaris van politie] volgt dat om 14.10 uur de eerste uitingen van geweld hebben plaatsgevonden. De verdachte kan op dat moment worden gelokaliseerd op het 18 Septemberplein. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte nadien ook op het Stationsplein en de Piazza is geweest. Om 14.18 uur is een noodbevel gegeven om het 18 Septemberplein te ontruimen, aangezien de openbare orde massaal werd verstoord door het gooien van voorwerpen naar de politie, er sprake was van geweldplegingen naar de politie, vernielingen en andere strafbare feiten. Om 14.21 uur is daadwerkelijk overgegaan tot aanwending van geweld door de politie. De verdachte heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie verklaard dat hij om 15.30 uur is weggegaan naar huis. Uit vorenbedoeld proces-verbaal volgt dat om 15.32 uur door de burgemeester van Eindhoven toestemming is gegeven tot het inzet van traangas als geweldsmiddel, aangezien inmiddels sprake was van zeer ernstig geweld, direct gevaar voor grootschalig en ernstig letsel, omvangrijke en ernstige vernielingen en massale verstoring van de openbare orde. De rellen zijn nadien verhevigd en pas omstreeks 20.30 uur keerde de rust in het centrum terug en kwam de inzet van de politie ten einde.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte zich gedurende ongeveer 1,5 uur bij de gewelddadige groep relschoppers heeft begeven, die zich grotendeels bevonden op het 18 Septemberplein en Stationsplein. Nadat de verdachte was vertrokken, hebben de rellen nog ongeveer 6 uren voortgeduurd.

Degene die zich uit een groep relschoppers om wier gedragingen het gaat heeft teruggetrokken is in beginsel voor daarna ontstane schade niet aansprakelijk, tenzij bijvoorbeeld gezegd kan worden dat zijn eerdere gedragingen een ontwikkeling in gang hebben gezet, die tot de schade heeft geleid en die zijn terugtreden niet meer heeft kunnen afremmen. Voor het hof is op grond van het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat van die laatste omstandigheid sprake was, mede in aanmerking genomen hetgeen in temporeel verband ten laste van de verdachte bewezen is verklaard (te weten de openlijke geweldpleging vóór 15.30 uur). Derhalve kan de verdachte naar het oordeel van het hof alleen civielrechtelijk aansprakelijk worden gehouden voor de schade die tot ongeveer 15.30 uur is ontstaan.

Gelet op de aard van de rellen, waarbij sprake was van een tumultueuze agressieve situatie, heeft de benadeelde partij niet kunnen onderbouwen welk voertuig op welk moment en op welke locatie (het 18 Septemberplein of het Stationsplein) beschadigd is geraakt. Het hof is van oordeel dat zulks in redelijkheid ook niet van de benadeelde partij kan worden gevergd. Dat leidt er evenwel toe dat een schadebegroting in concreto niet mogelijk is, zodat het hof zich genoodzaakt ziet om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de schade te schatten.

In dat verband overweegt het hof als volgt.

Het hof zal voor de schatting van de schade die is ontstaan als gevolg van het bewezenverklaarde handelen aansluiting zoeken bij het tijdsverloop. Uit het onderzoek ter terechtzitting is dienaangaande naar voren gekomen dat de verdachte ongeveer 1,5 uur aanwezig is geweest bij de openlijke gewelddadigheden en daaraan een strafbare en onrechtmatige bijdrage heeft geleverd. De rellen hebben in totaliteit ongeveer 7,5 uren geduurd. Dat maakt dat het hof schattenderwijs als uitgangspunt neemt dat 20% van de schade is ontstaan gedurende de tijd dat de verdachte aanwezig was bij de rellen. Gezien de uit het procesdossier naar voren komende omstandigheid dat de geweldplegingen later op de dag, te weten na omstreeks 15.30 uur, zijn verhevigd en het daardoor aannemelijk is dat toen meer schade is toegebracht dan eerder op de dag, ziet het hof aanleiding om op voormelde 20% een correctie van 5% aan te brengen. Het voorgaande maakt aldus dat het hof schattenderwijs 15% van het totale schadebedrag toerekent aan de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging, die vóór 15.30 uur op 24 januari 2021 heeft plaatsgevonden. Mitsdien zal het hof een totaalbedrag van € 24.381,99 aan materiële schadevergoeding toewijzen, voor welk bedrag de verdachte samen met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk is. Voormeld bedrag is inclusief BTW, omdat de benadeelde partij geen ondernemer voor de omzetbelasting is en derhalve geen BTW kan terugvragen, zodat in zoverre eveneens van schade kan worden gesproken. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof het meer of anders gevorderde zal afwijzen.

De benadeelde partij heeft gevorderd om de verdachte en zijn mededader(s) hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de schade. Anders dan door de verdediging is verzocht, ziet het hof geen grond om niet te bepalen dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor de toegebrachte schade. Immers, indien één van tot een groep behorende personen (zoals in casu de verdachte) onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zijn zij krachtens het bepaalde in artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek hoofdelijk aansprakelijk indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend, zoals in deze zaak het geval is. Het hof zal dan ook bepalen dat de verdachte samen met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk is.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2021, zijnde de datum waarop de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde partij, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade aan het slachtoffer Politie Eenheid Oost-Brabant is toegebracht tot een bedrag van € 24.381,99. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van 156 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Politie Eenheid Oost-Brabant ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 24.381,99 (zegge: vierentwintigduizend driehonderdeenentachtig euro en negenennegentig cent) als vergoeding van materiële schade, waarvoor de verdachte met zijn mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer Politie Eenheid Oost-Brabant, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 24.381,99 (zegge: vierentwintigduizend driehonderdeenentachtig euro en negenennegentig cent) aan materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 156 (honderdzesenvijftig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere in zoverre vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. A.C. Bosch, voorzitter,

mr. B. Stapert en mr. D.A.E.M. Hulskes, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen, griffier,

en op 27 oktober 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Stapert voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.