Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:3052

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-10-2021
Datum publicatie
12-10-2021
Zaaknummer
200.290.115_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.290.115/01

zaaknummer rechtbank : C/02/365270 / FA RK 19-5785

beschikking van de meervoudige kamer van 7 oktober 2021

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.P.D. van Grondelle te Heemstede,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. W.E. de Wit-de Witte te Goes.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de hierboven genoemde beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) Rechtbank van 13 november 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 5 februari 2021 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking van 13 november 2020.

2.2.

De vrouw heeft op 17 maart 2021 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 2 oktober 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 19 mei 2021 met bijlagen, ingekomen op 19 mei 2021.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 31 mei 2021 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.5.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man spreekaantekeningen overgelegd (met schrapping van de punten 5 en 6).

2.6.

Met toestemming van het hof zijn verder ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 8 juni 2012, met als bijlage de brief van de advocaat van de vrouw aan het hof d.d. 8 juni 2021 met de producties 13,14 en 15, ingekomen op 9 juni 2021;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 15 juni 2021, met als bijlage de brief van de advocaat van de man aan het hof d.d. 15 juni 2021, ingekomen op 15 juni 2021.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Het op 24 mei 1995 te Parijs gesloten huwelijk van partijen is op 22 juni 2016 ontbonden door echtscheiding.

3.3.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 26 november 2014 is een voorlopige bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) bepaald met ingang van 1 oktober 2014 van € 1.489,- per maand en met ingang van 1 januari 2015 van € 1.806,- per maand. Deze voorlopige partneralimentatie is bij beschikking voorlopige voorzieningen 23 december 2015 met ingang van 1 december 2015 gewijzigd naar

€ 77,- per maand.

3.4.

Bij de echtscheidingsbeschikking van 2 maart 2016 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de partneralimentatie met ingang van de dag inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (22 juni 2016) tot 1 mei 2016 bepaald op € 75,- per maand.

3.5.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, met wijziging van de beschikking van 2 maart 2016, de partneralimentatie met ingang van 1 november 2019 bepaald op € 2.300,- bruto per maand en met ingang van 1 januari 2020 op € 2.000,- per maand.

4.2.1.

De grieven van de man zien op de behoefte van de vrouw, op haar behoeftigheid en op de wijze waarop de aanvullende behoefte van de vrouw is berekend.

4.2.2.

De man heeft verzocht bij beschikking, zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en zo nodig onder verbetering van gronden:

in de hoofdzaak:

de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog het inleidend verzoek van de vrouw strekkende tot vaststelling van partneralimentatie met ingang van 1 november 2019 af te wijzen, althans daarop te beslissen met inachtneming van het door de man gevoerde verweer, met veroordeling van de vrouw tot terugbetaling van te veel door haar ontvangen alimentatie aan de man binnen 14 dagen na afgifte van de ten deze te wijzen beschikking;

in het incident ex artikel 843 a Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):

te bepalen dat de vrouw aan het hof en de man inzage verstrekt in na te noemen bescheiden:

* de verklaring van erfrecht op 21 november 2019 verleden voor mr [notaris] , notaris te [kantoorplaats] ,

* de notariële boedelbeschrijving en vaststelling van de erfdelen;

* documenten die informatie verschaffen over de wijze waarop de verkoopopbrengst van de woning te [plaats 1] is uitgekeerd aan de erfgenamen;

* andere informatie waaruit de omvang van het erfdeel van de vrouw en op basis daarvan door haar (te) ontvangen gelden kan worden vastgesteld.

4.3.

De vrouw heeft verzocht:

in de hoofdzaak:

gelet op het gevoerde verweer op de grieven apart en in onderlinge samenhang bezien,

de bestreden beschikking van de rechtbank van 13 november 2020 te bekrachtigen en

het hoger beroep van de man op alle punten af te wijzen.

in het incident ex artikel 843a Rv:

de vrouw heeft relevante bewijsstukken aangaande de nalatenschap van haar vader overgelegd en zij acht zich niet gehouden om de door de man verzochte stukken alle aan te leveren. De man heeft geen rechtmatig belang bij alle door hem verzochte bewijsstukken nu de

aanspraken van de vrouw genoegzaam blijken uit de door haar overgelegde bewijsstukken

Ook dit verzoek van de man dient te worden afgewezen

5 De motivering van de beslissing

Wijziging van omstandigheden

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden die ertoe leidt dat de partneralimentatie opnieuw moet worden beoordeeld.

Ingangsdatum

5.2.

Tussen partijen is evenmin in geschil dat de eventuele partneralimentatie dient in te gaan op 1 november 2019.

Behoefte van de vrouw

5.3.1.

De man heeft het navolgende gesteld. De rechtbank heeft ten onrechte op het onderdeel woonlasten bij de vrouw geen correctie toegepast op de hofnorm en de behoefte van de vrouw (geïndexeerd in 2019) aldus ten onrechte gesteld op € 2.358,- per maand. In de echtscheidingsprocedure heeft de man al gesteld dat de behoefte van de vrouw weliswaar conform de hofnorm kon worden berekend, maar dat de toekomstige woonlasten van de vrouw aanleiding zouden kunnen vormen tot aanpassing van haar behoefte; woonlasten drukken een groot stempel op de omvang van de behoefte. Om pragmatische redenen heeft de man destijds niet aangestuurd op een gedetailleerde specificatie van de uitgaven van de vrouw. Tot

1 november 2019 (de datum van de verkoop van de echtelijke woning) heeft de man de hypotheekrente volledig gedragen. Na verkoop van de echtelijke woning woont de vrouw in een woning die eigendom is van haar zwager; de man betwijfelt of de vrouw huur betaalt. De vrouw heeft haar verplichting op grond van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geschonden door over haar nieuwe woonsituatie geen informatie te verschaffen.

Wijziging van de woonlasten behoort te worden meegewogen in geval van een herberekening van de partneralimentatie, ongeacht de eerder toegepaste methodiek tot vaststelling van de behoefte. De behoefte van de vrouw dient volgens de man als volgt te worden berekend:

(netto besteedbaar inkomen ten tijde van het huwelijk ad € 3.760,- per maand minus de bruto woonlast destijds ad € 1.300,- per maand) x 60% = behoefte van € 1.476,- netto per maand (2016); geïndexeerd naar 2019 ad € 1.560,- netto per maand, te vermeerderen met de werkelijke woonlast van de vrouw.

5.3.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken. Zij heeft, kort samengevat, het volgende aangevoerd. De behoefte wordt bepaald hetzij aan de hand van een lastenoverzicht, hetzij aan de hand van de hofnorm. Een mix van de twee berekeningsmethoden is niet mogelijk. Daarbij heeft de man destijds ingestemd met de berekening van de behoefte op basis van de hofnorm en daar kan thans niet meer op worden teruggekomen. Overigens was de vrouw bereid de huidige huurovereenkomst tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank over te leggen en zij doet dat thans in hoger beroep (productie 1), met bewijzen van de huurbetaling (productie 2). De huidige huurlast is € 503,- per maand. De woonlast tijdens het huwelijk, welke de man in aftrek brengt op het gezinsinkomen, moet netto worden gemaakt en die bedroeg aldus € 650,- per maand; dat is een vergelijkbaar bedrag met de huidige woonlast van de vrouw. De behoefte van de vrouw bedraagt, geïndexeerd in 2019, € 2.385,- netto per maand zoals de rechtbank heeft bepaald.

5.3.3.

Het hof overweegt het navolgende.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof na eigen onderzoek en afweging overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat wijziging in de woonlasten van de vrouw in deze niet kan leiden tot wijziging van een aan de hand van de hofnorm berekende behoefte van de vrouw. Overigens heeft de vrouw in hoger beroep haar huidige woonlast voldoende aannemelijk gemaakt. Het hof gaat uit van een behoefte van de vrouw van

€ 2.385,- netto per maand (niveau 2019).

Behoeftigheid en aanvullende behoefte

5.4.1.

De man heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vrouw zich tot het verkrijgen van eigen inkomsten voldoende heeft ingespannen en niet in staat is volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De man heeft het volgende gesteld.

Pas op 28 december 2015, toen de partneralimentatie bij wege van voorlopige voorzieningen werd verlaagd naar € 77,- per maand, heeft de vrouw zich als werkzoekende laten inschrijven, terwijl partijen al in september 2012 feitelijk uiteen zijn gegaan. De vrouw heeft slechts vijf sollicitaties overgelegd. De vrouw werkt slechts 24 uur bij werkgever [BV 1] in de schoonmaakbranche. Niet is gebleken dat zij bij [BV 1] , dan wel elders, niet meer uren kan werken; er zijn voldoende vacatures in de schoonmaakbranche. Van de vrouw mag worden verwacht dat zijn ten minste een inkomen genereert gelijk aan het wettelijk minimumloon, dat in 2021 € 20.218,- bruto per jaar bedraagt. Bij de brief van de advocaat van de man aan het hof heeft de man gesteld dat de vrouw thans werkzaamheden in loondienst verricht bij recreatie/vakantieparken in Zeeland en dat het redelijk is om uit te gaan van een 36-urige werkweek. Verder is de vader van de vrouw op 27 juni 2019 overleden. Het is de man bekend dat de woning van de ouders van de vrouw in september 2020 is verkocht voor

€ 590.000,-. Mogelijk dat de opbrengst van de woning tussen de erfgenamen is of wordt verdeeld; de man berekent het aandeel voor de vrouw op € 49.000,-. De vrouw heeft aldus vermogen waaruit zij inkomen genereert en waarop zij voorts kan interen. Dat de vrouw over middelen beschikt, blijkt uit het feit dat zij in één keer € 20.000,- heeft kunnen aflossen op de restschuld na verkoop van de echtelijke woning. Ook kan de moeder van de vrouw jaarlijks belastingvrij schenken, waardoor de vrouw (ook) vermogen verwerft en inkomen uit vermogen kan genereren. De vrouw dient inzage te geven in de nalatenschap van haar vader en haar (beschikbare) aandeel daarin. Ten slotte schildert de vrouw en genereert zij inkomsten uit de verkoop van haar schilderijen.

5.4.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. Zij heeft het navolgende gesteld. Partijen hebben een langdurig huwelijk achter de rug waarin de man carrière heeft gemaakt en de vrouw de kinderen heeft verzorgd. Vanwege het werk van de man hebben partijen tijdens het huwelijk in het buitenland gewoond en zijn zij meermalen verhuisd. De vrouw is thans 55 jaar, zij heeft geen arbeidsverleden kunnen opbouwen, zij heeft een MBO diploma (Nimeto) schilderen en etaleren. De vrouw heeft er alles aan gedaan om werk te vinden. Het was moeilijk om snel een baan te vinden na de echtscheiding. Uiteindelijk heeft de vrouw werk gevonden in de schoonmaakbranche; zij heeft niet alle sollicitaties bewaard. In september 2017 is zij gaan werken bij [BV 2] BV. Op 4 juni 2019 is de vrouw in dienst getreden van [BV 1] BV voor 24 uur per week. Uitbreiding van uren was bij die werkgever niet mogelijk. Per 1 juni 2021 is de vrouw als teamleider ‘housekeeping’ in dienst getreden bij [BV 3] BV te [plaats 2] . Zij werkt drie dagen per week: in de zomer gemiddeld totaal 30 uur per week en in de winter gemiddeld totaal 24 uur per week. Een fulltime job zit er niet in.

De vrouw schildert slechts als hobby, thans op beperkte schaal; de vrouw heeft er beperkte en incidentele inkomsten uit.

Met betrekking tot de nalatenschap van haar vader is er sprake van een ouderlijke boedelverdeling. De vrouw heeft een niet opeisbare vordering op haar moeder van € 18.277,-. De vrouw heeft thans geen vermogen, noch inkomsten daaruit en ook is er geen sprake van schenkingen van de moeder aan de vrouw.

5.4.3.

Het hof overweegt het navolgende.

Ten aanzien van de nalatenschap van de vader.

De vrouw heeft in hoger beroep overgelegd de aangifte Erfbelasting d.d. 18 september 2020 (productie 14) en een e-mailbericht van [betrokkene] van [onderneming] d.d. 7 juni 2012 (productie 15). Uit dit e-mailbericht blijkt dat er wat de kinderen betreft geen daadwerkelijke verkrijging heeft plaatsgevonden, maar dat slechts een niet opeisbare vordering van de (hof: vier) kinderen op de moeder is ontstaan van € 18.727,- waarover een rente geldt van 6%. Het hof overweegt dat de vrouw in het kader van deze procedure voldoende informatie heeft gegeven over de gang van zaken omtrent de nalatenschap van haar vader. De inhoud van deze door de vrouw overgelegde producties vormt voor het hof geen aanleiding om rekening te houden met inkomen uit vermogen en evenmin, al zou de vrouw een deel van de nalatenschap ontvangen, met interen op vermogen.

Ten aanzien van het schilderen is in hoger beroep afdoende gebleken dat het een hobby van de vrouw betreft waaruit zij thans geen substantiële inkomsten genereert, zodat het hof geen rekening houdt met inkomsten uit schilderen.

Ten aanzien van het arbeidsinkomen van de vrouw.

Uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat tussen partijen voorlopige voorzieningen zijn gewezen ter zake de partneralimentatie, eerst bij beschikking van 26 november 2014 en later bij wijzigingsbeschikking van 23 december 2015; bij de echtscheidingsbeschikking van 2 maart 2016 is een definitieve partneralimentatie vastgesteld. Het hof is van oordeel dat de vrouw, gelet op voormeld tijdpad en mede gelet op haar leeftijd en gebrek aan arbeidsverleden, voldoende aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan door vanaf september 2017 te gaan werken in de schoonmaakbranche en voor de uren die zij heeft gerealiseerd. Voor de periode van 1 november 2019 tot 1 januari 2020 gaat het hof, evenals de rechtbank en zoals door de rechtbank is berekend, uit van een aanvullende behoefte van de vrouw van € 1.226,- netto per maand, dit is € 2.300,- bruto per maand en met ingang van 1 januari 2020 van een aanvullende behoefte van € 1.061,- netto per maand, dit is € 2.000,- bruto per maand. De berekeningen door de rechtbank hebben partijen niet weersproken.

Met ingang van 1 juni 2021 zijn de arbeidsomstandigheden van de vrouw gewijzigd. De vrouw is in dienst getreden van [BV 3] BV voor de duur van een jaar op basis van een nul-uren contract tegen een salaris van € 14,75 bruto per uur plus vakantiegeld. Desgevraagd heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij feitelijk in de zomermaanden 32 uur per week werkt en in de wintermaanden 24 uur per week. Het hof is van oordeel dat in redelijkheid met ingang van 1 juni 2021 aan de vrouw een verdiencapaciteit moet worden toegekend van 32 uur per week, dat wil zeggen, gelet op haar huidige functie, van 32 x € 14,74 bruto per week, te vermeerderen met vakantiegeld. Dat de vrouw dat aantal uren niet bij haar huidige werkgever, dan wel elders, zou kunnen werken, is niet, althans onvoldoende gebleken. Met ingang van 1 juni 2021 gaat het hof daarom uit van een verdiencapaciteit van de vrouw van € 26.508,- bruto per jaar, hetgeen tot een netto besteedbaar inkomen leidt van € 1.929,- per maand (bijlage 1). Gelet op de (geïndexeerde) behoefte van de vrouw van € 2.518,- netto per maand, heeft zij dan een aanvullende behoefte van

€ 589,- netto per maand, dat is € 1.152,- bruto per maand (bijlage 2).

5.4.

De draagkracht van de man tot het betalen van de nader vast te stellen partneralimentatie is tussen partijen niet in geschil.

5.5.

Het voorgaande leidt tot de navolgende door de man te betalen partneralimentatie:

- van 1 november 2019 tot 1 januari 2020 van € 2.300,- bruto per maand;

- van 1 januari 2020 tot 1 juni 2021 van € 2.000,- bruto per maand;

- met ingang van 1 juni 2021 van € 1.152,- per maand.

Terugbetaling

5.6.

Het hof is van oordeel dat, indien en voor zover de man vanaf 1 november 2019 op basis van de bestreden beschikking te veel partneralimentatie aan de vrouw heeft voldaan, de vrouw in redelijkheid het te veel betaalde aan de man dient terug te betalen aldus, dat de man het te veel betaalde mag verrekenen met de vanaf de datum van deze beschikking te betalen toekomstige termijnen en wel met een bedrag van ten hoogste € 500,- per maand.

5.7.

Zoals in rechtsoverweging 5.4.3. is overwogen heeft de vrouw naar het oordeel van het hof in het kader van deze procedure voldoende informatie verschaft over de gang van zaken omtrent de nalatenschap van haar vader, zodat het verzoek van de man ex artikel 843 a Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, wordt afgewezen.

Van de twee door het hof gemaakte berekeningen (bijlage 1 en 2) zijn gewaarmerkte exemplaren aan deze beschikking gehecht en deze maken daarvan deel uit.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 13 november 2020, voor zover het betreft de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud met ingang van 1 juni 2021,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 juni 2021 als uitkering tot haar levensonderhoud € 1.152,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man de op basis van de bestreden beschikking vanaf 1 juni 2021 te veel betaalde onderhoudsbijdrage voor de vrouw mag verrekenen met de toekomstige termijnen te rekenen van de datum van deze beschikking en met een bedrag van ten hoogste € 500,- per maand;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.A.R.M. van Leuven en

A.J.F. Manders en is op 7 oktober 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.