Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:32

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-01-2021
Datum publicatie
21-01-2021
Zaaknummer
200.258.555_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Agrarisch recht. Koop en installatie biobed voor varkenshouderij. Vervolg op hof ’s-Hertogenbosch 6 oktober 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:3073.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.258.555/01

arrest van 12 januari 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. D.P. Kant te Goor,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente Haaren,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. R.A.C.J. van Kessel te Boxtel,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 6 oktober 2020 in het hoger beroep van de vonnissen van 14 juni 2018 en 17 januari 2019, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

8 Het vervolg van het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 6 oktober 2020

  • -

    de akte van [geïntimeerde] van 24 november 2020 met een productie

  • -

    de akte van [appellante] van 24 november 2020 met producties

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

9 Het vervolg van de beoordeling in het principaal hoger beroep

9.1.

In het tussenarrest van 6 oktober 2020 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld om op te geven op welke hoogte boven de vloer van de drukkamer de onderzijde van het inspectieluik zich exact bevindt.

9.2.

Volgens mededeling van [geïntimeerde] is het biobed vervangen, zodat de hoogte van de onderzijde van het inspectieluik niet meer kan worden opgemeten. [geïntimeerde] heeft een foto overgelegd, die volgens hem de buitenzijde van drukkamer toont, zoals die destijds was. Aan de hand van de foto heeft hij gesteld dat de onderzijde van het inspectieluik zich bevindt op een hoogte van 20 cm boven de betonvloer.

9.3.

[appellante] heeft afbeeldingen van Streetview overgelegd. De afbeeldingen tonen de buitenzijde van een biobed, met een luik, dat kennelijk openstaat. Aan de hand van deze afbeeldingen heeft [appellante] berekend dat de onderzijde van het inspectieluik zich bevond op een hoogte van 48 cm boven de betonvloer.

9.4.

Het valt op dat de positie van het inspectieluik in de buitenzijde van het biobed op de foto van [geïntimeerde] en de afbeeldingen van [appellante] niet volledig gelijk lijken te zijn. Het hof kan niet uit de foto, afbeeldingen en stellingen van partijen opmaken wat de werkelijke situatie is geweest. Het is ook niet duidelijk of de behuizing van het oude biobed is gesloopt en er een nieuwe behuizing is gebouwd. Van sloop of nieuwbouw zijn geen bewijsstukken ingebracht. Het hof zal partijen de gelegenheid geven bij akte te reageren op elkaars stellingen. Het hof verwacht van partijen dat zij in onderling overleg aan de hand van het beschikbare materiaal vaststellen wat de werkelijke situatie is geweest.

9.5.

[geïntimeerde] heeft verder nog aangevoerd dat de drukkamer niet geschikt en bedoeld is voor opslag van percolaat. Volgens hem voldeed de drukkamer niet en behoefde niet te voldoen aan de eisen die de Meststoffenwet stelt aan de bovengrondse opslag van percolaat. De drukkamer was volgens hem alleen bedoeld voor het opvangen van incidenteel spoelwater. Daarnaast stelt [geïntimeerde] dat de verdampingscapaciteit van het biobed aanzienlijk zou verminderen, als de drukkamer wordt gevuld met percolaat.

9.6.

De deskundige [deskundige] is ervan uitgegaan dat de ruimte in de drukkamer tot de onderzijde van het inspectieluik beschikbaar was voor het opslaan van percolaat (zie het tussenarrest in 5.30). Het gaat om tijdelijke opslag, omdat de deskundige rekening houdt met de opslag over een jaar. Partijen hebben dit uitgangspunt tot nog toe niet bestreden. [geïntimeerde] brengt nu voor het eerst hiertegen een bezwaar naar voren, en dat is naar het oordeel van het hof te laat. Het hof houdt daarmee geen rekening. Overigens heeft [geïntimeerde] het bezwaar ook niet voldoende toegelicht. Hij heeft immers niet uiteengezet aan welke eisen van de Meststoffenwet de drukkamer niet voldeed, waaruit blijkt de drukkamer niet waterdicht was of eenvoudig waterdicht was te maken, en op grond waarvan hij – anders dan kennelijk de deskundige – aanneemt dat een laag percolaat tot de onderzijde van het inspectieluik de werking van het biobed in wezenlijke mate nadelig zou beïnvloeden.

9.7.

[appellante] heeft erop gewezen dat meststoffen volgens de mestwetgeving minimaal zeven maanden moeten (kunnen) worden opgeslagen. Omdat [appellante] daarbij stelt dat zij er desondanks van uitgaat dat het percolaat in de drukkamer eenmaal per jaar wordt uitgereden (of afgevoerd), behoeft het hof dit verder niet te bespreken.

9.8.

Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor het indienen van akten in principaal hoger beroep en verder elke beslissing aanhouden.

10 De uitspraak

Het hof:

in principaal hoger beroep

10.1.

verwijst de zaak naar de rol van 9 februari 2021 voor akte aan de zijde van beide partijen, zoals hiervoor onder 9.4 en 9.8 is overwogen;

verder in principaal, alsmede in incidenteel hoger beroep

10.2.

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, L.S. Frakes en B.A. Meulenbroek en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 januari 2021.

griffier rolraadsheer