Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:3201

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-10-2021
Datum publicatie
28-10-2021
Zaaknummer
200.295.831_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling

raadsonderzoek gelast

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 21 oktober 2021

Zaaknummer : 200.295.831/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/290074/ FA RK 21-1110

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.A.M.J.M. Joosten te Venlo,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

Deze zaak gaat over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige] ).

Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

- [de moeder], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de moeder);

- familie [de pleegouders], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de pleegouders).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 28 mei 2021, gegeven onder bovenvermeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 juni 2021, heeft de vader het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] te wijzigen [het hof begrijpt: een omgangsregeling vast te stellen] in die zin dat:

- primair: de navolgende opbouwende omgangsregeling wordt vastgesteld waarbij:

o de omgangsmomenten wekelijks op vrijdagmiddag bij de vader thuis plaatsvinden;

o daarbij de duur van het omgangsmoment maandelijks wordt uitgebreid met een uur startende met een omgangsmoment van twee uur;

o zodra dit goed gaat, [minderjarige] één keer in de maand blijft logeren;

o dit alles zonder begeleiding;

- subsidiair: het hof een omgangsregeling vaststelt die het hof juist acht.

Kosten rechtens.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 juli 2021, heeft de GI het hof verzocht de vader in zijn verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het verzoek in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 september 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. L.M. van den Dungen, waarnemend voor mr. Joosten;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.3.1.

De moeder en de pleegouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter mondelinge behandeling verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de vader van 15 juli 2021.

2.5.

Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een emailbericht met bijlage van de GI d.d. 22 september 2021. Op verzoek van het hof heeft de advocaat van de vader hierop gereageerd, en wel door middel van een V8-formulier van 4 oktober 2021.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 2012 [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

3.2.

[minderjarige] stond sinds 10 december 2013 onder toezicht van de GI en was met ingang van 1 juli 20215 uithuisgeplaatst. Deze maatregelen zijn laatstelijk verlengd tot 10 december 2018.

Bij beschikking van 6 juni 2018 heeft de rechtbank het gezag van de ouders beëindigd en de GI benoemd tot voogdes.

3.3.

De GI heeft bij brief van 16 november 2020 een omgangsregeling vastgesteld voor het jaar 2021, in die zin dat de vader om de week op maandagmiddag begeleide omgang heeft met [minderjarige] van 15.00 uur tot 17.00 uur en dat de omgangsmomenten een keer per maand bij de vader thuis plaatsvinden en een keer per maand bij de ouders van de vader.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld tussen [minderjarige] en de vader waarbij zij contact hebben op maandag of dinsdag eens per twee weken gedurende twee uur, dag en tijdsstippen in onderling overleg te bepalen, Het meer of anders verzochte is afgewezen.

3.5.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De vader voert - samengevat – het volgende aan.

De door de rechtbank bepaalde omgangsregeling is voor hem niet haalbaar, in verband met zijn werk als vrachtwagenchauffeur. Hij werkt van zaterdag tot en met donderdag en kan niet op maandag of dinsdag vrij nemen voor de omgang. Deze werktijden zijn gebruikelijk in de transportsector en de vader wil zijn baan niet verliezen door op onmogelijke tijden vrij te vragen. Bovendien is het hebben van een dagbesteding een reclasseringsvoorwaarde in een eerdere strafzaak van de vader. In feite wordt de vader gedwongen te kiezen tussen omgang met zijn dochter of het behoud van zijn baan.

Het heeft volgens de vader geen zin als de GI of zijn advocaat contact zou opnemen met zijn werkgever, omdat hierover niet te schikken valt. Hij wil zijn werkgever bovendien niet betrekken in deze discussie.

Continuïteit van het contact tussen [minderjarige] en de vader zou voorop moeten staan, niet continuïteit van de begeleiding van de pleegzorgwerker waar [minderjarige] een vertrouwensrelatie mee heeft. [minderjarige] zou kunnen wennen aan een nieuwe pleegzorgwerker die, anders dan kennelijk de huidige pleegzorgwerker, wel op vrijdag werkt en zo de omgang kan begeleiden.

Ingevolge artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK heeft [minderjarige] recht op family life en een regelmatig contact met de vader. Dit is voor haar hechting en identiteitsontwikkeling belangrijk. Dit is niet mogelijk wanneer er omgang wordt bepaald op maandag of dinsdag, wanneer de vader moet werken. De raad heeft bovendien ter mondelinge behandeling in eerste aanleg ook aangegeven dat de omgang, die al maanden stilligt, zo snel mogelijk weer opgepakt zou moeten worden.

[minderjarige] gaat inmiddels al een aantal jaren naar school. De vader betwist dat [minderjarige] aan het eind van de week geestelijk of lichamelijk niet in staat zou zijn tot omgang met haar vader.

De rechtbank is te snel en te gemakkelijk van de stellingen van de GI uitgegaan. Het hof dient kritisch te beoordelen of van de GI niet verwacht kan worden dat zij de omgang op vrijdagmiddag faciliteert.

Vóór zijn detentie had de vader wekelijks contact met [minderjarige] , waarbij zij ook op vrijdag bij de vader kwam en zelfs bleef overnachten. In 2018 heeft de huisarts nog geconstateerd dat de vader een betrokken en zorgzame vader is die goed is voor zijn kind.

3.6.

De GI voert - samengevat - het volgende aan.

[minderjarige] woont nu vijf jaar in het pleeggezin en is daar gehecht. Ze heeft moeite met het opkomen voor zichzelf, haar mening geven en het verankeren van geleerde vaardigheden. Het is belangrijk dat de volwassenen rondom [minderjarige] haar blijven helpen met het koppelen van gevoel aan woorden. [minderjarige] heeft veel te verhapstukken op sommige momenten. Dan is voor haar de balans zoek en reageert zij met flinke driftbuien.

De afgelopen jaren zijn de bezoeken met regelmaat aangepast aan de vader. Eind 2020 is al uitgebreid met de vader besproken dat een bezoek aan het eind van de week niet haalbaar is voor [minderjarige] . De vader blijft echter ageren, on(aan)gepast gedrag vertonen en dreigende mails sturen naar alle betrokkenen. Ook lukt het de vader niet zich aan afspraken te houden. Het onvoorspelbare gedrag heeft ervoor gezorgd dat [minderjarige] angstig is geworden. Zij wil wel contact met de vader maar geeft ook duidelijk aan dat zij duidelijkheid en de begeleiding nodig heeft. Er zijn meerdere redenen waarom de omgang op vrijdag niet kan plaatsvinden.
heeft tegen het einde van de week een verminderd energieniveau door haar trage prikkelverwerking en de wekelijkse therapie voor haar persoonlijke problematiek.

Er is voorts begeleiding nodig vanwege de spanning die de omgang bij [minderjarige] oproept doordat de vader haar belast met volwassen zaken. De vader blijft ook tijdens bezoekmomenten uitdragen dat hij graag wil dat [minderjarige] op termijn bij hem blijft logeren, terwijl de regeling nu al moeizaam verloopt. De pleegzorgwerker die een vertrouwenspersoon is voor [minderjarige] en die de omgang moet begeleiden, werkt niet op vrijdag. [minderjarige] heeft belang bij haar aanwezigheid tijdens de omgang. De GI benadrukt dat de behoefte en de draagkracht van [minderjarige] leidend zijn, niet de wensen van de vader.

De vader is vrachtwagenchauffeur en heeft in maart 2021 een nieuwe baan aangenomen, waarin hij zegt niet op maandag (of dinsdag) vrij te kunnen zijn, terwijl hij bij zijn vorige werkgever van september 2020 tot april 2021 nog wel op de maandagen vrij kon zijn.

De huidige werkgever van de vader heeft weliswaar per e-mail bevestigd dat er sprake is van een werkcyclus van zaterdag tot en met donderdag, maar daarin staat niet dat verlof op maandag of dinsdag één keer per twee weken niet mogelijk is.

3.7.

De raad voert ter mondelinge behandeling aan dat de GI onvoldoende inzichtelijk maakt waarom [minderjarige] het niet aan kan om op de vrijdag (begeleide) omgang met de vader te hebben. De raad mist de zogenaamde Choplist (de checklist oudercontacten in de pleegzorg) en kan door dit gebrek aan informatie het hof nu niet voldoende adviseren.

De raad benadrukt dat acceptatie door de vader - dat omgang op maandag of dinsdag de enige optie zou zijn voor [minderjarige] - staat of valt met het kunnen begrijpen waarom het niet mogelijk is om op een andere dag omgang met [minderjarige] te hebben dan wel de omgang anders in te vullen. Er is nu te weinig informatie die de vader zou kunnen overtuigen.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.

3.8.2.

Met de raad is het hof van oordeel dat de GI onvoldoende heeft toegelicht hoe het nu met [minderjarige] gaat, hoe zij zich op dit moment ontwikkelt, op welke manier zij de meest recente (al dan niet digitale) omgangsmomenten met de vader ervaren heeft en hoe zij daarop reageert. Het hof zal daarom de raad opdragen om een onderzoek te doen en uiterlijk 24 februari 2022 te rapporteren en te adviseren (eventueel in de vorm van een briefrapport) met betrekking tot de vragen:

  • -

    welke omgangsregeling met de vader is in het belang van [minderjarige] ?

  • -

    op welke wijze en op welke dag(en) dient deze plaats te vinden ?

  • -

    welke beletselen zijn er en hoe kunnen die worden weggenomen?

3.8.3.

Het hof zal de verdere behandeling van de zaak vier maanden aanhouden tot 24 februari 2022 pro forma, teneinde de resultaten van het onderzoek en het advies van de raad af te wachten. Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van de raad. Zo nodig bepaalt het hof een tweede mondelinge behandeling.

3.8.4.

Op grond van het voorgaande zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.

3.8.5.

Het hof heeft uit het bericht van de vader d.d. 4 oktober 2021(als reactie op het emailbericht van de GI van 22 september 2021) begrepen dat de vader in verband met tijdelijke) arbeidsongeschiktheid momenteel wel op de maandag/dinsdag beschikbaar is voor omgang, maar dat dit zijn bezwaren tegen de door de rechtbank vastgestelde regeling niet wegneemt.

Indien de vader in de eerstkomende tijd meer beschikbaar is, acht het hof van belang dat, in afwachting van het raadsadvies, de door de rechtbank bepaalde regeling zoveel mogelijk wordt uitgevoerd. Daarvoor dient de GI met de vader in een rooster vast te leggen wanneer, waar en op welke manier de omgang zal plaatsvinden.

Wanneer de beschikbaarheid van de vader op de maandag/dinsdag wegvalt, zou er in de weken dat [minderjarige] schoolvakantie heeft, omgang op de vrijdag moeten kunnen plaatsvinden.

3.9.

Op grond van het voorgaande houdt het hof iedere verdere beslissing aan.

4 De beslissing

Het hof:

verzoekt de raad om vóór de hierna te noemen pro forma datum aan het hof (brief)rapport en advies uit te brengen omtrent hetgeen hierboven onder rechtsoverweging 3.8.2. is overwogen, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaat van de vader en aan de overige belanghebbenden, boven vermeld;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 24 februari 2022.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en A.M. van Riemsdijk en is door mr. C.N.M. Antens in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.