Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:3198

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-10-2021
Datum publicatie
28-10-2021
Zaaknummer
200.264.046_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:2946
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verwijzing naar BOR3, tevens nader raadsonderzoek bepaald

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 21 oktober 2021

Zaaknummer: 200.264.046/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/247341 / FA RK 18-862

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in principaal hoger beroep,

verweerder in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. S.C.H. Poelman,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal hoger beroep,

verzoekster in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. B.M.A. Jegers.

Betreffende de minderjarige:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

7 De beschikking d.d. 24 september 2020

Bij die beschikking heeft het hof in het principaal en incidenteel hoger beroep:

- de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 22 mei 2019 ten aanzien van de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] bekrachtigd;

- de moeder en de vader voor een traject ouderschapsreorganisatie (Nieuw Ouderschap) verwezen naar [instantie] te [vestigingsplaats] ;

- iedere verdere beslissing aangehouden tot 26 maart 2021 pro forma, in afwachting van het verloop van het traject bij [instantie] ;

- [instantie] verzocht tijdig voor de pro forma datum schriftelijk te informeren over de resultaten van voornoemd traject.

8 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

8.1.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 september 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Poelman;

- de moeder, bijgestaan door mr. L.H.G. Pelzer (kantoorgenoot van mr. Jegers);

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

8.2.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

- een V-formulier van de advocaat van de vader d.d. 19 maart 2021;

- de eindrapportage van het Nieuw Ouderschapstraject bij [instantie] d.d. 1 juni 2021;

- een V-formulier met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 8 juni 2021;

- een V-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 9 juni 2021;

- een V-formulier met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 6 augustus 2021;

- een V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 1 september 2021.

9 De verdere beoordeling

Stand van zaken

9.1.

Het hof heeft bij de beschikking van 24 september 2020 de beslissingen ter zake de verzoeken van de moeder in incidenteel hoger beroep met betrekking tot het gezag en de zorgregeling voor de zomervakantie aangehouden in afwachting van het verloop van het traject bij [instantie] . Het hof heeft de ouders verwezen naar [instantie] voor een traject ouderschapsreorganisatie (Nieuw Ouderschap).

9.2.

De ouders hebben deelgenomen aan het Nieuw Ouderschapstraject van januari 2021 tot juni 2021. In de ‘Eindrapportage Nieuw Ouderschap’ heeft [instantie] geconcludeerd als volgt:

“(…) Het traject heeft niet geleid tot contactherstel tussen vader en [minderjarige] . Ten aanzien van het nieuw ouderschap hebben ouders nu contact via de mail. Het ex-partnerschap staat bij beide ouders veelal op de voorgrond tijdens de NO gesprekken. Gebeurtenissen uit het verleden, m.n. de relatie en de scheiding brengen veel emoties met zich mee en bepalen hoe ouders met elkaar omgaan op dit moment. Hierin wordt het belang van [minderjarige] en hetgeen hij nodig heeft van zijn ouders om met de scheidingssituatie om te gaan uit het oog verloren. Ouders hebben onvoldoende zicht op hetgeen dit voor [minderjarige] in zijn algehele ontwikkeling betekent en leggen verantwoordelijkheden bij [minderjarige] neer die niet bij zijn leeftijd passen.

Beide ouders wijzen en maken verwijten naar elkaar als het gaat om stappen te zetten in het contactherstel tussen vader en [minderjarige] en in het nieuw ouderschap. Beide ouders hebben vanuit hun eigen gezinssituatie negatieve ervaringen o.a. scheiding meegemaakt, hetgeen mogelijk meespeelt in de visie en de draagkracht van ouders om tot oplossingen te komen in hun ouderschap.

De NO medewerker heeft [minderjarige] leren kennen als een rustige beleefde jongen. [minderjarige] kan goed verwoorden waarom hij geen contact met vader wil. Zijn emoties en wensen hierbij zijn moeilijk te peilen en hij lijkt zich hiervoor af te sluiten. Mogelijk is er sprake van een loyaliteitsconflict. Gezien de korte duur van het NO traject is er te weinig tijd geweest om meer regie te nemen in het contactherstel tussen vader en [minderjarige] . Daarnaast is er bij ouders weinig vertrouwen en weinig motivatie tot verandering. Ouders werken in principe mee aan de gesprekken, maar het lukt beide ouders niet om te kijken naar hun eigen aandeel in het geheel en hierin iets te veranderen. Ze blijven beide de verandering van de ander verwachten.

De NO medewerker adviseert om het contactherstel tussen vader en [minderjarige] middels een BOR 2 traject verder te laten begeleiden. Daarnaast een individueel- of groepstraject voor [minderjarige] waarin hij op een neutrale wijze wordt begeleid in het verwerken en het omgaan met de scheidingssituatie. Ten aanzien van de communicatie tussen ouders is er een eerste stap gezet nl. informatie uitwisseling van [minderjarige] via de mail. Dit lijkt nu goed te verlopen omdat de NO medewerker in de CC wordt meegenomen.

Aangezien er bij ouders weinig motivatie en vertrouwen in de hulpverlening is, is het de vraag of er verandering in deze situatie haalbaar is. Het betreft een complexe problematiek, waarbij een regierol passend zou zijn om het belang van [minderjarige] centraal te stellen. In het vrijwillig kader zijn er op dit moment onvoldoende mogelijkheden om veranderingen te weeg te brengen in de huidige situatie.”

Nadere standpunten

9.3.

De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling als vervolgstap BOR niveau 3 voorgesteld. Daarnaast meent hij dat de raad een beschermingsonderzoek moet overwegen, zodat er iemand komt die de regierol heeft.

De vader maakt zich ernstig zorgen over de opvoedingsomgeving van [minderjarige] in de thuissituatie van de moeder, alsmede over dat [minderjarige] nog steeds niet openstaat voor contactherstel met hem. Er zijn geen redenen waarom geen contactherstel kan plaatsvinden. De moeder wil ten onrechte het aan [minderjarige] overlaten of er wel of geen contact is. Door zijn loyaliteitspositie is [minderjarige] daartoe niet in staat. De moeder draagt niet uit dat zij achter contact tussen de vader en [minderjarige] staat en werkt niet mee in het zoeken naar mogelijkheden om het contact te herstellen.

9.4.

De moeder betwist dat zij contactherstel tussen de vader en [minderjarige] zou tegenwerken. Zij heeft het gehele traject bij [instantie] meegewerkt. [minderjarige] geeft zelf nadrukkelijk aan geen contact met de vader te willen hebben. Dit komt door ervaringen die [minderjarige] met de vader heeft. De moeder volgt [minderjarige] in zijn mening en zij wil hem niet dwingen tot (begeleid) contact met de vader. Als besloten wordt dat wel contact tussen de vader en [minderjarige] moet plaatsvinden, dan dient dit plaats te vinden door middel van een BOR-traject. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder naar voren gebracht dat in dat geval een BOR niveau 3 meer voor de hand liggend is dan een BOR niveau 2. Als de raad een beschermingsonderzoek initieert, dan kan de moeder zich daarin vinden.

9.5.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd een nader raadsonderzoek te gelasten naar de invulling van de zorgregeling en het gezag. Dit onderzoek zal de raad dan zelf uitbreiden naar een beschermingsonderzoek, nu mogelijk sprake is van een ontwikkelingsbedreiging en het de vraag is of regie van een gezinsvoogd nodig is om (onder andere) het BOR-traject, niveau 3, tot stand te krijgen.

Als een raadsonderzoek wordt bepaald, dan neemt dat niet weg dat een BOR niveau 3 reeds in gang gezet kan worden, aldus de raad.

De zorgregeling

9.6.

Ten aanzien van de zorgregeling overweegt als hof als volgt.

Op grond van de beschikking van de rechtbank van 22 mei 2019 zijn de vader en [minderjarige] gerechtigd tot het hebben van contact met elkaar. [minderjarige] heeft echter sinds september 2020 geen contact met de vader. Deelname door de ouders aan het Nieuw Ouderschapstraject bij [instantie] heeft hierin geen verandering kunnen brengen. Zonder nadere hulpverlening is hervatting van de zorgregeling niet mogelijk. Dit volgt uit de conclusie van [instantie] , zoals hiervoor weergegeven, en ook de ouders zijn het daarover eens.

Gezien de mogelijke loyaliteitsproblematiek waarmee [minderjarige] kampt, de ex-partnerproblematiek die tussen de ouders speelt en het feit dat het eerdere hulpverleningstraject niet tot (een begin van) contactherstel heeft kunnen leiden, zal het hof

de ouders verwijzen naar de module BOR niveau 3 van de [stichting]. De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling met deze vervolgstap ingestemd.

Naast het komen tot contactherstel tussen [minderjarige] en de vader (door middel van begeleide omgangscontacten), dient door de [stichting] ook aandacht te worden besteed aan de individuele begeleiding van [minderjarige] en de communicatie tussen de ouders, zoals uit het advies van [instantie] naar voren komt.

Het hof gaat er van uit dat de ouders in het belang van [minderjarige] hun volledige medewerking aan deze verwijzing zullen verlenen.

Het gezag

9.7.

De ouders zijn bij de bestreden beschikking van 22 mei 2019 gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] , waarbij de rechtbank heeft overwogen dat de moeder instemt met het raadsadvies en de ouders het eens zijn over het door de vader verzochte gezamenlijk gezag.

De moeder is in incidenteel hoger beroep teruggekomen op voornoemde instemming.

De vader heeft daartegen in zijn verweerschrift in incidenteel hoger beroep onder andere aangevoerd, dat de moeder heeft ingestemd met de wijziging van het gezag en dat zij, indien zij daarvan wijziging wil, een wijzigingsverzoek bij de rechtbank moet indienen en geen hoger beroep kan instellen.

9.8.

Het hof overweegt als volgt.

De wettelijke regeling van het ouderlijk gezag is gericht op rechtsgevolgen die niet ter vrije bepaling van de ouders staan. Dit betekent dat het hof niet zonder meer de in eerste aanleg geuite mening van de ouders kan volgen maar het verzoek tot wijziging van het gezag in hoger beroep dient te toetsen aan het hier van toepassing zijnde artikel 1:253c BW. De moeder zal daarom in haar verzoek in incidenteel hoger beroep ter zake het gezag worden ontvangen.

9.9.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat sinds het raadsrapport van 18 januari 2019 en de bestreden beschikking van 22 mei 2019 de ouders meerdermalen niet overeenstemming hebben kunnen bereiken over te nemen gezagsbeslissingen ten behoeve van [minderjarige] , waaronder de aanvraag van een identiteitsbewijs en het (over en weer) verlenen van toestemming voor vakantie(s) van [minderjarige] . Er is sprake van onderlinge strijd tussen de ouders en de communicatie tussen hen verloopt zeer moeizaam.

Gelet hierop is het nodig dat aanvullend onderzoek komt en ziet het hof aanleiding om een nader raadsonderzoek te bepalen, zoals hierna uiteengezet.

Raadsonderzoek

9.10.

Het hof acht zich op grond van de beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om thans tot een eindbeslissing ten aanzien van het gezag en de zorgregeling te komen. Daarom zal het hof – zoals ter zitting door de raad geadviseerd – de behandeling van de zaak nogmaals aanhouden en de raad verzoeken om – aanvullend op het raadsrapport van 18 januari 2019 – nader onderzoek in te stellen naar en, op basis van de actuele stand van zaken, te adviseren en te rapporteren over de volgende vragen:

- In hoeverre komt een wijziging in het gezag tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?

- Welke zorgregeling komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?

- Op welke wijze dient aan het contact tussen [minderjarige] en de vader vorm gegeven te worden en met welke mogelijkheden en belemmeringen van zowel de ouders als [minderjarige] dient daarbij rekening worden gehouden?

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling kenbaar gemaakt dat hij dit onderzoek zal uitbreiden naar een beschermingsonderzoek, omdat mogelijk sprake is van een ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . Tevens zal de raad in het kader van dat onderzoek beoordelen of regie van een gezinsvoogd nodig is om het BOR-traject niveau 3 tot stand te brengen.

9.11.

Het hof houdt de verdere behandeling van onderhavige zaak aan tot 1 februari 2022 pro forma, teneinde de resultaten van het nader onderzoek en advies van de raad af te wachten.

De advocaten van de vader en de moeder worden vervolgens door het hof in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van de raad. Het hof verzoekt de advocaten van de ouders om bij die reactie het hof tevens te informeren over de stand van zaken van het BOR3-traject, niveau 3, waarnaar de ouders thans worden verwezen.

Zo nodig bepaalt het hof een nieuwe mondelinge behandeling.

9.12.

Op grond van het voorgaande houdt het hof iedere verdere beslissing aan.

10 De beslissing

Het hof:

verwijst de moeder en de vader naar de module Begeleide Omgangsregeling (BOR) niveau 3 van de [stichting];

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verzoekt de raad een onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 9.10. is overwogen;

verzoekt de raad voor de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van de vader en de moeder;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 1 februari 2022.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en P.M.M. Mostermans en is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2021 door mr. E.A.M. Scheij in tegenwoordigheid van de griffier.