Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:3023

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-10-2021
Datum publicatie
15-10-2021
Zaaknummer
200.281.799_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:10888
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

is er voldoende grond voor een beëindiging met onmiddellijke ingang van het lidmaatschap van een radioloog met het MSB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2021-0392
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.281.799/01

arrest van 5 oktober 2021

in de zaak van

1 [appellant sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [Beheer] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellanten,

hierna aan te duiden als [appellanten] (in mannelijk enkelvoud),

advocaat: mr. J.A. Houben-Timmermans te Heerlen,

tegen

Coöperatief MSB Atrium-Orbis U.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als MSB,

advocaat: mr. K.D. Meersma te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 26 februari 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 4 december 2019, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellanten] als eisers en MSB als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/250850 / HA ZA 18-279)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de mondelinge behandeling, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de bij brief van 11 juni 2021 door [appellanten] toegezonden akte wijziging van eis en overlegging producties, die ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij akte in het geding zijn gebracht.

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

De feiten

3.1.

De rechtbank heeft in r.o. 2.1 t/m 2.35 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij voor haar beoordeling van belang achtte. Volgens de eerste grief is dit feitenoverzicht onjuist, althans onvolledig. Het hof zal hierna uitgebreid, maar niet uitputtend, de relevante feiten vermelden, die als enerzijds gesteld en anderzijds niet voldoende betwist vaststaan. Waar nodig zal het hof bij de beoordeling van de overige grieven meer feiten vermelden en bij de beoordeling betrekken.

a. [appellant sub 1] is radioloog. Hij werkt vanaf 2002 als medisch specialist in het ziekenhuis in [vestigingsplaats] , voorheen onderdeel van en bekend onder de naam Atrium Medisch Centrum Parkstad (hierna: Atrium). Via zijn praktijkvennootschap [Beheer] is hij lid van de maatschap radiologie.

Mitralis Diagnostisch Centrum B.V. (hierna: Mitralis) is in 2008 opgericht als een joint venture van destijds in [plaats] werkzame radiologen en Atrium.

De aandelen in Mitralis waren vanaf de oprichting in 2008 tot 5 oktober 2017 voor 80% in handen van het op 31 januari 2008 opgerichte Diagnostisch Centrum Parkstad B.V. (hierna: DCP). Enkele radiologen die (via hun praktijkvennootschappen) lid waren van de maatschap radiologie, hebben aandelen in de vennootschap DCP. Eén van die aandeelhouders in DCP is [Beheer] . De overige 20% van de aandelen in DCP was in handen van Mitralis Zuyderland Klinieken B.V. (hierna: ZBC), een 100% dochter van Stichting Zuyderland Medisch Centrum.

Mitralis bood, buiten de muren van het ziekenhuis, radiologie in de regio Heerlen aan ten behoeve van de eerste lijn. Zij werkte in opdracht van ZBC. ZBC is een toegelaten instelling als bedoeld in de WTZi en via haar kon Mitralis haar werkzaamheden declareren bij zorgverzekeraars.

Het [locatie] ziekenhuis wordt geëxploiteerd door de Stichting Zuyderland Medisch Centrum, tot 1 juli 2015 Stichting Atrium-Orbis Medisch Centrum geheten. Zuyderland (of hierna ook wel aangeduid als het ziekenhuis) is ontstaan uit een fusie per 1 januari 2015 tussen Atrium en het ziekenhuis in [plaats] , voorheen onderdeel van en bekend onder de naam Orbis Medisch Centrum.

MSB is een coöperatie waarin alle medisch specialisten werkzaam in en verbonden aan Zuyderland en hun praktijkvennootschappen verenigd zijn. MSB heeft met de Stichting Atrium-Orbis Medisch Centrum per 1 januari 2015 een samenwerkingsovereenkomst gesloten.

[appellant sub 1] oefende zijn praktijk tot 1 januari 2015 uit in maatschapsverband in [plaats] (hierna: de maatschap radiologie). Per die datum hebben de radiologen hun (ziekenhuis)praktijk ingebracht in MSB en is tussen MSB, als opdrachtgever, en [appellant sub 1] en zijn praktijkvennootschap, als opdrachtnemers, een Ledenovereenkomst, tevens houdende opdracht tot medisch specialistische zorgverlening, gesloten. Vanaf 1 januari 2015 zijn de leden van de maatschap radiologie tevens lid van de vakgroep radiologie [plaats] .

In januari 2015 heeft de Commissie Radiologie (ook “Cie Kampschoër”), die is ingesteld naar aanleiding van een gesprek tussen de maatschap radiologie en de Raad van Bestuur van Atrium, gerapporteerd dat sprake is van verstoorde relaties tussen de radiologen in de maatschap. De commissie heeft als oorzaak van deze problemen aangewezen de onevenredige verdeling van aandelen in DCP in de totale groep van radiologen in [plaats] .

Op 19 maart 2015 hebben het bestuur van MSB en de Raad van Bestuur van Zuyderland de vakgroep radiologie in [plaats] een aanwijzing gegeven om het plan van aanpak met betrekking tot de omgangsregels binnen de vakgroep uit te voeren. Tevens voorziet de aanwijzing in de aanstelling van een externe voorzitter voor de vakgroep.

Per 1 mei 2015 is [externe voorzitter 1] aangesteld als externe voorzitter. Hij heeft in augustus 2015 het voorzitterschap neergelegd omdat hij, als gevolg van de attitude van [appellant sub 1] , zijn opdracht niet tot een goed einde kon brengen.

MSB heeft op 7 september 2015 besloten om met onmiddellijke ingang de ledenovereenkomst met [appellanten] op te zeggen. Zij heeft daaraan feitelijk, voornamelijk, ten grondslag gelegd dat [appellanten] het plan van aanpak niet naleefde, het gebrek aan samenwerking binnen de vakgroep radiologie en “omstandigheden, welke van dien aard zijn dat redelijkerwijs van MSB niet kan worden verlangd de Ledenovereenkomst ongewijzigd in stand te houden”.

Zuyderland heeft daarnaast op 7 september 2015 een definitief besluit genomen inhoudende dat [appellanten] met ingang van 7 september 2015 de toegang tot alle locaties van het ziekenhuis wordt ontzegd. Zuyderland heeft zich daarbij beroepen op artikel 1 lid 11 en artikel 14 lid 1 van de Samenwerkingsovereenkomst.

[appellanten] heeft zich tegen deze besluiten verweerd en MSB en Zuyderland in rechte betrokken.

i. Eind 2015 is door Zuyderland besloten om de in Mitralis ingebrachte eerstelijns radiologische zorg binnen het ziekenhuis te halen. Bij brief van 22 december 2015 heeft Zuyderland de uitbestedingsovereenkomst met haar dochter, ZBC, met ingang van 1 januari 2017 opgezegd en ZBC heeft op haar beurt op 30 december 2015 per dezelfde datum de overeenkomst met Mitralis opgezegd, met als gevolg dat deze eindigde per 1 januari 2017.

Eind april 2016 is door Zuyderland en ZBC een eerste bod uitgebracht op de aandelen van DCP in Mitralis. Dat bod is toen niet geaccepteerd door de AvA van DCP, zijnde de praktijkvennootschappen van de radiologen.

Om te komen tot de vorming van één fusievakgroep hebben tot en met begin 2016 diverse besprekingen plaatsgevonden tussen de vakgroepen radiologie in [plaats] en [plaats] zonder dat deze resultaat hebben opgeleverd.

[externe voorzitter 2] is [externe voorzitter 1] als tweede externe voorzitter opgevolgd. Bij e-mail van 19 mei 2016 heeft hij de besturen van MSB en het ziekenhuis bericht dat hij zijn opdracht als beëindigd beschouwt. Hij heeft zorggedragen voor de versterking van de radiologen maatschap in [plaats] en het weer op de rails brengen van de radiologen maatschap in [plaats] . Zijn laatste opdracht, de fusie realiseren, is in die zin volbracht dat er, aldus [externe voorzitter 2] , een praktisch samenwerkingsverband bestond; zo was er een Dagelijks Bestuur. De financiële ineenvlechting was nog in afwachting van de afwikkeling in Mitralis. De heer Holt heeft MSB en het ziekenhuis in overweging gegeven om het verscherpt toezicht (de aanwijzing) op te heffen nu er een voortdurende verbetering was geweest in de maatschap in Heerlen en er meer en meer een constructieve houding richting het ziekenhuis was ontwikkeld.

MSB heeft daarop besloten om de aanwijzing toch te handhaven nu nog niet aan alle punten uit het plan van aanpak was voldaan.

Bij het vonnis van 28 september 2016 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellanten] met betrekking tot, met name, het opzeggingsbesluit van 7 september 2015 grotendeels toegewezen en MSB veroordeeld om haar verplichtingen jegens [appellanten] uit hoofde van de Ledenovereenkomst vanaf 7 september 2015 onverminderd na te komen, totdat er een rechtsgeldig einde is gekomen aan de Ledenovereenkomst. Zuyderland is krachtens dit vonnis gehouden om [appellanten] de toegang tot het ziekenhuis/de ziekenhuislocaties van Zuyderland te verlenen en [appellant sub 1] in staat te stellen om zijn werkzaamheden als radioloog en zijn praktijk van daaruit uit te oefenen, totdat er een rechtsgeldig einde is gekomen aan de Ledenovereenkomst.

MSB c.s. heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof heeft het vonnis bij arrest van 17 april 2018 bekrachtigd.

[appellant sub 1] heeft omstreeks 23 november 2016 zijn werkzaamheden als radioloog in het ziekenhuis in [plaats] weer opgepakt, eerst bij wijze van re-integratie, daarna fulltime.

Bij brief van 30 november 2016 berichten MSB en het ziekenhuis aan [raadsvrouw] van DCP, dat bij gebreke van overeenstemming over de overdracht van het Mitralis-belang van DCP aan Zuyderland, Zuyderland in samenwerking met het MSB vanaf 2017 de eerstelijns diagnostische zorg zelf ter hand zal nemen en niet langer zal uitbesteden aan Mitralis.

De activiteiten in Mitralis op het gebied van eerstelijns diagnostiek waren daarmee vanaf 1 januari 2017 concurrerend met die van het MSB en Zuyderland, aldus laatstgenoemden.

Bij brief van 1 december 2016 aan de aandeelhouders doen het ziekenhuis en ZBC een finaal bod op de aandelen in Mitralis. Bij acceptatie van het aanbod zal ZBC de eerstelijns radiologie (blijven) uitbesteden aan Mitralis, aldus het ziekenhuis.

In de periode juli 2016 tot januari 2017 is het besluit tot verkoop van de aandelen vier maal geagendeerd voor de algemene vergadering van aandeelhouders van DCP. [appellant sub 1] en de mede-aandeelhouders [mede-aandeelhouder 1] (hierna: [mede-aandeelhouder 1] ) en [mede-aandeelhouder 2] , althans hun praktijkvennootschappen, hebben steeds tegen de verkoop gestemd. De overige aandeelhouders hebben uiteindelijk voor de verkoop gestemd. Het besluit tot verkoop is genomen op de algemene vergadering van aandeelhouders van 4 januari 2017. [appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] waren op deze vergadering niet aanwezig.

[appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] hebben zich vervolgens op het standpunt gesteld dat er geen rechtsgeldig meerderheidsbesluit tot stand is gekomen. Zij zijn door (de praktijkvennootschappen van) de mede-aandeelhouders [mede-aandeelhouder 3 en radioloog] en [mede-aandeelhouder 4 en radioloog] op 27 januari 2017 aansprakelijk gesteld voor de waardevermindering van de aandelen in DCP en de terugloop van inkomsten uit DCP, die eventueel zouden kunnen optreden als gevolg van hun handelingen om de overdracht van de aandelen te vertragen en/of tegen te houden.

De praktijkvennootschappen van [appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] hebben DCP op

28 februari 2017 gedagvaard en hebben onder meer gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat sprake is van een non-existent besluit, althans van een nietig besluit. Zuyderland en ZBC hebben zich aan de zijde van DCP gevoegd, de overige aandeelhouders van DCP zijn tussengekomen.

De praktijkvennootschappen van [appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] hebben ook twee enquêteprocedures ingesteld bij de Ondernemingskamer betreffende de gang van zaken binnen DCP en Mitralis.

In februari 2017 is [externe voorzitter 3] als derde externe voorzitter van de vakgroep radiologie [vestigingsplaats] aangesteld.

Buiten aanwezigheid van [appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] - zij waren niet uitgenodigd - hebben de overige radiologen van de fusievakgroep in wording op 13 februari 2017 een vergadering gehouden teneinde het fusieproces nieuw leven in te blazen. In deze vergadering zijn de volgende aanvullende voorwaarden voor participatie van [appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] geformuleerd:

“4. Aanvullende voorwaarden voor participatie van [mede-aandeelhouder 2] , [mede-aandeelhouder 1] en [appellant sub 1] :

a. Verkoop Mitralis onder dezelfde voorwaarden zoals geaccepteerd door [mede-aandeelhouder 3 en radioloog] , [mede-aandeelhouder 4 en radioloog] en [radioloog ] .

b. Stop zetten van alle lopende rechtszaken t.a.v. (oud-)vakgroepleden rondom Mitralis

c. Verplichting geen nieuwe rechtszaken aan te spannen tegen vakgroepleden.”

Deze voorwaarden zijn aan [appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] toegezonden. Op 24 maart 2017 zijn deze door het dagelijks bestuur van de fusievakgroep in wording ( [externe voorzitter 3] , [naam 2] en [naam 3] ) met [appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] besproken. [appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] hebben in die bespreking gezegd niet in te stemmen met de alleen voor hen geldende aanvullende voorwaarden.

Op 13 april 2017 heeft wederom een fusiebespreking plaatsgevonden. In deze bespreking is door [appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] te kennen gegeven dat zij niet met de aanvullende voorwaarden akkoord gaan. Door hen wordt medegedeeld dat de rechtszaak uitsluitsel moet geven ongeacht de consequenties die daaruit voortvloeien.

Voorzitter [externe voorzitter 3] heeft kenbaar gemaakt dat het fusieproces doorgaat, maar dat [appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] niet actief zullen kunnen participeren in verschillende werkgroepen, terwijl door hen uitkomsten van overleg niet opnieuw bediscussieerd zullen kunnen worden. De hoop wordt uitgesproken dat [appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] zich op een later moment wel zullen aansluiten. [appellant sub 1] en [mede-aandeelhouder 1] hebben daarna de vergadering verlaten. [mede-aandeelhouder 2] was al eerder vertrokken omdat zij dienst had.

Bij brief van 18 mei 2017 kondigt [radioloog] , een radioloog uit de vakgroep [vestigingsplaats] , haar vertrek aan en verzoekt “gezien de uitzonderlijke situatie waarin wij als groep zitten en ook gezien het effect dit op mij persoonlijk heeft” haar opzegtermijn te verkorten naar drie maanden en haar niet meer te betrekken “bij alles wat met het gedoe/aandelen/ruzies te maken heeft”.

Op 19 juni 2017 schrijven [appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] aan de Raad van Bestuur van Zuyderland en het bestuur van MSB dat zij voor geen enkele fusiebespreking worden uitgenodigd en dringen zij aan op deelname aan het fusieproces.

In een reactie van 7 juli 2017 schrijven de beide besturen geen aanleiding te zien om “vanuit het oogpunt van kwaliteit en continuïteit van zorg” te interveniëren. Zij geven ook te kennen het “invoelbaar” te vinden dat gesprekken over vakgroepvorming ernstig belast worden door de door [appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] aanhangig gemaakte procedures. Aangegeven wordt dat er geen formele instrumenten zijn om in te grijpen inzake de fusievakgroep in wording.

Beide besturen constateren dat [appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] nog altijd worden betrokken bij de vakgroep radiologie ter zake van relevante operationele besluiten.

a. Bij de beoordeling ten behoeve van de hernieuwde erkenning van de opleiding radiologie van het Zuyderland te [vestigingsplaats] van 30 juni 2017 wordt door de Registratiecommissie geneeskundig specialisten opgemerkt dat een van de redenen voor het verlenen van een erkenning voor slechts een beperkte duur is, dat sprake is van een lopend zakelijk conflict waarbij leden van de vakgroep radiologie [vestigingsplaats] en de vakgroep medische beeldvorming [vestigingsplaats] partij zijn en dat afgewacht moet worden hoe dat conflict wordt opgelost en welke invloed dat conflict heeft op de vorming van een gezamenlijke opleidingsgroep, de fusie en het opleidingsklimaat.

Bij e-mail van 13 juli 2017 aan (het bestuur van) MSB heeft het dagelijks bestuur van de fusievakgroep in wording grote zorgen uitgesproken over de situatie binnen de vakgroep radiologie [vestigingsplaats] . Diezelfde dag vindt een overleg plaats tussen het dagelijks bestuur, MSB en Zuyderland.

Bij brief van 14 juli 2017 hebben MSB en het ziekenhuis [appellanten] wederom de toegang tot het ziekenhuis ontzegd en de Ledenovereenkomst met [appellanten] per direct opgezegd. Aan het slot van de brief (pagina 12) schrijft MSB c.s. dat zij een kort geding aanhangig zal maken teneinde opschorting van het vonnis van 28 september 2016 te vorderen en dat de gegeven opzegging en toegangsontzegging zal ingaan op het moment dat de voorzieningenrechter een begunstigende uitspraak heeft gewezen.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg heeft bij vonnis van 15 september 2017 het door MSB c.s. gevorderde afgewezen.

Op 1 augustus 2017 heeft MSB aan de individuele leden van de vakgroepen de aanwijzing opgelegd waarmee de fusievakgroep tot stand is gebracht. In een brief van die datum aan de leden van de vakgroep schrijft [de voorzitter van MSB] , voorzitter van MSB, namens het bestuur van MSB en het ziekenhuis dat naar hun mening vakgroepvorming een noodzakelijke stap is om de problemen in de vakgroep [vestigingsplaats] op te lossen en de bijdrage van de medische beeldvorming aan het zorgaanbod in huis te optimaliseren. Tegelijkertijd is ook duidelijk dat meer nodig is: herstel van onderling vertrouwen en goede verhoudingen en het eindigen van de reeks juridische procedures die zijn gestart door drie leden. Daarvoor is meer tijd nodig en de besturen zullen in de tussentijd het nodige doen om bij te dragen aan het goede functioneren van deze vakgroep, aldus [de voorzitter van MSB] .

De rechtbank Limburg heeft bij vonnis in incident ex artikel 223 Rv van 30 augustus 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:8661, de gevorderde voorlopige voorziening (strekkende tot een verbod op het uitvoeren van handelingen ter voorbereiding en uitvoering van een verkoop en/of overdracht van de aandelen) afgewezen en de beslissing in de hoofdzaak aangehouden. Bij beschikking van 4 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1678, had de Ondernemingskamer de door [Beheer] gevorderde voorlopige voorzieningen reeds afgewezen.

Op 4 oktober 2017 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van DCP gestemd over de uitvoering van het besluit van 4 januari 2017. De rechtsgeldigheid van dit besluit is eveneens door de praktijkvennootschappen van [appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] in de procedure voor de rechtbank Limburg betrokken. Op 5 oktober 2017 zijn de aandelen die DCP in Mitralis hield, verkocht en geleverd aan Zuyderland (48%) en ZBC (32%).

Bij aangetekende brief van 25 oktober 2017 stelt MSB [appellanten] in kennis van het besluit van het bestuur van MSB tot opzegging van de Ledenovereenkomst en daarmee het lidmaatschap met [appellant sub 1] en met [Beheer] . Er wordt ditmaal evenwel een opzegtermijn van zes maanden in acht genomen, zodat de Ledenovereenkomst eindigt op 25 april 2018. Dit besluit berust op de grondslag dat [appellanten] het concurrentiebeding en het geheimhoudingsbeding heeft geschonden.

[appellanten] heeft ook deze opzegging in rechte aangevochten. Bij vonnis van 24 april 2019 heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 14 juli 2017 tot opzegging is achterhaald door het besluit van 25 oktober 2017. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen.

[appellanten] heeft hoger beroep aangetekend tegen deze uitspraak. Deze procedure is, na gehouden pleidooi, doorgehaald.

De enquêteprocedures zijn medio december 2017 door de praktijkvennootschappen van [appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] ingetrokken naar aanleiding van de overdracht van het belang van DCP in Mitralis.

(De praktijkvennootschappen van) [appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] hebben op

16 januari 2018 (de praktijkvennootschappen van) onder meer de nog werkzame radiologen [radioloog ] , [mede-aandeelhouder 3 en radioloog] en [mede-aandeelhouder 4 en radioloog] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij hebben geleden als gevolg van het handelen van [mede-aandeelhouder 3 en radioloog] , als bestuurder van DCP, en als gevolg van de gedragingen van [radioloog ] , [mede-aandeelhouder 3 en radioloog] en [mede-aandeelhouder 4 en radioloog] als (indirecte) aandeelhouders van DCP. De schade, aldus de aansprakelijkstelling, bestaat onder meer uit het verschil tussen de huidige volgens [appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] veel te lage opbrengst van de verkoop van het belang in Mitralis en de opbrengst die behaald had kunnen worden.

[appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] hebben in de brief van 16 januari 2018 het bestuur van DCP ook gesommeerd om tijdens de algemene vergadering van DPC van 18 januari 2018 de definitieve documentatie te verstrekken met betrekking tot de verkoop van het belang in Mitralis.

Bij brief van 20 februari 2018 heeft MSB aan [appellanten] het voornemen tot opzegging van de ledenovereenkomst kenbaar gemaakt.

Bij brief aan MSB van 20 februari 2018 van achttien leden van de fusievakgroep (deze brief van de fusievakgroep was gevoegd bij de hiervoor genoemde brief van MSB van 20 februari 2018) schrijven deze leden onder andere dat de hele vakgroep door het geschil over Mitralis wordt gegijzeld en dat het vertrouwen in [mede-aandeelhouder 1] , [mede-aandeelhouder 2] en [appellant sub 1] volledig weg is, de situatie niet meer werkbaar is en dat zelfs een toekomst met deze drie binnen de vakgroep niet mogelijk wordt geacht.

Bij ongedateerde brief (volgens MSB van 20 februari 2018) van [voorzitter vakgroep medische beeldvorming] , voorzitter vakgroep medische beeldvorming, aan Hulsewé , voorzitter bestuur MSB Zuyderland, laat [voorzitter vakgroep medische beeldvorming] weten dat diverse vakgroepleden zowel uit de oude vakgroep [vestigingsplaats] , als uit de oude vakgroep [vestigingsplaats] , aangegeven hebben dat in alle opzichten naar hun idee er geen werkbare situatie meer is. Wil Zuyderland werken aan een goed functionerende opleiding vakgroep medische beeldvorming, dan zullen er naar zijn mening definitieve stappen gezet moeten worden. Helaas lijkt me hierbij een afscheid nemen van de drie collegae onontkoombaar, aldus [voorzitter vakgroep medische beeldvorming] .

Bij brief van 7 maart 2018 heeft [appellant sub 1] zienswijzen ten aanzien van de voorgenomen opzegging kenbaar gemaakt.

Op 13 maart 2018 heeft vervolgens een zienswijzegesprek plaatsgevonden met [appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] en leden van het bestuur van MSB en de Raad van Bestuur van Zuyderland.

[appellant sub 1] heeft op 14 maart 2018 van MSB een verzoek om informatie over Rad-doc B.V. ontvangen. Bij brief van 17 maart 2018 laat de advocaat van [appellant sub 1] MSB weten dat het informatieverzoek wordt opgevat als een “fishing expedition” met als doel een additionele opzeggingsgrond te creëren en dat [appellant sub 1] geen informatieplicht ter zake heeft.

Op 26 maart 2018 heeft vervolgens weer een zienswijzegesprek plaatsgevonden. [appellant sub 1] was daarbij niet aanwezig, maar zijn advocaat wel. In het (op schrift gestelde) openingswoord van de advocaten van [appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] en hun praktijkvennootschappen is gesteld dat de betreffende zes (rechts)personen niet bekend zijn met de door MSB gestelde verklaringen van vakgenoten waaruit zou zijn gebleken dat Rad-Doc B.V. is opgericht en ingezet om in 2017 te voorzien in radiologen bij Mitralis (zijnde de basis voor de gestelde schending van het concurrentiebeding) en dat MSB voor dit verstrekkend verwijt geen enkele concrete onderbouwing heeft gegeven.

[voorzitter vakgroep medische beeldvorming] , de fusievakgroepvoorzitter, schrijft op 30 maart 2018, onder verwijzing naar zijn vorige brief, en mede namens de 18 leden van de vakgroep dat zij geen meerwaarde zien in een zienswijzegesprek over het besluit tot opzegging met [appellant sub 1] bij brief van 25 oktober 2017 en niets toe te voegen hebben aan hetgeen zij destijds naar voren hebben gebracht.

Bij brief van 12 april 2018 van MSB is [appellant sub 1] medegedeeld dat het bestuur van MSB heeft besloten tot opzegging met onmiddellijke ingang van de Ledenovereenkomst.

De procedure bij de rechtbank

3.2.1.

In de onderhavige procedure heeft [appellanten] in eerste aanleg een aantal vorderingen ingediend, waaronder de vordering dat MSB wordt veroordeeld om [appellant sub 1] weer in staat te stellen zijn werk als radioloog uit te oefenen.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft hij, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat MSB geen goede grond heeft gehad om tot onmiddellijke opzegging over te gaan, laat staan dat zij deze grond onverwijld heeft medegedeeld. Aan de voorwaarden van artikel 5.4 van de Ledenovereenkomst is, aldus [appellanten] , niet voldaan.

3.2.3.

MSB heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

Na een gehouden comparitie na antwoord heeft de rechtbank in het eindvonnis van 4 december 2019 de vorderingen van [appellanten] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank heeft geoordeeld dat de onmiddellijke opzegging door MSB niet in strijd is met de ledenovereenkomst en dat MSB niet in haar verplichtingen jegens [appellanten] is tekortgeschoten. Vervolgens heeft de rechtbank de subsidiaire vordering, kort gezegd, voor het geval het besluit tot opzegging in stand blijk, MSB te veroordelen tot vergoeding van de door [appellant sub 1] geleden schade, wegens gebrek aan een deugdelijke feitelijke en juridische grondslag afgewezen.

De vorderingen in hoger beroep

3.3.

[appellanten] heeft in hoger beroep 14 grieven aangevoerd. [appellanten] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen, die hij in de memorie van grieven op enige punten had gewijzigd. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [appellanten] deze vorderingen verminderd. MSB heeft tegen deze eiswijzigingen geen bezwaar gemaakt en ook het hof ziet ambtshalve geen reden waarom deze wijzingen wegens strijd met de goede procesorde niet toelaatbaar zouden zijn. Hierna wordt daarom uitgegaan van de gewijzigde vorderingen. De nu voorliggende vorderingen zijn:

primair:

a. te verklaren voor recht dat het besluit van MSB d.d. 12 april 2018 strekkende tot beëindiging van de ledenovereenkomst door MSB met [appellanten] niet op goede gronden is genomen, althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en dat MSB schadeplichtig is jegens [appellanten] ;

b. MSB te veroordelen aan [appellanten] te vergoeden de schade die zij hebben geleden, lijden en nog zullen lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

c. MSB te veroordelen om binnen acht dagen na betekening van het te wijzen arrest tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellanten] te betalen een schadevergoeding van

€ 149.790,- wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn ex artikel 5.4 van de Ledenovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf deze wijziging van eis;

d. MSB te veroordelen om binnen acht dagen na betekening van het te wijzen arrest tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellanten] te betalen een vergoeding van € 288.820,- ex artikel 6 van de Ledenovereenkomst, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente;

subsidiair:

voor het geval het hof van mening mocht zijn dat het besluit van 12 april 2018 op goede gronden is gedaan, MSB te veroordelen, om

a. aan [appellanten] de schade te vergoeden, welke vergoeding gelijk is aan de schade die [appellant sub 1] en [Beheer] lijden tot aan de pensioengerechtigde leeftijd van [appellant sub 1] , minus de contant gemaakte vergoeding wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn, welke schade becijferd wordt door een door het hof te benoemen deskundige, althans een door het hof naar billijkheid vast te stellen bedrag;

b. binnen acht dagen na betekening van het te wijzen arrest tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellanten] te betalen een schadevergoeding van € 149.790,- wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf deze wijziging van eis;

c. binnen acht dagen na betekening van het te wijzen arrest tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellanten] te betalen een vergoeding van € 288.820,- ex artikel 6 van de ledenovereenkomst, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente

primair en subsidiair:

a. MSB te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen ter uitvoering van het bestreden vonnis is betaald, vermeerderd met de wettelijke rente;

b. met veroordeling van MSB in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over de beide posten.

De grieven

3.4.

Grief I is hiervoor in r.o. 3.1. al besproken en behoeft geen nadere beoordeling.

3.5.

Grief II richt zich tegen de overwegingen van de rechtbank die betrekking hebben op de tekst van artikel 5 aanhef en onder e van de Ledenovereenkomst en de uitleg daarvan. Grief III betreft de inhoudelijke toetsing van deze grond door de rechtbank en grief IV ziet op de overwegingen van de rechtbank over de rol van MSB. Grief V richt zich op de vraag of de aangevoerde gronden cumulatief gelden en grief VI betreft de vraag of aan de voorwaarden voor de onmiddellijke opzegging is voldaan. In grief VII betoogt [appellanten] dat aan het bepaalde in artikel 5 aanhef en onder g niet is voldaan. De overige grieven hebben geen zelfstandige betekenis.

3.6.

Het hof zal eerst de relevante bepalingen uit de Ledenovereenkomst weergeven, de door MSB gegeven toelichting in het opzeggingsbesluit en het wettelijk kader. Vervolgens zal het hof in chronologische volgorde de opzeggingsgronden beoordelen.

De relevante bepalingen van de Ledenovereenkomst

3.7.

De Ledenovereenkomst, tevens houdende opdracht tot medisch specialistische zorgverlening tussen MSB en [appellanten] , houdt per 1 januari 2015 in, voor zover van belang:

4. Aanvang en duur

Deze Ledenovereenkomst treedt in werking op 1 januari 2015 en wordt aangegaan voor onbepaalde tijd tussen MSB en het Lid en mede ondertekend door de Medisch Specialist in verband met de verplichtingen die voor hem uit deze Ledenovereenkomst voortvloeien.

5 Opzegging

5.1.

Het MSB kan de Ledenovereenkomst door opzegging beëindigen:

a. indien het Lid en/of de Medisch Specialist ondanks waarschuwing ernstig in verzuim blijft in de nakoming van deze Ledenovereenkomst en/of de Samenwerkingsovereenkomst;

(…)

d. indien het Lid en/of de Medisch Specialist aanwijzingen ter zake van de Opdracht als bedoeld in artikel 7:402 BW vanuit het MSB en/of de Opdrachtgever niet in acht neemt;

e. indien door gebrek aan samenwerking van de Medisch specialist binnen de onderneming van de Opdrachtgever, het MSB en/of de Vakgroep verdere uitvoering van de Opdracht door het Lid bij het MSB redelijkerwijs van het MSB niet kan worden gevergd;

(…)

g. indien het Lid en/of de Medisch Specialist de verplichtingen als bedoeld in artikel 14.3 of artikel 15 van deze Ledenovereenkomst niet in acht neemt;

(…)

j. Op grond van (overige) omstandigheden, welke van dien aard zijn dat redelijkerwijs van het MSB niet kan worden verlangd de Ledenovereenkomst met het Lid ongewijzigd in stand te houden.

(…)

5.4.

De opzegging als bedoeld in dit artikel zal bij aangetekend schrijven moeten geschieden met vermelding van de gronden waarop zij berust. Bij deze opzegging zal een termijn van zes maanden in acht worden genomen, tenzij een dringende de andere partij onverwijld mede te delen reden de onmiddellijke beëindiging van de Ledenovereenkomst rechtvaardigt.

(…)”

6 Overdraagbaarheid Opdracht

6.1

Het Lid heeft in geval van beëindiging van de Ledenovereenkomst het recht om de in de Ledenovereenkomst belichaamde Opdracht over te dragen aan een ander Lid, dan wel het MSB, zulks op voorwaarden en tegen de vergoeding als omschreven in het Reglement Overdracht en Waardebepaling.

6.2

Het recht op overdracht als bedoeld in lid 1 van dit artikel geldt niet indien:

1. de Ledenovereenkomst wordt beëindigd op grond van artikel 5.1 sub g (…) of (…)

14 Nevenactiviteiten en concurrentiebeding

(…)

14.3

Het Lid en de Medisch Specialist onthouden zich, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van het MSB en met inachtneming van eventuele reeds verstrekte goedkeuringen voor ten tijde van het ondertekenen van de Ledenovereenkomst bestaande participaties, van directe en indirecte participaties in een zorgaanbod binnen of buiten de onderneming van het MSB of een Opdrachtgever dat concurreert met het zorgaanbod van het MSB of een Opdrachtgever. (…)

15 Geheimhouding en openbaarmaking

15.1

Het Lid en de Medisch Specialist verplichten zich geen informatie betreffende het MSB en/of de door het MSB gedreven onderneming waarvan zij weten of redelijkerwijs kunnen vermoeden dat deze geheim of vertrouwelijk is dan wel informatie waarvan zij kunnen verwachten dat de verspreiding daarvan de Leden en/of het MSB schade kunnen berokkenen, aan derden te verstrekken, tenzij zij daartoe bij of krachtens de wet dan wel van toepassing zijnde voorschriften gehouden zijn.

(…)

Het te beoordelen besluit

3.8.

MSB heeft met een beroep op de in het aangehaalde artikel 5 genoemde e, j en g-grond bij brief van 12 april 2018 de Ledenovereenkomst met [appellanten] en het lidmaatschap met onmiddellijke ingang opgezegd. Zij geeft in deze brief de volgende toelichting:

“Op basis van het voorgaande kan er wat ons betreft geen twijfel over bestaan dat er geen “goede verhouding in collegialiteit en teamgeest” in de vakgroep is en dat de verhoudingen duurzaam ontwricht zijn. Achttien collega’s hebben het vertrouwen in u opgezegd om redenen die het MSB begrijpelijk vindt. De voortdurende geschillen over Mitralis en uw houding bij - en na de vakgroepvorming maken dat uw collega’s niet meer met u willen samenwerken. Er is een langdurig samenwerkingsprobleem dat tenminste teruggaat tot 2014 en dat in elk geval mede door uw optreden is veroorzaakt. Ondanks vele pogingen daartoe, blijkt dat niet opgelost te kunnen worden. Daarbij is in 2017 en 2018 een verdere escalatie van conflicten opgetreden waarvan het einde niet in zicht komt. Die conflicten hebben in het verleden er al toe geleid dat collega’s vertrokken, en het DB van de vakgroep schat in dat de conflicten wederom tot discontinuïteit bij collega’s gaan leiden. Terzake van die escalatie legt het MSB de schuld eenzijdig bij u. U bent procedures gestart met het oog op het frustreren van de uitvoering van een meerderheidsbesluit. Daarbij heeft u met de recente aansprakelijkstelling laten zien dat de strijd wat u betreft doorgaat. Die situatie kan niet langer voortduren en vereist nu ingrijpen door het MSB.

Het MSB ziet geen basis meer voor een goed functionerende vakgroep medische beeldvorming zolang u daarvan onderdeel uitmaakt. De Raad van Bestuur van Zuyderland onderschrijft dat en acht, met het MSB, ingrijpen noodzakelijk met het oog op de kwaliteit, veiligheid en continuïteit van patiëntenzorg. Deze omstandigheden leiden ertoe dat het MSB besluit de Ledenovereenkomst met u op te zeggen.

Gebrek aan vertrouwen bestaat tussen u en uw collega’s, maar ook tussen u en het MSB. Uw weigering om u uit te laten over uw betrokkenheid bij Rad-doc BV maakt dat het MSB geen vertrouwen heeft in uw inzet en loyaliteit richting het MSB bij de uitvoering van de opdracht. Het MSB heeft goede grond te vrezen dat u zich laat leiden door andere belangen zonder daarover openheid van zaken te willen geven en wil zichzelf en zijn opdrachtgever daar niet meer aan blootstellen.

Het MSB zegt de overeenkomst met onmiddellijke ingang op. Naar het oordeel van het MSB levert het belang van kwaliteit, veiligheid en continuïteit van de patiëntenzorg dringende redenen op om zulks te doen.

De communicatie- en samenwerkingsproblemen in de vakgroep medische beeldvorming worden zodanig ernstig bevonden dat dit tot onaanvaardbare risico’s voor de patiëntveiligheid en de kwaliteit van zorg leidt, waarmee de wettelijk vereiste “goede zorg” in gevaar komt. Een totaal verziekt werkklimaat maakt dat ook goede dokters fouten gaan maken die zij anders niet maken. Dat is ook ruimschoots erkend in de rechtspraak van het Scheidsgerecht voor de Gezondheidszorg. Met deze ingreep wil het MSB dat voorkomen.

Naar aanleiding van de gesprekken met het vakgroepbestuur en de leden en na ontvangst van de brieven van de vakgroep en het vakgroepbestuur, heeft het MSB vastgesteld dat er sprake was van een onhoudbare situatie in de vakgroep die ertoe zou kunnen leiden dat uw collega’s als gevolg van de onderlinge spanningen zouden uitvallen. Daarmee is ook de continuïteit van zorg in gevaar. Dat vormde mede aanleiding om u te verzoeken uw werk neer te leggen hangende de besluitvorming.

Daarbij spelen eenvoudige menselijke overwegingen. Het MSB is in gesprekken geconfronteerd met emoties en diepliggende frustraties bij uw collega’s die op de werkvloer in een ziekenhuis niet thuis horen. De emmer bij uw achttien collega’s is helemaal vol, en het MSB wil nu per ommegaande normalisering. Een breuk in de continuïteit van de zorg wil het MSB voorkomen. Het MSB realiseert zich dat deze opzegging geen einde maakt aan de juridische procedures en u wellicht ertoe zet die met volle kracht voort te zetten en weer nieuwe te starten. Ook dat zal uw collega’s belasten, maar in ieder geval is het conflict dan buiten de ziekenhuismuren gebracht en trekt het geen wissel meer op de dagelijkse werkzaamheden en de sfeer op de werkvloer.

Uw belang bij inachtneming van de contractuele opzegtermijn van zes maanden legt het af tegen het belang van het MSB om tot een goed functionerende vakgroep te komen waar kwaliteit, veiligheid en continuïteit niet langer op het spel gezet worden met uw gedrag, de juridische procedures en aansprakelijkstellingen. Dat laatste rechtvaardigt een opzegging met onmiddellijke ingang.”

Wettelijk kader

3.9.1.

De wet noemt als grond voor opzegging door de vereniging de gevallen in de statuten genoemd, de omstandigheid dat het lid heeft opgehouden aan de statutaire vereisten van het lidmaatschap te voldoen en de omstandigheid dat redelijkerwijs van de vereniging niet kan worden gevergd het lidmaatschap te laten voortduren (art. 2:35 lid 2 BW). Deze bepaling is krachtens artikel 2:53a BW ook van toepassing op de coöperatie.

3.9.2.

MSB is, ingevolge artikel 3 van haar statuten, een coöperatie met als doel het behartigen van de (financiële) belangen van haar Leden. Zij tracht, aldus lid 3 van artikel 3, dit doel te bereiken door het ten behoeve van haar Leden bewaken en het verhogen van het peil van de kwaliteit en de doelmatigheid van het medisch handelen van haar Leden, onder meer door het stimuleren van intercollegiale samenwerking, het bevorderen van de goede samenwerking tussen de Leden en andere bij patiëntenzorg betrokkenen. In artikel 5 van de statuten zijn de Ledenovereenkomsten beschreven en in artikel 7 is opgenomen dat opzegging van de Ledenovereenkomst de opzegging van het lidmaatschap omvat. Opzegging van het lidmaatschap door MSB kan met onmiddellijke ingang plaatsvinden indien de Ledenovereenkomst is geëindigd.

3.9.3.

MSB heeft de Ledenovereenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd en zich daarbij gebaseerd op artikel 5 van de Ledenovereenkomst.

De inhoudelijke toets

Het besluit

3.10.

Het hof beoordeelt of MSB in alle redelijkheid tot de opzegging had kunnen overgaan. De vraag ligt voor of van MSB redelijkerwijs niet langer gevergd kon worden om [appellant sub 1] als radioloog nog binnen de onderneming van het ziekenhuis, van MSB zelf of de vakgroep te laten werken. De daarvoor aangevoerde gronden dienen zwaarwegend te zijn, mede gelet op het feit dat [appellant sub 1] als gevolg van de opzegging van de ene op de andere dag zijn fulltime werkzaamheden moest neerleggen en geen inkomen meer uit zijn werk in het ziekenhuis kon genereren. [appellant sub 1] was weliswaar geen werknemer maar als zelfstandig ondernemer wel geheel afhankelijk van zijn werk in het ziekenhuis. Hij was gedurende de looptijd van de Ledenovereenkomst gebonden aan het hiervoor gememoreerde concurrentiebeding.

3.11.

MSB maakt melding van een duurzame ontwrichting in de verhoudingen en het opzeggen van het vertrouwen in [appellant sub 1] door 18 collega’s. MSB legt de schuld van de escalaties in de conflicten eenzijdig bij [appellant sub 1] : hij is de procedures gestart en nu blijkt uit de aansprakelijkstelling dat hij de strijd nog steeds niet heeft opgegeven.

Het geschil

3.12.

Dat er een strijd gaande is tussen de radiologen, in concreto tussen [appellant sub 1] , [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] aan de ene kant en [radioloog ] , [mede-aandeelhouder 3 en radioloog] en [mede-aandeelhouder 4 en radioloog] aan de andere kant, staat tussen partijen vast. Partijen, in hun hoedanigheid van (indirect) aandeelhouders in DCP, hebben een conflict over de rechtsgeldigheid van het besluit tot verkoop van de aandelen in Mitralis aan Zuyderland en ZBC, waarbij de waarde van de verkochte aandelen centraal staat. Er was tussen de radiologen al vele jaren onenigheid over de verdeling van de gelden binnen Mitralis; dit heeft de commissie Kampschoër begin 2015 al geconstateerd, dus voordat er sprake was van verkoop van de aandelen. Zuyderland en haar dochter ZBC hebben besloten om de aandelen in Mitralis van DCP te kopen. Dit zou (als bijvangst, zo stelt MSB) een einde kunnen maken aan voormelde onenigheid en zou de fusiebesprekingen ten goede komen. Deze consequentie heeft het besluit niet gehad. Eerder het tegenovergestelde is het geval.

3.13.

[Beheer] heeft, samen met de praktijkvennootschappen van [mede-aandeelhouder 1] en [mede-aandeelhouder 2] , de rechtsgeldigheid van het AVA-besluit tot verkoop in rechte aangevochten. De procedure hebben zij jegens DCP, verkoper van de aandelen, aanhangig gemaakt. Zuyderland en ZBC hebben zich aan de zijde van DCP gevoegd en 5 aandeelhouders, waaronder de praktijkvennootschappen van [radioloog ] , [mede-aandeelhouder 3 en radioloog] en [mede-aandeelhouder 4 en radioloog] zijn tussengekomen.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellanten] het recht om dit geschil aan de rechter voor te leggen. Dit recht kan hem niet worden ontzegd. Evenzo hebben de andere aandeelhouders het recht om zich tegen de vorderingen van [appellanten] te verweren. Het staat buiten kijf dat een oplossing van het geschil de samenwerking tussen de 6 betrokken radiologen ten goede zou komen, maar kennelijk zijn zij niet in staat om ter oplossing van dit - zakelijk - geschil een minnelijke regeling te treffen.

Het staat evenzeer buiten kijf dat het blijven voortduren van het geschil de samenwerking tussen hen niet bevordert. Anderzijds kan het opkomen voor zijn rechten in zijn hoedanigheid van aandeelhouder in DCP er niet zonder meer toe leiden dat [appellanten] in een geheel andere contractuele verhouding, namelijk in die van Lid versus MSB, zich enkel als gevolg daarvan zodanig verwijtbaar opstelt dat een opzegging van dit Lidmaatschap moet volgen. Daarvoor is meer nodig.

3.14.

MSB wijst erop dat 18 collega’s in een brief aan haar het vertrouwen in [appellant sub 1] hebben opgezegd. Voor het hof is van belang op grond waarvan dit is gebeurd. [appellant sub 1] betoogt dat hij een zakelijk geschil heeft met een aantal van zijn mede-aandeelhouders in DCP, maar dat dit geen omstandigheid is die een onwerkbare situatie binnen de vakgroep of MSB heeft gecreëerd.

Buitenstaanders, zoals de commissie Kampschoër maar ook de Registratiecommissie geneeskundige specialisten, spreken in neutrale termen over het bestaan van dit conflict en wijzen daarvoor geen schuldige aan. Ook de medio 2017 vertrekkende collega radioloog [radioloog] wijst geen schuldige aan, maar spreekt over alles wat met de aandelen en de ruzies te maken heeft.

Tussen partijen is niet in discussie dat [appellant sub 1] zijn werk als radioloog steeds naar behoren heeft vervuld. [appellant sub 1] wijst erop dat op de werkvloer samenwerken met [radioloog ] , [mede-aandeelhouder 3 en radioloog] en [mede-aandeelhouder 4 en radioloog] zelden voorkomt. [appellant sub 1] heeft als radioloog hoofdzakelijk solistisch werk, bestaande uit het beoordelen van beeldmateriaal. Voorts betwist hij dat hij besluiten die te maken hebben met de organisatie en de fusie zou tegenwerken. Hij onderbouwt dit met een verwijzing naar de door hem overgelegde notulen van de vier laatste vakgroep-vergaderingen die in de periode september 2017 tot medio januari 2018 hebben plaatsgevonden. Dat de kwaliteit, veiligheid en continuïteit van de patiëntenzorg in gevaar zouden komen, betwist hij ten stelligste.

De betrokkenheid van de vakgroep

3.15.

[appellant sub 1] heeft als gevolg van een onterechte opzegging op 7 september 2015 feitelijk ruim één jaar lang geen deel kunnen uitmaken van de vakgroep. Eind november 2016 is hij weer gaan re-integreren, waarbij het hem niet gemakkelijk werd gemaakt. Hij werd niet toegelaten tot de vakgroep-vergadering van februari 2017. Wilde hij daaraan deelnemen, dan zou hij alle lopende rechtszaken moeten stopzetten.

Naar het oordeel van het hof vindt hier een verstrengeling van belangen plaats. In beginsel is het in het belang van de vakgroep dat alle radiologen aan vakgroep-vergaderingen deelnemen. Het voortzetten of het stopzetten van lopende rechtszaken en de uitkomst daarvan behoren niet tot de belangen van de vakgroep. Dit dient eerst en vooral de belangen van de mede-aandeelhouders in DCP (de verkopers), het ziekenhuis en ZBC, als koper van de aandelen in Mitralis van DCP. Uit voormelde opstelling van de vakgroep blijkt dat de vakgroepleden niet alleen worden betrokken bij het conflict, maar zich ook daarover een oordeel hebben gevormd en de handelwijze van [appellanten] afkeuren.

3.16.

In juni 2017 heeft [appellant sub 1] bij de besturen van zowel het ziekenhuis als MSB erop aangedrongen dat hij alsnog zou mogen deelnemen aan het fusieproces. De beide besturen antwoordden dat zij het stellen van de voorwaarden niet onbegrijpelijk vinden. Vanuit het oogpunt van kwaliteit en continuïteit van zorg is er geen aanleiding voor interventie, aldus de besturen.

Naar het oordeel van het hof had het op de weg gelegen van MSB om op dat moment in te grijpen: het is immers ook in haar belang dat alle radiologen met elkaar samenwerken en deelnemen aan het fusieproces. Het hof verwijst naar het hiervoor aangehaalde artikel 3 lid 3 van haar statuten. Nu MSB dit niet heeft gedaan, heeft zij de belangenverstrengeling toegestaan en feitelijk ten overstaan van de gehele vakgroep het gedrag van [appellanten] afgekeurd.

De Mitralis-periode van januari 2017 tot juni 2017

3.17.

Begin 2017 was [appellant sub 1] bestuurder van Mitralis. ZBC, dochter van het ziekenhuis, had het samenwerkingscontract met Mitralis opgezegd tegen 1 januari 2017. Zij had de eerstelijns radiologie vanaf 2017 exclusief aan het ziekenhuis uitbesteed en had voor de financiering van deze behandelingen ook exclusieve contracten met CZ gesloten. Dit betekende voor Mitralis dat zij geen mogelijkheden meer had om haar activiteiten, de eerstelijns radiologie, bij de ziektekostenverzekeraars te declareren.

3.18.

Bij brief van 1 december 2016 schrijft het bestuur van het ziekenhuis aan de aandeelhouders van DCP dat zij een finaal bod op de aandelen doet. Zij meldt daarin dat in de onderhandelingen partijen het o.a. eens waren over het feit dat bij de overname van de aandelen de radiologen (aangesloten bij MSB) bij Mitralis konden blijven werken. Voorts wordt aangegeven dat, na overname van de aandelen, ZBC de eerstelijns radiologie zal uitbesteden aan Mitralis. Naar [appellant sub 1] stelt, worden de aandeelhouders van Mitralis op deze wijze onder druk gezet om het aanbod van het ziekenhuis en ZBC te accepteren.

Hoewel de meerderheid van de aandeelhouders op 4 januari 2017 het bod heeft geaccepteerd en aldus een rechtsgeldige koop is gesloten, kon Mitralis haar werkzaamheden op dat moment nog niet bij ZBC declareren. [appellant sub 1] moest op zoek naar een andere opdrachtgever, een WTZi-instelling, en vond die in SDL. SDL kon geen contract sluiten met CZ - CZ had exclusieve contracten gesloten met ZBC - zodat het werk maar voor 75% kon worden vergoed. Dit was reden voor SDL om een klacht bij de NZa in te dienen.

3.19.

Eind mei 2017 is [appellant sub 1] ontslagen als bestuurder van Mitralis, waarna Mitralis vrijwel direct (zie brief van 8 juni 2017) weer via ZBC haar werkzaamheden kon declareren en er geen belemmering meer was voor de radiologen van de vakgroep om weer voor Mitralis te werken. De opvolger van [appellant sub 1] als bestuurder bij Mitralis, [opvolger als bestuurder van appellant] (tevens bestuurder van ZBC), heeft vervolgens geregeld dat alle verrichtingen van Mitralis vanaf 1 januari 2017 met terugwerkende kracht alsnog aanvullend (en dus voor 100%) bij CZ gedeclareerd konden worden.

De opzeggingen van 14 juli 2017 en 25 oktober 2017

3.20.

MSB heeft bij brief van 14 juli 2017 de Ledenovereenkomst met [appellanten] opgezegd, dit met onmiddellijke ingang en op grond van artikel 5.1 aanhef en onder e, g en j van de Ledenovereenkomst. Dit besluit is achterhaald door de opzeggingsbrief van 25 oktober 2017 waarin MSB het lidmaatschap tegen 25 april 2017 heeft opgezegd, nu alleen op de g-grond. MSB verwijt [appellant sub 1] in deze brief dat hij de verplichtingen genoemd in artikel 14.3 van de Ledenovereenkomst niet in acht heeft genomen. Zo heeft hij als radioloog werkzaamheden verricht in Mitralis terwijl hij wist dat dit een schending opleverde van het concurrentiebeding. Vanaf 1 januari 2017 waren de activiteiten van Mitralis op het gebied van de eerstelijns radiologie concurrerend met die van het ziekenhuis en MSB.

Daarnaast verwijt zij hem dat hij als bestuurder van Mitralis (samen met SDL) de NZa heeft verzocht handhavend op te treden jegens CZ welk verzoek, indien toegewezen, schade zou hebben veroorzaakt bij het MSB (en Zuyderland). [appellant sub 1] heeft in deze procedure bij de NZa informatie verstrekt die niet openbaar was en aldus gehandeld in strijd met zijn geheimhoudingsverplichting. Zo is de NZa onder meer gemeld dat de (spoed)zorg niet beschikbaar zou zijn, de huisartsen de mammografie in [plaats] niet konden inplannen omdat het systeem niet werkte en Zuyderland in de zomer van 2016 niet kon voldoen aan de NVVR-norm. In gesprekken met MSB heeft [appellant sub 1] volgens MSB gelogen over zijn werkzaamheden als radioloog ten behoeve van Mitralis en over zijn betrokkenheid bij de NZa-procedure.

3.21.

[appellanten] heeft verweer gevoerd tegen deze opzegging. Het verwijt dat hij concurrerend zou hebben gehandeld, heeft hij als volgt weerlegd. ZBC, als mede-aandeelhouder, had hem aangewezen als bestuurder van Mitralis en hem expliciet de opdracht gegeven om als een goed huisvader de onderneming te leiden. Omdat het bestuur van Mitralis diende te bestaan uit ten minste één senior-radioloog heeft [appellant sub 1] de bestuurstaken naar beste weten uitgevoerd. [appellant sub 1] heeft erkend voor Mitralis nieuwe radiologen te hebben aangetrokken, die niet aan MSB en Zuyderland verbonden waren. Het bedrijf moest immers draaiende worden gehouden toen de radiologen van Zuyderland niet meer voor Mitralis mochten of wilden werken. [appellant sub 1] heeft voorts erkend dat hij als radioloog zo’n 3300 verslagen voor Mitralis heeft gemaakt. Het ging om het wegwerken van achterstanden. [appellant sub 1] was als directeur én senior-radioloog verantwoordelijk voor de kwaliteit en output van Mitralis. Hij controleerde en hielp de nieuwe radiologen, omdat nog geen 20% van de radiologen is gespecialiseerd in mammografie, terwijl het aanbod daarvan in april en mei 2017 zeer groot was. De doorlooptijd bij Mitralis bleef mede door de inzet van [appellant sub 1] als bestuurder en radioloog minder dan 24 uur.

Met betrekking tot de NZa-procedure heeft [appellant sub 1] aangegeven dat Mitralis gedwongen werd om op zoek te gaan naar een samenwerking met een WTZi-instelling en deze te hebben gevonden in SDL. Deze heeft het verzoek om handhaving bij de NZa geïnitieerd. [appellant sub 1] was daar niet persoonlijk bij betrokken, zo stelt [appellant sub 1] . De aan de NZa verstrekte gegevens zijn niet geheim en bovendien zijn deze niet aan derden kenbaar gemaakt, zo stelt [appellanten] Tot slot betwist [appellant sub 1] dat hij zou hebben gelogen.

De beoordeling van de opzegging van 25 oktober 2017

3.22.

Naar het oordeel van het hof moet de handelwijze van [appellant sub 1] , die hij volledig verrichtte in hoedanigheid van bestuurder van Mitralis, worden beoordeeld in het licht van de aankoop van de aandelen in Mitralis door het ziekenhuis en ZBC. Het hof verwijst in het bijzonder naar de hiervoor aangehaalde brief van 1 december 2016 en de handelwijze van MSB en het ziekenhuis, direct na het ontslag van [appellant sub 1] als bestuurder van Mitralis. Tussen partijen staat vast dat Mitralis voor 1 januari 2017 geen concurrerende positie innam ten opzichte van het ziekenhuis. Hoewel dit op papier vanaf die datum wijzigde - gelet op de beslissing van het ziekenhuis om de eerstelijns radiologie zelf te gaan uitvoeren en de opzegging van de samenwerking met Mitralis door ZBC - blijkt achteraf dat van enige wijziging geen sprake was. Vrijwel direct na het ontslag van [appellant sub 1] als bestuurder van Mitralis en zonder dat de situatie zich voor het overige wijzigde - zo was de levering van de aandelen nog niet geëffectueerd - , mochten de radiologen van het ziekenhuis weer voor Mitralis werken, was er voor hen geen sprake meer van overtreding van enig concurrentiebeding en werden de verrichtingen van Mitralis met terugwerkende kracht wel weer voor 100% gedeclareerd bij CZ. MSB heeft hiervoor geen verklaring gegeven, zodat het ervoor moet worden gehouden dat enkel het bestuurderschap van [appellant sub 1] reden was om Mitralis tegen te werken in die zin dat de radiologen van de vakgroep er hun werk vanaf 2017 niet mochten voortzetten en Mitralis niet, via ZBC, bij CZ mocht declareren.

3.23.

Onder deze omstandigheden waren er voor MSB naar het oordeel van het hof geen redenen aanwezig om de Ledenovereenkomst met [appellanten] op de g-grond op te zeggen. Van enige concurrentie was feitelijk geen sprake, zo blijkt achteraf. Zuyderland en ZBC hadden de aandelen in Mitralis op 4 januari 2017 van DCP gekocht en, blijkens de brief van 1 december 2016, zou er dan (bij acceptatie van het aanbod) sprake zijn van een voortzetting van de oude situatie. Vrijwel direct na het ontslag van [appellant sub 1] is ook op deze wijze gehandeld.

Dat [appellant sub 1] in de NZa-procedure zijn geheimhoudingsplicht zou hebben geschonden, is, indien dit al bewezen zou worden, gegeven de context en de mate en ernst van de gestelde overtreding, onvoldoende zwaarwegend om tot een opzegging te kunnen overgaan. Dat geldt ook voor de gestelde leugenachtige verklaringen die [appellant sub 1] daarover mogelijk heeft afgelegd, voor zover deze gedragingen al onder de g-grond zouden kunnen worden geschaard.

De beoordeling van de opzegging van 12 april 2018

3.24.

Het hof komt vervolgens toe aan de beantwoording van de vraag waarom de gehele vakgroep zich tegen [appellanten] heeft gekeerd. Is het omdat [appellant sub 1] de werksfeer heeft verziekt of is het omdat zijn wederpartijen (de mede-aandeelhouders in DCP en het ziekenhuis) de vakgroep en MSB hebben meegenomen in hun standpunt ten aanzien van Mitralis, meer in het bijzonder inzake het verschil over de waarderingsgrondslag van de aandelen in Mitralis, en [appellant sub 1] geen reële mogelijkheden heeft gehad om daadwerkelijk onderdeel uit te maken van de fusievakgroep? Naar het oordeel van het hof is dit laatste het geval. Het hof verwijst naar de eerste opzegging van MSB die rechtens niet werd gehonoreerd, maar die er wel toe leidde dat [appellant sub 1] vanaf september 2015 tot eind november 2016 geen toegang had tot het ziekenhuis, dat de vakgroep besloot om [appellant sub 1] vervolgens niet (onvoorwaardelijk) toe te laten tot de vergaderingen, dat MSB hierop niet heeft ingegrepen. Daarna volgde een tweede opzegging die werd achterhaald door de derde met tussentijds de wijze waarop [appellant sub 1] Mitralis na 1 januari 2017 moest besturen en de verwijten die hem in die periode vervolgens zijn gemaakt. Tot slot volgde dan de aansprakelijkstelling die de directe aanleiding vormde voor MSB om het lidmaatschap met onmiddellijke ingang op te zeggen.

Daarmee zegt het hof niet dat dergelijke aansprakelijkstellingen de verhoudingen tussen de zes betrokken radiologen ongewijzigd laten - het is te begrijpen dat de spanningen bij de aansprakelijkgestelden hierdoor oplopen - maar de vraag is waarom dit de vakgroep als zodanig moet aangaan en waarom dan het vertrouwen in [appellant sub 1] door de vakgroepleden moet worden opgezegd.

Dat [appellanten] het geschil met de drie mede-aandeelhouders op de werkvloer heeft uitgevochten, is gesteld noch gebleken. Dat [appellant sub 1] fusiebeslissingen blokkeert of zich niet coöperatief opstelt, is evenmin gebleken. Integendeel, [appellanten] heeft er in zijn brief van 19 juni 2017 bij de besturen van MSB en het ziekenhuis op aangedrongen dat hij zou worden toegelaten tot deelname aan het fusieproces. [voorzitter vakgroep medische beeldvorming] noemt in zijn ongedateerde brief dat er geen sprake is van intercollegiaal overleg of dat er geen positieve houding is naar de rest, maar, zoals [appellant sub 1] onbetwist heeft gesteld, is hij daarop nooit aangesproken. Bovendien blijkt uit de notulen van de laatste vakgroepvergaderingen geenszins dat het intercollegiaal overleg verstoord werd.

Het hof concludeert dan ook dat niet is gebleken dat de schuld van de escalaties eenzijdig bij [appellanten] ligt. Er is sprake van een conflict dat voor alle betrokkenen spanningen oplevert. Als partijen dit conflict niet zelf kunnen oplossen, is het voor alle partijen, en met name voor MSB, van belang dat het conflict zoveel mogelijk buiten de werksfeer wordt gehouden en de betrokkenen daarop aan te spreken op het moment dat dit niet lukt. MSB schrijft echter in een brief van 7 juli 2017 dat zij en het bestuur van het ziekenhuis geen aanleiding zien om vanuit het oogpunt van kwaliteit en zorg te interveniëren en dat er geen formele instrumenten zijn om in te grijpen. In de brief van 1 augustus 2017 daarentegen geeft zij samen met het bestuur van het ziekenhuis aan dat herstel van het vertrouwen en goede verhoudingen nodig zijn, dat daarvoor meer tijd nodig is en dat de beide besturen in de tussentijd het nodige zullen doen om bij te dragen aan het goede functioneren van de vakgroep. [appellant sub 1] krijgt vanaf dat moment weer volwaardige toegang tot de fusievakgroep. MSB geeft op die datum, 1 augustus 2017, een aanwijzing om te komen tot één vakgroep en zij legt een vakgroepreglement op. Gesteld noch gebleken is dat [appellanten] dit reglement heeft overtreden.

3.25.

De aangevoerde grond voor de opzegging, de e-grond, houdt in dat een verdere uitvoering van de Opdracht (het verlenen van medisch specialistische zorg ten behoeve van MSB) door [appellanten] bij MSB redelijkerwijs van MSB niet kan worden gevergd als gevolg van een gebrek aan samenwerking door Lamers binnen de onderneming van, met name, het ziekenhuis, MSB en/of de vakgroep. Deze grond houdt in dat als gevolg van gedragingen van [appellanten] de leden van de vakgroep niet langer met elkaar kunnen samenwerken.

Het hof oordeelt dat niet, althans onvoldoende, is komen vast te staan dat aan [appellanten] een gebrek aan samenwerking kan worden verweten. Dat de spanningen bij de betrokken aandeelhouders zijn toegenomen door de aansprakelijkstelling maakt niet dat de situatie daardoor zodanig is gewijzigd dat van MSB niet kon worden gevergd om het lidmaatschap van [appellanten] te laten voortduren. De spanning die het - zakelijk - geschil met zich brengt, wordt door de aansprakelijkstelling niet beïnvloed in die zin dat de opzegging geen invloed daarop heeft. Vaststaat dat de drie radiologen die door de advocaat van [appellanten] aansprakelijk zijn gesteld, dit in de vakgroep hebben ingebracht en te kennen hebben gegeven dat verdere samenwerking met [appellant sub 1] niet langer mogelijk was. De aansprakelijkstellingen zijn een uitvloeisel van een langlopend geschil tussen aandeelhouders en onderbouwen niet het aan [appellant sub 1] verweten gebrek aan samenwerking. Dit is geen gedraging, die te maken heeft met de uitvoering van de Opdracht, die in strijd is met de aanwijzing of anderszins gerelateerd is aan het lidmaatschap. De gedraging heeft ertoe geleid dat de drie aangesproken radiologen niet verder willen of kunnen samenwerken met [appellant sub 1] . Dat als gevolg daarvan de vakgroep het vertrouwen in [appellanten] heeft opgezegd, is mede ontstaan doordat MSB niet eerder heeft ingegrepen in de wijze waarop de vakgroep is betrokken in het geschil. Het had op de weg van MSB gelegen om met alle betrokkenen overleg te voeren en te bekijken of in goed onderling overleg tot voortzetting of beëindiging van één of meer ledenovereenkomsten kon worden gekomen.

Het hof is evenmin gebleken dat door het versturen van een aansprakelijkstelling de patiëntenzorg in gevaar is gekomen. In de brief van 20 februari 2018 van de collega’s van [appellant sub 1] aan het MSB geven zij aan dat zij geen concrete voorbeelden van enige gevaarzetting kunnen aandragen. Het kan evenwel niet anders, aldus de collega’s, dat de stapeling van conflicten het functioneren van de meest direct betrokkenen raakt. MSB heeft dit in haar toelichting op het besluit in die zin opgenomen dat een totaal verziekt werkklimaat maakt dat ook goede dokters fouten gaan maken. Daarmee is naar het oordeel van het hof niet gezegd dat aan [appellant sub 1] gebrek aan samenwerking kan worden verweten en wel in die mate dat zijn lidmaatschap met onmiddellijke ingang kan worden opgezegd.

De e-grond biedt naar het oordeel van het hof dan ook geen basis om de Ledenovereenkomst met [appellanten] met onmiddellijke ingang op te zeggen. Dit geldt ook voor de aangevoerde g-grond. Het hof verwijst naar hetgeen hierover hiervoor (in r.o. 3.22 en 3.23) is overwogen.

3.26.

MSB heeft naast de e-grond en de g-grond ook de j-grond aan de opzegging ten grondslag gelegd. Daarbij verwijst zij met name naar het feit dat [appellant sub 1] geen antwoord heeft gegeven op vragen die zij heeft gesteld met betrekking tot Rad-doc BV. Zij heeft van vakgroepleden gehoord dat [appellant sub 1] bij Rad-doc BV betrokken is en heeft daar vragen over gesteld. Rad-doc is opgericht door een BV van [oprichter van Rad-doc] , bestuurder van SDL.

Het hof acht deze omstandigheid, opgeteld bij alle andere hiervoor aangehaalde omstandigheden, onvoldoende zwaarwegend om tot een opzegging met onmiddellijke ingang over te gaan.

Het bewijsaanbod

3.27.

Het hof passeert het door MSB onder nr 430 van de memorie van antwoord gedane bewijsaanbod nu dit voor het eerste deel onvoldoende specifiek is - niet gesteld is welke concrete gedragingen ten bewijze worden aangeboden - en voor het tweede deel niet ter zake dienend is.

De vorderingen

3.28.

Het vorenstaande betekent dat de grieven in zoverre slagen dat de primair gevorderde verklaring voor recht kan worden toegewezen, in die zin dat de opzegging niet op goede gronden is genomen. MSB wordt voorts veroordeeld tot betaling van de schade die [appellanten] als gevolg daarvan heeft geleden en nog lijdt, dit nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

De vordering om MSB te veroordelen tot betaling van de gevorderde schadevergoeding nu de opzegtermijn niet in acht is genomen, zal eveneens worden toegewezen; de hoogte van het gevorderde bedrag is door MSB niet betwist.

MSB heeft de gevorderde hoogte van de goodwillvergoeding betwist. Het door [appellanten] overgelegde Reglement overdracht en waardebepaling gaat uit van een uitgroeiregeling van 24 maanden, ingaande op het moment dat het Lid is uitgetreden, in dit geval dus met ingang van 12 april 2018. Voor de berekening van de hoogte zijn niet alleen de cijfers van 2018 maar ook die van 2019 en 2020 van belang. MSB heeft hiernaar verwezen in haar memorie van antwoord. Ten tijde van de indiening ervan waren de cijfers van 2020 nog niet beschikbaar en heeft MSB verzocht om zich nog te mogen uitlaten over dit bedrag. Het hof zal MSB hiertoe in de gelegenheid stellen, waarna [appellanten] hierop mogen reageren.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 2 november 2021 voor akte aan de zijde van MSB met de hiervoor in r.o. 3.28 vermelde doeleinden, waarna [appellanten] in de gelegenheid zal worden gesteld hierop bij antwoordakte te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.W. Vermeulen, J.M.H. Schoenmakers en J.M.W. Werker en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 oktober 2021.

griffier rolraadsheer