Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:3011

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-10-2021
Datum publicatie
07-10-2021
Zaaknummer
200.255.620_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:1163
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:3773
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht; huwelijksvermogensrecht; afwikkeling huwelijkse voorwaarden; niet nagekomen periodiek verrekenbeding; bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW; waarde van de aandelen in de bv; AB-claim tegen nominaal of contant tarief?; strekt de rekening-courantschuld van de man aan zijn bv in mindering op de waarde van de aandelen in de bv?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 141
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer 200.255.620/01

arrest van 5 oktober 2021

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A.J.G. Bisscheroux te Kerkrade,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. D.J.P.H. Stoelhorst te Roermond,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 7 mei 2019, 31 maart 2020 en 8 december 2020 in het hoger beroep van de door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/177881 / HA ZA 13-33 gewezen vonnissen van 19 augustus 2015, 17 augustus 2016, 15 november 2017, 6 juni 2018 en 19 september 2018 tussen appellant als gedaagde en geïntimeerde als eiseres.

11 De zaak in het kort

Partijen hebben een huwelijksvermogensrechtelijk geschil. Het gaat in het bijzonder over de periodieke verrekenplicht die is opgenomen in hun huwelijkse voorwaarden.

Volgens de vrouw is niet aan de periodieke verrekenplicht voldaan. Zij beroept zich daarom op het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW, wat als gevolg heeft dat in beginsel de waarde van het hele vermogen van partijen moet worden verrekend. De man denkt daar anders over. Volgens hem waren partijen het er tijdens het huwelijk over eens dat er niets te verrekenen viel. Hij betwist ook dat er tijdens het huwelijk te verrekenen inkomsten waren. Daartoe behoren volgens hem niet de winsten uit de maatschap en de bv. De man beroept zich in dit verband op de ‘tenzij-clausule’ en de weerlegging van het bewijsvermoeden.

Tussen partijen is voorts in geschil de waarde van de aandelen in de bv van de man. Ter discussie staat of uitgegaan moet worden van de waarde in het economisch verkeer of van de economische waarde; of bij de bepaling van die waarde rekening moet worden gehouden met de alimentatieverplichting van de man; of de AB-claim tegen het nominale of het contante tarief in aanmerking moet worden genomen en of de rekening-courant schuld van de man aan zijn bv op de (netto) waarde van de aandelen in mindering dient te worden gebracht.

12 Het verloop van de procedure

12.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 8 december 2020.

12.2.

De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 31 maart 2021.

De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Met de vrouw is een telefonische verbinding tot stand gebracht. De advocaat van de vrouw is in persoon verschenen.

De advocaat van de man heeft gepleit aan de hand van pleitnotities. Vanwege de voor hem beschikbare spreektijd heeft hij de tekst onder de nummers 70 t/m 81 en III van zijn pleitnota niet voorgelezen. Die delen van de pleitnota maken derhalve geen deel uit van het procesdossier.

12.3.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

13 De feiten

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

a. a) Partijen zijn op 28 augustus 1982 gehuwd na het opmaken van huwelijkse voorwaarden.

b) De huwelijkse voorwaarden van partijen houden onder meer het volgende in:

Artikel 1.

Tussen de echtgenoten zal geen vermogensrechtelijke gemeenschap bestaan.

Artikel 2.

De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, zowel de gewone als de buitengewone, derhalve met inbegrip van alle kosten van de geneeskundige behandeling en verpleging van de echtgenoten alsmede alle kosten van verzorging en opvoeding van de uit huwelijk geboren en eventueel door de echtgenoten geadopteerde kinderen, de kosten van aankoop van kleren, lijfstoebehoren en dergelijke, alsmede alle Rijks- en andere belastingen, zullen uit de inkomsten van de echtgenoten worden betaald, zonder dat dit tot enige onderlinge verrekening aanleiding zal geven.

Overtreffen die kosten en belastingen in enig jaar de gezamenlijke inkomsten, dan zal het meerdere uit de vermogens van de echtgenoten worden betaald, zo mogelijk door ieder van hen voor de helft.

Ook ter dezer zake zal nimmer enige verrekening plaats hebben.

Artikel 3.

Indien na verloop van een kalenderjaar blijkt, dat een gedeelte van de inkomsten der echtgenoten uit arbeid en/of goederen niet behoefde te worden aangewend ter bestrijding van de in artikel 2 bedoelde kosten en belastingen of voor voldoening van pensioenpremies, zal voor een en dertig december daarna het overgespaarde bedrag tussen de echtgenoten bij helfte worden verdeeld.

De echtgenoten zijn verplicht elkaar desverlangd volledige gegevens te verschaffen omtrent de genoten inkomsten en de daaruit betaalde kosten en belastingen.

(…)

Artikel 5.

Ingeval van ontbinding van het huwelijk tussen de komparanten tengevolge van een vonnis van echtscheiding en inschrijving van dit vonnis in de Registers van de Burgerlijke stand zal tussen partijen nimmer enige verrekening hoeven plaats te vinden in verband met eventuele toekomstige pensioenaanspraken van een of van beide partijen.’

c) Toen partijen in het huwelijk traden, was de man in loondienst. De vrouw genereerde geen inkomen. Beiden hadden geen aanvangsvermogen/bezit.

d) In maart 1989 hebben partijen op beider naam, ieder voor de onverdeelde helft, het pand gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) gekocht voor gemeenschappelijke bewoning. Partijen hebben hiertoe op beider naam een hypothecaire geldlening bij het Bouwfonds voor Limburgse Gemeenten (hierna: BLG) afgesloten. Ten behoeve van de aflossing daarvan werden tevens afgesloten:

i) een kapitaalverzekering bij verzekeraar Hoge Huys van 1891 N.V. op het leven van de man (een levensverzekering) met polisnummer [polisnummer 1] , met als verzekeringnemer en verzekerde de man;

ii) een overlijdensrisicoverzekering, met als verzekeringnemer de vrouw en als verzekerde de man.

Op de rechten van voornoemde polissen werd een recht van eerste (stil) pand gevestigd ten behoeve van BLG.

e) Per 1 januari 1992 is de man toegetreden tot de accountantsmaatschap [de maatschap] (hierna ook: de maatschap) te [plaats] en werd hij deelgerechtigd tot het vermogen van die maatschap en de door haar gerealiseerde winst (vs 19 aug. 2015, rov. 2.5). Ten behoeve van de inkoopsom die hij hiervoor moest betalen is op zijn naam een lening afgesloten van fl. 2.500.000,--.

Ter aflossing van die lening heeft hij een kapitaalverzekering bij AMEV N.V. (met polisnummer [polisnummer 2] ) afgesloten en een overlijdensrisicoverzekering (met polisnummer [polisnummer 3] ), (prod. 44 en 45 mvg).

f) Op 30 mei 1997 heeft de man de besloten vennootschap [de bv] B.V. (hierna ook: de bv) opgericht, waarvan hij directeur / grootaandeelhouder is. De man houdt alle aandelen in de bv (prod. 1, sub 4: boedelbeschrijving van de man). Zijn ‘aandeel’ in de maatschap heeft hij bij akte van die datum in de bv ingebracht (vs 19 aug. 2015, rov. 2.5).

g) Sinds 3 november 2000 wonen partijen feitelijk gescheiden.

h) De man heeft op 5 juni 2001 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Maastricht.

i. i) Bij beschikking van 4 juli 2002 is de echtscheiding uitgesproken.

j) De echtscheidingsbeschikking is op 6 november 2002 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

14 De omvang van het geschil

14.1.

De procedure voor de rechtbank

14.1.1.

De vrouw heeft de man op 14 januari 2013 gedagvaard. Zij heeft, voor zover thans van belang, gevorderd:

- vast te stellen dat zij jegens de man recht heeft op een nader door de rechtbank ten laste van de man vast te stellen verrekenvordering, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 5 juni 2001 tot de dag der algehele voldoening.

14.1.2.

De man heeft verweer gevoerd en gevorderd de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar eis, althans haar eis af te wijzen.

14.1.3.

Bij vonnis van 19 september 2018 heeft de rechtbank, voor zover van belang, uitvoerbaar bij voorraad het volgende beslist:

‘in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (verrekening)

3.10.

veroordeelt [de man] om aan [de vrouw] te betalen:

- € 2.500,00 ter zake het aandeel/certificaat [onderneming] , direct nadat [de vrouw] het certificaat aan [de man] heeft overhandigd,

- € 552,00 ter zake Postbank [nummer 1] ,

- € 237.277,00 ter zake AMEV levensverzekering (risicoverzekering Fortis ASR) [polisnummer 3] en AMEV levensverzekering (verzekering bij leven Fortis ASR) [polisnummer 2] ,

- € 39.378,82 ter zake AEGON Fundplan [nummer 2] ,

- € 61,50 ter zake ABN AMRO Meegroeiverzekering [nummer 3] ,

- € 8.500,00 ter zake Porsche 911 Turbo (kenteken [kenteken 1] ),

- € 3.750,00 ter zake BMW 328i (kenteken [kenteken 2] ),

- € 358.455,00 ter zake de waarde van de aandelen in [de bv] B.V. (waarde aandelen € 364.505,00 minus de helft voorschot kosten deskundige € 6.050,00),

- € 1.604,88 € 1.604,88 ter zake First National Bank te [vestigingsplaats] , Florida (USA) [nummer 4] ,

alle voornoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2001 tot aan de dag der algehele voldoening’.

De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd.

14.2.

De procedure in hoger beroep

14.2.1.

De man heeft 27 grieven aangevoerd. Deze gaan over:

  • -

    het periodiek verrekenbeding (grieven 1 en 2);

  • -

    de rekening-courantschuld (grief 3);

  • -

    de waarde van de aandelen in de B.V. (grieven 4 en 16 t/m 20);

  • -

    verrekening ex art. 6:136 BW (grief 5);

  • -

    de op de woning rustende hypothecaire geldlening (BLG nr. [nummer 5] ) en de daaraan gekoppelde polis en overlijdensverzekering (grieven 6 tot en met 8);

  • -

    de schenking van de ouders van de man (grief 9);

  • -

    het aandeel/certificaat [onderneming] (grief 10);

  • -

    Amev (ASR) polissen en groeiverzekering ABN Amro (grieven 11 en 13);

  • -

    Aegon Fundplan (grief 12);

  • -

    tussentijds hoger beroep en bindende eindbeslissingen (grieven 14, 15, 23 en 24);

  • -

    Porsche 911 turbo met kenteken [kenteken 3] (grief 21);

  • -

    First National Bank Florida (grief 22);

  • -

    Woning [adres] (grief 26).

De grieven 25 en 27 zijn zogenoemde veeggrieven die geen afzonderlijke bespreking behoeven.

De man vordert:

als voorlopige voorziening:

- te schorsen de beslissing waarbij hij werd veroordeeld tot betaling c.q. medewerking;

- de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen hij op grond van de bestreden beslissingen eventueel na die beslissing aan de vrouw heeft betaald en redressering van wijzigingen in de rechtstoestand van goederen, die de vrouw overigens op grond van die beslissingen heeft bewerkstelligd.

als definitieve voorziening:

de bestreden vonnissen te vernietigen en de vorderingen van de vrouw alsnog af te wijzen met veroordeling van de vrouw in de proceskosten van beide instanties.

14.2.2.

De vrouw heeft één grief aangevoerd. Deze gaat over de aanmerkelijk belang claim.

De vrouw vordert in het principaal appel de vorderingen van de man af te wijzen met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.

Zij vordert in het incidenteel appel de bestreden vonnissen te vernietigen voor zover het de aanmerkelijk belang claim betreft en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de aandelen in de bv een waarde hebben van € 808.378,64 (881.408 -/- 73.029,36) en haar aandeel daarin € 404.189,32 bedraagt, met veroordeling van de man in de proceskosten.

14.2.3.

De man vordert in het incidenteel appel de vrouw in het incidentele appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans het incidenteel appel af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in proceskosten.

15 De motivering van de beslissing

15.1.

Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken.

Is aan de periodieke verrekenplicht voldaan? (grief 1 van de man)

15.2.1.

De rechtbank heeft vooropgesteld ‘dat tussen partijen niet in geschil is dat zij tijdens hun huwelijk nimmer uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding zoals opgenomen in art. 3 van de huwelijkse voorwaarden, zodat art. 1:141 lid 3 BW van toepassing is’ (rov. 4.3. van het vonnis van 19 augustus 2015).

Hiertegen keert zich grief 1 van de man.

15.2.2.

De man betwist dat ‘niet aan een verrekenplicht is voldaan’ (mvg p. 25) . Hij voert daartoe, samengevat, het volgende aan.

De rechtbank heeft miskend dat het verrekenbeding aldus moet worden uitgelegd dat slechts verrekend moest worden wat van de verrekenbare inkomsten was overgebleven in de zin van een (contant) bedrag dat niet met wederzijds goedvinden van partijen was besteed of overgebleven. Volgens hem zijn partijen overeengekomen dat art. 3 van de huwelijkse voorwaarden aldus moet worden uitgelegd dat:

‘louter verdeeld zou worden wat aan het eind van het jaar van inkomsten (…) het (feitelijk) “overgespaarde bedrag” (i.d.z.v. het giraal of in contanten overgebleven geld en (nog) niet met beider instemming besteed) was.’ (memorie van grieven, p. 15).

Partijen zijn tijdens het huwelijk niet tot de jaarlijkse vaststelling van dit bedrag gekomen omdat er in hun ogen niets te verrekenen viel. Zij gingen er van uit dat hun inkomsten waren besteed of opgegaan aan de huishouding en andere uitgaven, waarover zij het met elkaar eens waren.

15.2.3.

De vrouw heeft verweer gevoerd.

15.2.4.

Het hof overweegt als volgt.

De vrouw heeft gesteld dat partijen niet jaarlijks tot verrekening van overgespaarde inkomsten zijn overgegaan. De man heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist. Iedere onderbouwing van zijn verweer dat partijen ervan uitgingen dat hun inkomsten waren besteed of zijn opgegaan aan de huishouding en andere uitgaven (en dat zij het daarover eens zouden zijn) ontbreekt. Cijfers die zijn verweer (dat het inkomen is opgegaan) zouden kunnen ondersteunen, heeft de man ook niet getoond. Nu voor het overige ook op geen enkele wijze blijkt dat partijen de periodieke verrekenverplichting zijn nagekomen, neemt het hof als vaststaand aan dat partijen geen uitvoering hebben gegeven aan het periodieke verrekenbeding. Grief 1 faalt in dit opzicht.

Behoren ondernemingswinsten tot de te verrekenen inkomsten? (vervolg grief 1 van de man)

15.2.5.

Grief 1 van de man keert zich ook tegen rov. 4.18. van het vonnis van 19 augustus 2015 waarin de rechtbank als volgt heeft overwogen:

‘De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [de man] op 5 juni 2001 (zijnde de peildatum voor het bepalen van de samenstelling en de omvang het te verrekenen vermogen) als DGA in dienst was van [de] B.V. en dat hij als zodanig inkomsten uit arbeid verwierf. Deze door [de man] verworven inkomsten behoren tot het te verrekenen vermogen voor zover het overgespaarde inkomsten betreffen. Gelet hierop passeert de rechtbank als niet relevant al hetgeen [de man] omtrent de uitleg van het begrip “inkomsten uit arbeid/of goederen” heeft gesteld.’

15.2.6.

De man stelt dat tot de verrekenbare inkomsten niet de door de maatschap en de bv gerealiseerde ondernemingswinsten behoren. De vrouw betwist dit.

15.2.7.

Het hof overweegt als volgt.

Voor het antwoord op de vraag of de door de maatschap en de bv gerealiseerde ondernemingswinsten tot de verrekenbare inkomsten behoren, is de uitleg van het inkomensbegrip in de huwelijkse voorwaarden van belang.

De artt. 1:132 BW t/m 1:143 BW bevatten geen bepaling aan de hand waarvan kan worden vastgesteld wat moet worden verstaan onder 'inkomsten' die voor verrekening in aanmerking komen. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever de omschrijving van hetgeen voor verrekening in aanmerking komt, bewust heeft overgelaten aan de (aanstaande) echtgenoten in samenspraak met de notaris die de akte van huwelijkse voorwaarden redigeert (vgl. HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8847, rov. 3.4.).

De uitleg van (een verrekenbeding in) huwelijkse voorwaarden dient volgens vaste rechtspraak te geschieden aan de hand van de in het Haviltex-arrest neergelegde maatstaf. Zie onder meer HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6085 en HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1564.

De Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158) luidt als volgt:

‘De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van pp. is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die pp. in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen pp. behoren en welke rechtskennis van zodanige pp. kan worden verwacht.’

Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427).

In de Haviltex-maatstaf ligt besloten dat de uitleg dient te geschieden aan de hand van de wils-vertrouwensleer, zoals neergelegd in de art. 3:33 en 3:35 BW. Het gaat er niet om te bepalen wat letterlijk in de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden is neergelegd maar om wat partijen over en weer uit elkaars verklaringen redelijkerwijze mochten afleiden (vgl. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:315).

Of de door de maatschap en de bv gerealiseerde ondernemingswinsten in de verrekening dienen te worden betrokken is derhalve in de eerste plaats een kwestie van uitleg van de desbetreffende bepalingen in de akte huwelijkse voorwaarden.

15.2.8.

Partijen hebben zich in art. 3 van de huwelijkse voorwaarden verplicht tot periodieke verrekening van het gedeelte van hun ‘inkomsten uit arbeid en/of goederen’ dat niet behoefde te worden aangewend ter bestrijding van de in art. 2 van de huwelijkse voorwaarden bedoelde kosten en belastingen of voor voldoening van pensioenpremies. Het begrip ‘inkomsten uit arbeid en/of goederen’ wordt in de huwelijkse voorwaarden niet nader omlijnd, in het bijzonder wordt het niet beperkt. De (ruime) formulering van het inkomstenbegrip is, anders dan de man bepleit, dan ook eerder een aanwijzing dat partijen hebben bedoeld ook inkomstenbronnen als ondernemingswinsten in de verrekening te betrekken.

Aan de tekst van de huwelijkse voorwaarden kan aldus niet worden ontleend dat, zoals de man bepleit, ‘de inkomsten uit eventueel door een van partijen gedreven onderneming(en) geen “inkomsten uit arbeid en/of goederen” in de zin van de […] huwelijkse voorwaarden zijn’. Indien partijen dit wel hadden beoogd, had het voor de hand gelegen dat de notaris dit als zodanig had geformuleerd. Waarom de notaris dat, ondanks de door de man gestelde bedoeling van partijen, niet heeft gedaan, heeft de man nagelaten toe te lichten. De man heeft bovendien nagelaten toe te lichten waarom partijen zouden hebben beoogd ondernemingswinsten uit te sluiten van het inkomensbegrip. Daar komt nog bij dat de man nalaat uit te leggen welk inkomen volgens hem op basis van de huwelijkse voorwaarden dan wel verrekend moet worden en waarom de vrouw bij de beperkte uitleg die hij voorstaat met lege handen, zonder enige verrekenaanspraak komt te staan.

Het hof is daarom van oordeel dat de huwelijkse voorwaarden de betekenis hebben, die de vrouw daaraan toekent, namelijk dat partijen redelijkerwijze de bedoeling hebben gehad dat ook (eventuele) ondernemingswinsten voor verrekening in aanmerking kwamen.

Aan het bewijsaanbod van de man komt het hof niet toe, nu de man geen concrete feiten en omstandigheden ten bewijze heeft aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden.

De slotsom is dat niet is voldaan aan de verrekenplicht, terwijl er wel te verrekenen inkomsten waren, met als gevolg dat in beginsel het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW van toepassing is. Grief 1 van de man faalt geheel.

Zet het beroep van de man op de tenzij-clausule het bewijsvermoeden opzij? (grief 2 van de man)

15.2.9.

Het hof stelt over het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW het volgende voorop.

Hoewel dit artikellid pas na de echtscheiding van partijen (op 4 juli 2002) is ingevoerd (op 1 september 2002 bij wet van 14 maart 2002 tot wijziging van titel 8, boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (Wet regels verrekenbedingen)), kan in deze zaak bij die regeling worden aangesloten, omdat het de neerslag vormt van de uitleg die de Hoge Raad in een reeks van uitspraken aan het verrekenbeding heeft gegeven. De uitleg van de Hoge Raad blijft evenwel van belang. In HR 19 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1963 (Rensing-Polak) is ten aanzien van een periodiek verrekenbeding overwogen:

‘Laten partijen tijdens het bestaan van het huwelijk verrekening van het overgespaarde achterwege, hetgeen (…) de praktijk zal zijn, en blijft het recht tot verrekening bestaan, dan brengt een uitleg naar redelijkheid en billijkheid in verband met de aard van het beding mee dat bij het einde van het huwelijk ook de vermogensvermeerdering, ontstaan door belegging van hetgeen uit de inkomsten van een echtgenoot is bespaard maar ongedeeld gebleven, in de verrekening wordt betrokken.’

15.2.10.

In zijn arrest van 19 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:637) heeft de Hoge Raad als volgt overwogen:

“3.3.2 Op grond van art. 1:141 leden 1 en 2 BW wordt, kort gezegd, een tijdens het huwelijk niet nagekomen periodieke verrekenverplichting omgezet in een finale verrekenverplichting op het in art. 1:142 BW bepaalde tijdstip (de peildatum). In zodanig geval wordt op grond van art. 1:141 lid 3 BW het op de peildatum aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit (art. 1:141 lid 3 BW). Dit bewijsvermoeden brengt mee dat de tot verrekening gerechtigde echtgenoot in beginsel kan volstaan met te stellen en aannemelijk te maken dat de andere echtgenoot op de peildatum bepaalde vermogensbestanddelen heeft. Het ligt dan op de weg van de andere echtgenoot om te stellen en zo nodig te bewijzen dat het op de peildatum aanwezige vermogen, of bepaalde bestanddelen daarvan, niet gevormd is uit hetgeen verrekend had moeten worden.”

15.2.11.

Het bewijsvermoeden van art. 141 lid 3 BW geldt, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Op de totstandkomingsgeschiedenis van deze “tenzij-clausule” is AG Langemeijer ingegaan in zijn conclusie vóór de beschikking van de Hoge Raad van 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012: BV9605:

‘2.7. In het wetsvoorstel regels verrekenbedingen was een bewijsregel opgenomen die volgens de toelichting ten doel had de afwikkeling van periodieke verrekenbedingen te vergemakkelijken: "In de praktijk zal er in het merendeel van de gevallen van uit kunnen worden gegaan, dat het vermogen dat aan het einde van het huwelijk aanwezig is, bestaat uit het overgespaarde inkomen en de belegging daaruit"(11). Op de aanvankelijk voorgestelde bewijsregel werd kritiek geleverd, met voorbeelden van gevallen waarin juist niet ervan kan worden uitgegaan dat het aanwezige vermogen bestaat uit overgespaarde en nog niet verrekende inkomsten of de belegging daarvan(12). Vanuit de Tweede Kamer is daarom aan de regering de vraag voorgelegd of het geen aanbeveling verdiende, uitdrukkelijk te bepalen dat het vermoeden van artikel 141 lid 3 niet geldt ten aanzien van vermogen dat ingevolge art. 1:134 BW buiten de verrekening blijft. Verder werd gevraagd waarom, indien het beding slechts verplicht tot verrekening van inkomsten, ervan zou moeten worden uitgegaan dat het aanwezige vermogen is ontstaan uit overgespaarde inkomsten.

2.8.

Hierop heeft de regering bij nota van wijziging de 'tenzij-clausule' opgenomen in het derde lid van art. 1:141 BW. De staatssecretaris lichtte dit toe als volgt:

"In het nader rapport is aangegeven dat het vermoeden van artikel 141, derde lid, zowel geldt ten aanzien van aangebracht vermogen als ten aanzien van vermogen dat onder uitsluitingsclausule krachtens erfrecht of schenking verkregen is. Dat betekent dat een echtgenoot die stelt dat een deel van het vermogen krachtens erfrecht of schenking verkregen is of die stelt dat het aangebracht vermogen betreft, dat dient aan te tonen. In het omgekeerde geval (zoals, voor zover het krachtens erfrecht of schenking verkregen vermogen betreft, bepleit door de Raad van State) zou de andere echtgenoot dienen aan te tonen dat vermogen, waarvan door de ene echtgenoot gesteld wordt dat het aangebracht of krachtens erfrecht of schenking onder uitsluitingsclausule verkregen is, tot het te verrekenen vermogen behoort.

In feite gaat de wet ervan uit dat, als periodieke verrekening niet heeft plaatsgevonden deze zich aan het einde van het huwelijk of geregistreerd partnerschap oplost in een finaal verrekenbeding. Ik geef toe dat, als het alsdan aanwezige vermogen grotendeels betrekking heeft op aangebracht en/of krachtens erfrecht of schenking onder uitsluitingsclausule verkregen vermogen, terwijl er uitsluitend een periodiek verrekenbeding met betrekking tot arbeidsinkomsten (die van veel geringere omvang bleken te zijn) is overeengekomen, de aard en waarschijnlijke omvang van de verrekenverplichting bij de bewijslastverdeling een rol zouden behoren te spelen, zoals Luijten opmerkt. Ik stel daarom voor het bewijsvermoeden van artikel 141, derde lid, te verzachten door daarop een uitzondering te formuleren. De rechter wordt daarmee een handvat geboden om, indien de aard en omvang van de verrekenverplichting daartoe aanleiding geeft, de bewijslast anders te verdelen. Met deze uitzondering wordt ook tegemoet gekomen aan de wens van de commissie om artikel 134 van het bewijsvermoeden uit te sluiten, zij het dat het geen dwingendrechtelijke uitsluiting betreft. Met het vorenstaande is ook tegemoet gekomen aan de bezwaren van Van der Burght tegen, wat hij noemt, het 'te ruim gestelde bewijsvermoeden' (...)."(13)

2.9.

De regel van art. 1:141 lid 3 BW is aan te merken als een bijzondere regel als bedoeld in art. 150 Rv. Overigens bevat ook art. 150 Rv zelf een uitzondering voor gevallen waarin "uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit". In de rechtspraak van de Hoge Raad na 1 september 2002 is het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW enkele malen aan de orde geweest(14).’

In zijn beschikking van 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9605 heeft de Hoge Raad als volgt beslist over de tenzij-clausule:

‘3.4.3 De omstandigheid dat de na 1986 opgetreden waardestijging van de aandelen, naar de man heeft aangevoerd, voornamelijk is teweeggebracht door de arbeidsinspanning en ondernemerskwaliteiten van de man zelf (en van zijn zakenpartner), geeft geen aanleiding om het in art. 1:141 lid 3 neergelegde bewijsvermoeden met een beroep op de "tenzij-clausule" buiten toepassing te laten. Het bewijsvermoeden heeft immers slechts betrekking op de vraag of de aandelen al dan niet gefinancierd zijn uit hetgeen verrekend had moeten worden.’

In zijn arrest van 19 april 2019, hiervóór al aangehaald, heeft de Hoge Raad, in meer algemene zin nog overwogen dat het bewijsvermoeden uitsluitend betrekking heeft op de vraag of het aanwezige vermogen (curs. hof: dus niet alleen aandelen in een bv, zoals in de beschikking uit 2012) al dan niet gefinancierd is uit hetgeen verrekend had moeten worden (rov. 3.3.2).

15.2.12.

De man heeft zich beroepen op de tenzij-clausule. Volgens hem dient het bewijsvermoeden buiten toepassing te worden gelaten omdat ‘de meest waardevolle goederen’ werden verworven door hetzij niet verrekenbare inkomsten, zoals ondernemingswinsten, hetzij geleende gelden, die na het huwelijk geheel, althans gedeeltelijk met niet-verrekenbare inkomsten, te weten de uitkering van de AMEV-kapitaalpolis en een betaling uit eigen middelen, zijn afgelost.

15.2.13.

Voor zover de ‘tenzij-clausule’, gelet op de vóór de invoering van art. 1:141 lid 3 BW geldende jurisprudentie, al van toepassing is, ziet het hof in de door man aangevoerde omstandigheden, geen aanleiding het bewijsvermoeden buiten toepassing te laten. Zoals hiervoor is geoordeeld (rov. 15.2.8.) vallen, anders dan de man betoogt, ondernemingswinsten wel onder het inkomensbegrip. Dat de geleende gelden ‘geheel, althans gedeeltelijk’ met niet-verrekenbare inkomsten zijn afgelost, heeft de man niet onderbouwd. Iedere concretisering daarvan ontbreekt ook. Welk deel van de geleende gelden en/of welk bedrag hij met niet-verrekenbare inkomsten heeft afgelost en wat de eigen middelen zijn waarmee hij op de geleende gelden heeft afgelost, daarover verschaft de man geen helderheid. Hierdoor kan het hof niet vaststellen dat of in hoeverre ‘de meest waardevolle goederen’, die de man nalaat te specificeren, door niet verrekenbare inkomsten zijn verkregen als gevolg waarvan vanwege de aard en omvang van de verrekenplicht de eisen van redelijkheid en billijkheid zouden meebrengen dat, kort gezegd, het bewijsvermoeden niet zou moeten gelden.

De man heeft geen concrete feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die tot een andere conclusie kunnen leiden. Aan het bewijsaanbod gaat het hof dan ook voorbij.

Heeft de man het bewijsvermoeden weerlegd? (vervolg grief 2)

15.2.14.

Het voorgaande betekent dat het op de peildatum aanwezige vermogen op grond van art. 1:141 lid 3 BW wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Dit brengt mee dat de vrouw in beginsel kan volstaan met te stellen en aannemelijk maken dat de man op de peildatum bepaalde vermogensbestanddelen heeft en het op de weg van de man ligt om te stellen en zo nodig te bewijzen dat het op de peildatum aanwezige vermogen, of bepaalde bestanddelen daarvan, niet gevormd is uit hetgeen verrekend had moeten worden.

AMEV-polis en AEGON-lijfrente-polis

De man heeft aangevoerd dat de waarde van de AMEV-polis net als de waarde van de AEGON-lijfrente-polis, ‘niet voor de peildatum (5 juni 2001) werd opgebouwd doch (ook) nadien werd opgebouwd. (…) door de betaling van premies door [de man]’, waaruit hij concludeert dat het op de peildatum aanwezige vermogen ‘niet, althans niet louter [werd] gevormd uit “overgespaarde inkomsten uit arbeid en/of goederen” en dus – in elk geval voor het deel van die waarde, dat werd opgebouwd middels na de feitelijke scheiding (3 november 2000) – door de man betaalde premies, buiten het “te verrekenen vermogen” blijft’ (pleitnota pt. 3). Dit betoog gaat niet op. De peildatum voor de samenstelling (de goederen en de schulden) en de omvang (de waarde) van het te verrekenen vermogen is 5 juni 2001. Met premiebetalingen nadien wordt voor de te verrekenen waarde dus geen rekening gehouden.

De man laat verder na duidelijk te maken voor welk deel polissen niet zijn gefinancierd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Iedere concretisering daarvan ontbreekt. Het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW is daarmee onvoldoende weerlegd.

Aandelen in de bv

De man heeft het volgende betoogd. Omdat de aandelen in de bv zijn volgestort met zijn ‘aandeel’ in de maatschap en dat aandeel is verworven door een schuld op zijn naam aan de ABN/AMRO-bank, waarop pas na einde huwelijk werd afgelost uit (wederbelegging van) niet-verrekenbare inkomsten, dienen die aandelen buiten de verrekening te blijven (p. 18 en 30 mvg).

De vrouw heeft verweer gevoerd.

Het hof oordeelt als volgt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de man op 30 mei 1997 de bv heeft opgericht en hij bij die oprichting zijn ‘aandeel’ in de maatschap heeft ingebracht. In zijn memorie van grieven bevestigt de man deze gang van zaken, waar hij spreekt over ‘inbreng van het aandeel [de maatschap] in [de bv] B.V.’ (p. 8). Zoals bekend, heeft een maatschap, anders dan een bv, geen in aandelen verdeeld kapitaal. De man laat na toe te lichten waaruit het ‘aandeel’ in de maatschap bestaat. De akte van oprichting van de bv heeft de man niet overgelegd, althans hij heeft niet duidelijk gemaakt wáár deze zich in het omvangrijke dossier zou bevinden. Voor de beschrijving van de inbreng (met vermelding van de daaraan toegekende waarde en van de toegepaste waarderingsmethoden) of de accountantsverklaring over die beschrijving (waarover het toen geldende art. 2:204a BW), welke accountantsverklaring wel is afgegeven volgens de man (mvg, p. 9), geldt hetzelfde. Ook die zijn niet overgelegd, althans de vindplaats daarvan is het hof niet duidelijk gemaakt. Het hof heeft dus geen inzicht gekregen in waaruit het ‘aandeel’ in de maatschap bestaat. Daardoor heeft de man ook niet weerlegd dat het ‘aandeel’ (deels) is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Dat de man voor zijn toetreding tot de maatschap in 1992 een inkoopsom met geleend geld heeft betaald (en dus niet met te verrekenen vermogen/inkomen), sluit geenszins uit dat, vijf jaar later bij oprichting van de bv, de aandelen in de bv zijn gefinancierd met te verrekenen vermogen/inkomen. Zoals overwogen, had de man daarvoor inzicht moeten geven in wat zijn inbreng (de storting op de aandelen in de bv), dus het ‘aandeel’ in de maatschap, omvatte. De man had hier temeer bedacht op moeten zijn, omdat de man door zijn toetreding tot de maatschap in 1992 niet alleen deelgerechtigd werd tot het vermogen van de maatschap, maar ook tot de door haar gerealiseerde winst (zoals de rechtbank al had overwogen; idem mvg, p. 6) en die winst behoorde tot te verrekenen inkomen (zie hiervóór), waardoor niet uit te sluiten valt dat het ‘aandeel’ ook niet-uitgekeerde (maar te verrekenen) winsten omvatte. (De man wijst er zelf ook op dat hij voor het verschil tussen zijn aandeel in het exploitatieresultaat van de maatschap en de door hem ontvangen voorschotten op zijn kapitaalrekening werd gecrediteerd of gedebiteerd (mvg, p. 8). Over de besteding van de voorschotten verklaart de man wel, maar over het verloop van de kapitaalrekening niet, althans niet voldoende duidelijk. Een onderbouwing ontbreekt. Ook wijst de man erop dat de ondernemingswinsten van de maatschap geheel, althans ten dele (namelijk voor zover die het loon van een ervaren accountant in loondienst overtroffen te boven gingen) buiten de verrekening bleven (mvg, p. 17).) De aandelen in de bv kunnen bijgevolg gefinancierd zijn met te verrekenen vermogen/inkomen. De slotsom is dat de man niet is geslaagd in het weerleggen van het bewijsvermoeden dat de aandelen worden vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden.

Grief 2 van de man faalt eveneens.

De waarde van de aandelen (grieven 3, 4 en 16 t/m 20 van de man)

Van welke waarde dient te worden uitgegaan? (grief 4 en 16 tot en met 20 van de man)

15.3.1.

De rechtbank heeft over de waarde van de aandelen het volgende overwogen (vonnis van 15 november 2017):

‘2.4.2. Vervolgens (p. 7) heeft de deskundige de goodwill en stille reserves in de onderhavige zaak uitgewerkt volgende scenario’s:

(1) de waarde in het economisch verkeer (p. 7),

(2) de economische waarde (p. 7-9) en

(3) de economische waarde in samenhang met de alimentatieverplichting (p. 9-10).

(…)

2.4.4.

Op basis van de drie voornoemde scenario’s heeft de deskundige de waarde van de aandelen in [de bv] B.V. per 5 juni 2001 als volgt getaxeerd:

uitgaande van een fictieve transactiewaarde: € 464.087,00,

uitgaande van de economische waarde: € 881.408,00,

uitgaande van situatie 2 maar dan in samenhang met de alimentatieverplichting: € 492.758,00.

2.4.5.

Ten slotte dient naar mening van de deskundige voor de bepaling van de aanmerkelijk belang claim te worden uitgegaan van een belastingtarief van 25%, waarbij er rekening mee wordt gehouden dat over € 271.814,00 geen aanmerkelijk belang-belasting verschuldigd is. Dit betekent dat de netto waarde van de aandelen van de B.V., derhalve na verrekening van de AB-claim in voornoemde scenario’s als volgt zijn:

scenario 1: € 416.019,00,

scenario 2: € 729.010,00,

scenario 3: € 437.522,00.

(…)

2.6.

Anders dan [de man] heeft aangevoerd, heeft de deskundige terecht en voldoende

gemotiveerd aangegeven dat de vraag of rekening moet worden gehouden met contractuele

afspraken over de goodwillvergoeding bij uittreding in de waardebepaling een juridisch oordeel vergt dat hij niet kan geven (p. 6). [De man] heeft gesteld dat wél rekening moet worden gehouden met de waarde in het economisch verkeer, daarbij aanvoerend dat de maatschap daadwerkelijk op die basis afrekent, waarbij [de man] heeft gewezen op een procedure gevoerd in 1999/2000 door een uittredende maat, in welk kader de rechtbank Roermond overwoog dat er geen redenen zijn om de uittreedsom te berekenen op een andere wijze dan is overeengekomen in de maatschapsovereenkomst. De rechtbank stelt allereerst vast dat [de man] (anders dan de maat waarover de procedure in 1999/2000 ging) niet is uitgetreden en dat ook niet van plan was, zodat de uitkomst van die procedure voor de onderhavige beoordeling niet relevant is. Gelet op de feiten dat – volgens de eigen stelling van [de man] – de uittreedsom door de maatschap bewust laag is gehouden om een ‘duiventil’ te voorkomen en dat het – gelet op vaste jurisprudentie en de doctrine – gebruikelijk is om de waarde van een onderneming volgens de ‘economische waarde’ vast te stellen, is de rechtbank van oordeel dat geen rekening dient te worden gehouden met de contractuele afspraken in de waardebepaling. De deskundige baseert zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht op de in het jaar 2000 toegepaste toetredingsvergoeding voor nieuwe maten van 1/13 aandeel in de goodwill en stille reserves van € 1.202.517,00. De rechtbank volgt dan ook de deskundige in de door hem gehanteerde methode met betrekking tot de ‘economische waarde’.

2.7.

De rechtbank gaat voorbij aan hetgeen [de man] met betrekking tot het pand in Florida heeft aangevoerd, nu [de man] in zijn reactie op het conceptdeskundigenbericht dit al aan de deskundige heeft voorgelegd. De deskundige heeft daarop voldoende gemotiveerd geantwoord.

2.8.

De rechtbank gaat voorts voorbij aan al hetgeen zowel door de deskundige als partijen is aangevoerd met betrekking tot de economische waarde in samenhang met de alimentatieverplichting, nu de waardering van aandelen van een onderneming in het kader van verdelen/verrekenen losstaat van een in het kader van een alimentatieplicht gehanteerd inkomensbegrip (waarbij als algemeen uitgangpunt een redelijk DGA-salaris en niet de waarde van aandelen van een onderneming wordt gehanteerd, nog daargelaten dat niet duidelijk is op grond van welk inkomensbegrip dan wel draagkrachtbegrip de alimentatieverplichting is vastgesteld). Bovendien valt zonder nadere toelichting van [de man], die niet is gegeven, niet in te zien dat en waarom in dit geval sprake is van een ‘dubbeltelling’.’

Hiertegen keren zich de grieven 3, 4 en 16 t/m 20 van de man.

15.3.2.

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de economische waarde van de aandelen en daarbij (onder meer) is voorbijgegaan aan zijn hoge alimentatieverplichting waarop ook de deskundige in zijn rapport heeft gewezen. Voor de man is het onbegrijpelijk waarom de rechtbank van de drie berekende waardes nu juist van de hoogste waarde van € 729.010,-- is uitgegaan. Hij stelt dat de waarde van de aandelen maximaal moet worden gesteld op de door de deskundige vastgestelde fictieve transactiewaarde van (per saldo) € 416.019,--, althans de economische waarde, rekening houdend met de alimentatieverplichting, van € 437.522,--.

15.3.3.

De vrouw voert daartegen aan de aandelen terecht zijn gewaardeerd op de economische waarde van € 881.408,-- (vóór toepassing van de AB-claim).

15.3.4.

Het hof is evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank van oordeel dat niet uitgegaan dient te worden van de fictieve transactiewaarde (waarbij rekening is gehouden met contractuele afspraken) maar van de economische waarde. De man heeft in hoger beroep niets aangevoerd dat tot een ander oordeel moet leiden. Anders dan de rechtbank is het hof evenwel van oordeel dat bij die economische waarde wel rekening dient te worden gehouden met de alimentatieverplichting van de man, nu, zoals door de man naar voren is gebracht en ook door de deskundige is opgemerkt, de winsten bij de vaststelling van die alimentatieverplichting, als (extra) arbeidsbeloning, zijn meegenomen. Aldus drukt de alimentatieverplichting van de man de waarde van de aandelen. Het hof zal daarom uitgaan van de economische waarde in samenhang met de alimentatieverplichting van € 492.758,--. In zoverre slagen de grieven van de man. Hetgeen de vrouw in eerste aanleg heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

15.3.5.

Het hof ziet in hetgeen de man over het pand te Florida heeft aangevoerd (in de conclusie na deskundigenbericht in eerste aanleg, in hoger beroep heeft de man daarop geen nadere toelichting gegeven) geen aanleiding die waarde te corrigeren, reeds omdat de man niet duidelijk maakt welke conclusie hij aan zijn stellingen verbindt. In zoverre falen zijn grieven.

De aanmerkelijk belang claim: nominaal of contant? (grief van de vrouw)

15.4.1.

De rechtbank heeft het volgende overwogen (vonnis van 15 november 2017):

‘2.11. [De vrouw] heeft - kort gezegd - in reactie op het conceptdeskundigenbericht met betrekking tot de Aanmerkelijk Belang-claim (hierna: AB-claim) aangevoerd (bijlage 8) dat een contante (waarde)tarief dient te worden gebruikt (daarbij verwijzend naar jurisprudentie) en omdat de belastingclaim zich naar verwachting eerst in de verre toekomst zal gaan voordoen, een tarief van niet meer dan 10-15 % dient te worden gehanteerd. Hierop heeft de deskundige gemotiveerd gereageerd door te verklaren dat de door hem berekende goodwillwaarde is gebaseerd op een in de accountancybranche niet ongebruikelijke methode, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de goodwill fiscaal aftrekbaar is, dat in 2001 de goodwill fiscaal in vijf jaar mocht worden afgeschreven en de vennootschap derhalve gedurende vijf jaar een belastingvoordeel (afschrijving) ontvangt. Voorts is het volgens de deskundige gebruikelijk om vorderingen van maximaal vijf jaar tegen de nominale waarde en niet tegen de contante waarde op te nemen. Daarbij heeft de deskundige aangegeven dat het in de onderhavige zaak gaat om een herwaardering van de goodwill, die niet kan worden afgeschreven. Dat nadeel wordt gecompenseerd door op de waardering een voorziening voor latente belastingen in mindering te brengen. In de literatuur wordt ook verdedigd dat als men de goodwill voor haar nominale waarde in de berekening betrekt, men dit ook voor de latente belastingen moet doen. Immers, de goodwill wordt op de peildatum niet direct ontvangen en evenmin wordt de voorziening latente belastingen direct betaald. Ten slotte heeft de deskundige laten weten een voorstander te zijn van de ‘nominale waarde’- benadering, omdat het de keuze van [de man] is om de AB-claim direct af te rekenen of door te schuiven en dat [de vrouw] hierbij geen voor- of nadeel heeft. Gelet op het hiervoor weergegeven gemotiveerde antwoord van de deskundige op de opmerkingen van [de vrouw]op het conceptdeskundigenbericht, die zij in haar conclusie na deskundigenbericht zonder nadere onderbouwing heeft herhaald, gaat de rechtbank hieraan als onvoldoende onderbouwd voorbij.’

15.4.2.

De vrouw stelt dat de rechtbank door uit te gaan van de nominale waarde de aanmerkelijk belang claim te hoog heeft vastgesteld. Met verwijzing naar jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2014:3462, ECLI:NL:PHR:2017:1254 en ECLI:NL:HR:2018:281) stelt zij dat de waarde van de aandelen per peildatum 5 juni 2001 op basis van een contante waarde van de aanmerkelijk belang claim dient te worden berekend, nu sprake is van een uitkering van dividend op de lange termijn. Immers uit niets blijkt dat de man over de aanmerkelijk belang claim reeds heeft afgerekend. Omdat de vrouw tot nu toe nog niets uit de bv heeft ontvangen, heeft de bv nog geen dividend hoeven uitkeren. De aandelen waren van de man en derhalve behoefde er op de datum van echtscheiding niet over (de helft van de) waarde afgerekend te worden.

15.4.3.

De man heeft verweer gevoerd. Het hof begrijpt dit verweer aldus dat de man van mening is dat het standpunt van de deskundige dient te worden gevolgd.

15.4.4.

Het hof overweegt als volgt.

Partijen zijn het er over eens dat de waarde van de aandelen nog moet worden verminderd met de in aanmerking te nemen aanmerkelijk belang belastingclaim. Zij verschillen van mening over de hoogte van deze belastingclaim. Hun geschilpunt betreft de vraag of bij de waardering van de latente belastingclaim moet worden uitgegaan van de nominale waarde daarvan, namelijk 25% (het tarief in box 2 van de inkomstenbelasting) (het standpunt van de man) of de contante waarde van de op enig moment in de toekomst verschuldigde belasting over deze waarde (het standpunt van de vrouw).

De Hoge Raad heeft in het arrest van 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3462, het volgende overwogen:

‘4.2.2 Het onderdeel slaagt. In overeenstemming met het uitgangspunt dat de onderneming van de man werd voortgezet heeft het hof in rov. 14 van zijn tussenbeschikking van 18 januari 2012 aangenomen dat er ten aanzien van de belastingschulden “thans” – waarmee het hof kennelijk bedoelt: op de peildatum – nog geen betalingsverplichting bestaat. Gelet daarop en in het licht van hetgeen de vrouw in dit verband bij monde van haar deskundige naar voren heeft gebracht (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.21), is het oordeel van het hof dat het redelijk en billijk is de belastingschulden tegen het nominale percentage van 52% in aanmerking te nemen – waarmee het hof klaarblijkelijk tot uitgangspunt heeft genomen dat de belasting over de diverse vermogensbestanddelen vanaf de peildatum verschuldigd is – op de grond dat partijen tot financiële afwikkeling wensen te komen, zonder nadere motivering onbegrijpelijk. De enkele omstandigheid dat gewezen echtgenoten met inachtneming van een bepaalde datum met elkaar afrekenen, brengt immers niet mee dat toekomstige belastingschulden met betrekking tot te verrekenen vermogensbestanddelen moeten worden gewaardeerd alsof ter zake op die datum een betalingsverplichting is ontstaan.’

Hieruit volgt dat de inkomstenbelasting over de aandelen die verschuldigd is geworden op een ten opzichte van de peildatum toekomstig tijdstip, niet zonder meer het nominale tarief van 25% bedraagt, maar naar de zogeheten contante waarde op de peildatum in aanmerking moet worden genomen.

De vrouw heeft de contante waarde van de claims berekend. Zij is daarbij uitgegaan van een gemiddelde wettelijke rente van 3,83% over de periode 1 juni 2001 tot en met 1 januari 2021, de veronderstelde datum van dit arrest, in de verwachting dat de man op grond daarvan tot afrekening al overgaan. Hoewel dit arrest van latere datum is, zal het hof genoemde datum (1 januari 2021) en genoemd rentepercentage eveneens tot uitgangspunt nemen, nu de man tegen die datum en dat rentepercentage op zichzelf genomen geen bezwaar heeft aangevoerd en de vrouw, hoewel haar al langer duidelijk was dat dit arrest van latere datum zou zijn (de comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 31 maart 2021), niet een aanpassing van haar berekening heeft bepleit.

De vrouw heeft, uitgaande van het nominaal tarief van 25 procent, de aanmerkelijk belang claim over genoemde periode tegen een rekenrente van 3,83 procent berekend op een contant tarief van 11,98 procent.

Zoals hiervoor overwogen gaat het hof (anders dan de vrouw in haar berekening heeft gedaan) uit van een (bruto) economische waarde van de aandelen (in samenhang met de alimentatieverplichting) van € 492.758,--. De deskundige heeft onbetwist gesteld dat over het bedrag van € 271.814,-- geen aanmerkelijk belang-belasting verschuldigd is. De belastinglatentie over het resterende bedrag van (492.758 -/- 271.814 =) € 220.944 bedraagt € 26.469,09. Aldus is de netto waarde van de aandelen (492.758 -/- 26.469,09 =) € 466.288,91. Hiervan komt de vrouw de helft toe (€ 233.144,46). De grief van de vrouw slaagt. Hetgeen de man in eerste aanleg hierover heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Strekt de rekening-courantschuld in mindering op de waarde van de aandelen? (grief 3 van de man)

15.5.1.

De rechtbank heeft in het vonnis van 19 augustus 2015 het volgende overwogen:

‘4.30.1. [De vrouw] heeft bij dagvaarding gesteld dat tot het te verrekenen vermogen behoort een niet nader geduide schuld van [de man] uit hoofde van rekening-courant bij [de bv] B.V. (sub 13i), terwijl [de man] er bij conclusie van antwoord mee heeft ingestemd dat deze schuld in de verrekenstaat voor het door [de vrouw] opgegeven bedrag van Euro 204.871,00 wordt meegenomen en hij daarvoor wordt gedebiteerd.

4.30.2.

De rechtbank is van oordeel dat partijen niet hebben toegelicht waarom en hoe de schuld in de verrekening moet worden betrokken. Onder verwijzing naar het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 29 januari 2014 (ECLI:NL:GHDHA:2014:2261) overweegt de rechtbank dat, nu het hier een verrekenplicht betreft wegens een niet nagekomen periodiek verrekenbeding, er geen plaats is voor het in de verrekening in aanmerking nemen van schulden, die immers geen (her) belegging van overgespaarde maar nog niet gedeelde inkomsten zijn. Het te verrekenen vermogen omvat derhalve niet de rekening-courantschuld van [de man] aan [de bv] B.V.’

En in het vonnis van 15 november 2017:

‘2.9. De rechtbank stelt voorop dat zij in haar vonnis van 19 augustus 2015 (r.o. 4.30.) al heeft beslist over de rekening-courantschuld. In hetgeen [de man] thans dienaangaande heeft aangevoerd en onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank in r.o. 2.1.-2.2. overwoog, ziet de rechtbank geen aanleiding haar eerdere oordeel te heroverwegen. De deskundige heeft in reactie op de opmerkingen van [de man] met betrekking tot de rekening-courantschuld op het conceptdeskundigenbericht terecht aangegeven dat het reeds in de procedure aan de orde is geweest en dat het niet in zijn opdracht besloten ligt daarover zijn mening te geven. De rechtbank gaat hieraan dan ook verder voorbij.’

Hiertegen keert zich grief 3 van de man.

15.5.2.

De man voert aan dat de rekening-courantschuld is ontstaan door het voldoen van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, waardoor deze hetzij in mindering strekt op de waarde van de aandelen in de bv hetzij tot een vergoedingsrecht jegens de vrouw leidt.

15.5.3.

De vrouw voert het volgende aan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de rekening-courantschuld niet uit overgespaard inkomen kan zijn gevormd en daarom buiten de verrekening dient te blijven. De man heeft zijn stelling dat de rekening courant verhouding met de bv gebruikt is om privé uitgaven te betalen, niet onderbouwd. Daarbij komt dat als met de schuld de kosten van de gemeenschappelijke huishouding zijn betaald, dit, gezien het bepaalde in art. 2 van de huwelijkse voorwaarden, ook geen aanleiding geeft tot onderlinge verrekening.

15.5.4.

Zoals het hof hiervóór heeft overwogen, behoren de aandelen tot het te verrekenen vermogen. De vrouw heeft recht op de helft van die waarde. Door de rekening-courant schuld in mindering te laten strekken op de waarde van de aandelen, wordt de aanspraak van de vrouw op de helft van de waarde verminderd (terwijl verrekening bij helfte moet geschieden, art. 1:135 BW). Daarvoor bestaat geen grond. De schuld van de man is niet aangegaan ter verwerving van de aandelen (art. 1:136 lid 1 BW). De opnames in rekening-courant betreffen in wezen juist opnames van te verrekenen vermogen (die de man moet terugbetalen aan de bv). Voor zover de man zich beroept op de besteding van de opnames in rekening-courant (zijn beweerde bijdragen aan de kosten van de huishouding, hetgeen de vrouw in hoger beroep heeft betwist) leidt dit niet tot vermindering van de waarde van de aandelen. Voor zover de man stelt dat hij recht heeft op vergoeding door de vrouw vanwege door hem te veel betaalde kosten van de huishouding, maakt hij niet duidelijk wat de grondslag is voor die beweerde aanspraak. Voor zover het art. 2 van de huwelijkse voorwaarden zou zijn, stuit die aanspraak bovendien af op de slotzin van die bepaling, die inhoudt dat ter zake van het, samengevat, te veel betaalde nimmer enige verrekening zal plaats hebben. Voor zowel het mogelijke beroep op art. 2 als een eventueel beroep op art. 1:84 BW geldt bovendien dat bij gebreke aan onderbouwing daarvan dat beroep niet kan slagen. De slotsom is dat de grief op alle onderdelen faalt.

15.5.5.

Hieruit volgt dat de vrouw de helft van de waarde van de aandelen toekomt, hiervóór (in rov. 15.4.4.) vastgesteld op € 233.144,46. Op dit bedrag strekt nog wel in mindering de helft van het voorschot kosten deskundige van € 6.050,--, nu tegen de beslissing van de rechtbank hierover geen grief is gericht. Dit betekent dat het hof de man zal veroordelen om in het kader van de verrekening van de aandelen aan de vrouw te voldoen het bedrag van (233.144,46 -/- 6.050 =) € 227.094,46.

De hypothecaire geldlening en daaraan gekoppelde polis en overlijdensverzekering (grieven 6 tot en met 8 van de man)

15.6.

De grieven 6 tot en met 8 van de man betreffen de op het woonhuis rustende hypothecaire schuld (BLG nr. [nummer 5] , rov. 4.7.1., 4.7.3. en 4.7.5. van het vonnis van 19 augustus 2015) en de daaraan gekoppelde polis afgesloten bij het Hooge Huys van 1891 N.V. en een overlijdensverzekering (rov. 4.8.1. en 4.8.2. van het vonnis van 19 augustus 2015).

15.6.1.

De man voert (zo begrijpt het hof) het volgende aan.

De rechtbank heeft miskend dat hij sinds de feitelijke scheiding van partijen (3 november 2000) de hypotheeklasten van de woning is blijven voldoen terwijl de vrouw partneralimentatie ontving (om (ook) die lasten te voldoen). Bij de bepaling van zijn draagkracht voor partneralimentatie is er geen rekening mee gehouden dat hij ook de hypotheeklasten van de vrouw voldeed (er is alleen rekening gehouden met zijn hypothecaire betalingsverplichtingen voor de nieuwe woning te [woonplaats] ).

Ook heeft de rechtbank miskend dat hij na 3 november 2000 als enige de premies van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde polis van Hooge Huys heeft betaald (uit niet te verrekenen inkomsten), waardoor de vrouw onterecht het door hem betaalde verschil tussen de waarde van deze polis op de peildatum 5 juni 2001 en de waarde op de datum van uitkering op 1 april 2008 ten goede is gekomen.

15.6.2.

De vrouw voert daartegen aan dat, hoewel de man de hypotheeklasten en premies heeft voldaan, zij die feitelijk ook heeft gedragen, omdat de man dit direct is gaan verrekenen met de partneralimentatie. Hij heeft nooit de volledige (bij beschikking van 11 maart 2009 bepaalde) partneralimentatie voldaan. Het is dan ook redelijk dat de waardestijging van de polis van Hooge Huys aan de vrouw ten goede komt.

15.6.3.

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de man sinds de feitelijke scheiding van partijen de eigenaarslasten van de woning, waaronder de hypotheeklasten en de premies van de polis van Hooge Huys, heeft voldaan, terwijl die lasten (ook) voor rekening van de vrouw dienden te komen. De vrouw heeft evenwel onweersproken gesteld dat de man de door hem betaalde lasten vervolgens heeft verrekend met de partneralimentatie, zodat niet duidelijk is wat de man met zijn grief beoogt, temeer niet nu de man geen concrete vordering aan deze grieven heeft verbonden. Het hof zal daarom aan de stellingen van de man voorbijgaan. Deze grieven falen.

De schenking van de ouders van de man (grief 9 van de man)

15.7.1.

Grief 9 van de man keert zich tegen rov. 4.20. van de bestreden beschikking van 19 augustus 2015, waar de rechtbank als volgt heeft geoordeeld.

‘De rechtbank stelt voort voorop dat het door [de man] – overigens niet door de [de vrouw] weersproken – krachtens schenking verkregene buiten de verrekening valt. Nu echter gesteld noch gebleken is dat (een deel van) het op de peildatum aanwezige vermogen uit schenking van de ouders van [de man] is verkregen, gaat de rechtbank hieraan verder voorbij.’

De man verwijst naar ‘de hiervoor vermelde bescheiden en toelichting daarop’ en biedt bewijs aan van zijn stelling ‘dat hij in contanten geld heeft ontvangen van zijn ouders als schenking en dat geld is gebruikt ter dekking van kosten van de gemeenschappelijke huishouding en aanschaf van goederen, die op de peildatum nog aanwezig waren, althans waarvan de geldswaarde toen nog aanwezig was’ middels verklaringen van de volgende personen die gehoord onder ede als getuige, nl. elk van partijen.

15.7.2.

De vrouw voert daartegen het volgende aan. De man heeft niet aangetoond dat hij schenkingen heeft ontvangen en zo hij dit al zou hebben gedaan, is het niet relevant dat daarvan onder meer huishoudkosten zijn betaald, omdat er op grond van art. 2 van de huwelijkse voorwaarden geen verrekening van de betaalde kosten van de huishouding plaatsvindt.

15.7.3.

Het hof overweegt als volgt.

De man heeft, tegenover de betwisting van de vrouw, zijn stelling dat hij schenkingen heeft ontvangen, niet onderbouwd. Om hoeveel schenkingen het gaat, wanneer hij die precies heeft ontvangen en wat de omvang daarvan is, heeft hij zich ook niet uitgelaten. De man heeft evenmin onderbouwd dat met die schenkingen kosten van de huishouding zijn betaald of goederen zijn aangeschaft die, althans de waarde daarvan, op de peildatum nog aanwezig waren. De man heeft slechts verwezen naar ‘de hiervoor vermelde bescheiden en toelichting daarop’ maar heeft nagelaten duidelijk te maken om welke bescheiden het gaat en waar in het lijvige dossier die bescheiden en toelichting daarop te vinden zijn. De man heeft derhalve niet aan zijn stelplicht voldaan. Aan zijn bewijsaanbod wordt dan niet toegekomen. Grief 9 faalt.

Het aandeel/certificaat [onderneming] (grief 10 van de man)

15.8.

Grief 10 van de man keert zich tegen rov. 4.22.1 van de bestreden beschikking van 19 augustus 2015, waar de rechtbank als volgt heeft geoordeeld:

‘De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de waarde van het aandeel/certificaat [onderneming] € 5.000,00 bedraagt. Echter, nu het niet een verdeling van een gemeenschappelijk aandeel/certificaat, maar een verrekening van overgespaard inkomen betreft, kan de rechtbank dit aandeel/certificaat niet aan een der partijen toedelen, omdat het al eigendom van één van partijen is (in dit geval van [de man] zo begrijpt de rechtbank).

De rechtbank neemt aan dat de waarde van het te verrekenen aandeel/certificaat [onderneming] € 5.000,00 bedraagt, nu partijen het hierover eens zijn. De rechtbank zal bij eindvonnis [de man] veroordelen hiervan de helft (zijnde € 2.5000,00) aan [de vrouw] te voldoen, onder bepaling dat [de vrouw] het certificaat aan [de man] dient te overhandigen, nu [de man] onbetwist heeft gesteld dat dit certificaat nog in de voormalige echtelijke woning ligt.’

15.8.1.

De man voert (slechts) het volgende aan: ‘[de man] heeft – nota bene: onbetwist – gesteld dat hij de aankoop van dit goed(deels) heeft betaald met geld dat hij had geleend van [de bv]’

15.8.2.

De vrouw betwist dat het aandeel/certificaat deels met van de bv geleend geld is betaald en merkt op dat ‘deels’ betekent dat het ook (deels) met overgespaard inkomen is betaald (en dus verrekend dient te worden).

15.8.3.

Het hof overweegt als volgt. De man heeft zijn stelling dat hij het aandeel/certificaat [onderneming] heeft gefinancierd met een geldlening, niet onderbouwd. De man heeft dus niet aan zijn stelplicht voldaan. De grief faalt.

Amev (ASR) polissen, het Aegon Fundplan en groeiverzekering ABN Amro (grieven 11 tot en met 13 van de man)

15.9.1.

Het hof begrijpt de grieven van de man aldus dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn stelling en aanbod te bewijzen dat de waarde van de Amev polissen (grief 11), het Aegon Fundplan (grief 12) en de waarde van de groeiverzekering ABN Amro (grief 13) deels zijn opgebouwd met de inkomsten uit de maatschap en de bv (dus, volgens de man, met niet te verrekenen inkomsten) en deels met leningen die zijn afgelost met niet te verrekenen inkomsten, waardoor genoemde vermogensbestanddelen niet in de verrekening dienen te worden betrokken.

15.9.2.

De vrouw voert hiertegen aan dat genoemde vermogensbestanddelen zijn gevormd door overgespaard inkomen, omdat ook de inkomsten uit de maatschap en de B.V. overgespaarde inkomsten zijn.

15.9.3.

Het hof overweegt, dat, nu (hiervóór in rov. 15.3.8.) is vastgesteld dat ook ondernemingswinsten tot het te verrekenen vermogen behoren, deze grieven geen bespreking behoeven (nog daargelaten dat de man geen concrete vordering aan de grieven heeft verbonden). De grieven falen (in zoverre).

Aegon Fundplan (vervolg grief 12 van de man)

15.10.1.

De man stelt dat de waarde van het Aegon Fundplan (bovendien) niet tot het te verrekenen vermogen behoort, omdat dit als een ‘toekomstige pensioenaanspraak’ moet worden aangemerkt, die art. 5 van de huwelijkse voorwaarden van verrekening heeft uitgesloten. De man biedt aan te bewijzen dat partijen dit zo bij de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen.

15.10.2.

De vrouw betwist dat het Aegon Fundplan een pensioen is in de zin van de Pensioenwet, zoals bedoeld in de huwelijkse voorwaarden.

15.10.3.

Het hof overweegt als volgt.

Artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden bepaalt, samengevat, dat ingeval van echtscheiding tussen partijen nimmer enige verrekening zal hoeven plaats te vinden in verband met eventuele toekomstige pensioenaanspraken van een of van beide partijen. Het begrip ‘toekomstige pensioenaanspraken’ wordt in de huwelijkse voorwaarden niet nader omschreven.

Zoals in hiervóór (in rov. 15.3.7.) overwogen, dient de uitleg van (een verrekenbeding in) huwelijkse voorwaarden volgens vaste rechtspraak te geschieden aan de hand van de in het Haviltex-arrest neergelegde maatstaf, waarin het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Ten tijde van de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden werkte de man in loondienst en de vrouw werkte niet, zodat het, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat partijen hier niet alleen het oog hadden op een pensioenaanspraak als bedoeld in art. 1 van de Pensioenwet (waar pensioen wordt omschreven als ‘tussen werkgeven en werknemer overeengekomen’ en pensioenaanspraak als ‘het recht op een nog niet ingegaan pensioen’), maar ook op rechten uit, bijvoorbeeld, het Aegon Fundplan.

Het had, tegenover de betwisting van de vrouw, op de weg van de man gelegen om duidelijk te maken wat voor product het Aegon Fundplan is en dat partijen de bedoeling hebben gehad en ook redelijkerwijze moesten begrijpen dat ook een dergelijk product, als pensioenvoorziening, buiten de verrekening viel. Dat de man dit heeft nagelaten, dient voor zijn risico te komen. Aan het bewijsaanbod van de man komt het daarom hof niet toe.

Porsche 911 turbo met kenteken [kenteken 3] (grief 21 van de man)

15.11.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de man er niet in is geslaagd te bewijzen dat hij de auto na de peildatum van 5 juni 2001 heeft gekocht, omdat de door de man overgelegde factuur van 8 maart 2002 spreekt van een ‘993 Turbo’ en niet van een ‘911 Turbo’ (vonnis van 15 november 2017, rov. 2.30.). De man stelt dat het een en dezelfde auto betreft.

15.11.2.

De vrouw is het met de man eens.

15.11.3.

Nu partijen het erover eens zijn dat de ‘911 Turbo’ dezelfde auto is als de ‘993 Turbo’, waarop de factuur van 8 maart 2002 betrekking heeft, staat vast dat deze auto na de peildatum (5 juni 2011) is aangeschaft. Dit betekent dat de auto niet in de verrekening zal worden betrokken. De grief slaagt.

First National Bank Florida, [nummer 4] (grief 22 van de man)

15.12.1.

Grief 22 van de man keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de man er niet is geslaagd te bewijzen dat alleen de bv (en dus niet hij zelf) gerechtigd was tot het saldo van deze bankrekening, zodat het saldo van die rekening in de verrekening dient te worden betrokken (vonnis van 15 november 2017, rov. 2.34.). Volgens de man behoort de bankrekening tot de bv. Hij biedt bewijs aan van deze stelling.

15.12.2.

De vrouw betwist dat de bv de gerechtigde tot deze bankrekening was.

15.12.3.

Het hof is van oordeel dat uit de jaarrekening 2001, in eerste aanleg overgelegd als productie 23, genoegzaam blijkt dat de bv en niet de man zelf tot het saldo van deze rekening gerechtigd was. Omdat de waarde van de bv reeds in de verrekening wordt betrokken, is voor een afzonderlijke verrekening van de bankrekening geen plaats. De grief slaagt. Hetgeen de vrouw in eerste aanleg heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Mag de man verrekenen met een tegenvordering op de vrouw? (grief 5 van de man)

15.13.1.

De rechtbank heeft het volgende overwogen (in het vonnis van 15 november 2017):

‘2.40. [De man] heeft bij akte van 11 november 2015 onder het kopje “verrekening van betalingen” – kort gezegd – gesteld sinds de feitelijke scheiding uit zijn inkomsten betalingen te hebben gedaan ten behoeve van gemeenschappelijke eigendommen en/of [de vrouw] persoonlijk.

Voorts heeft hij [de vrouw] aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade als gevolg van het door [de vrouw] op 23 oktober 2001 gelegde beslag op de aandelen [de bv] B.V. Hij sluit af met het volgende: “Hij wenst zijn daaruit voortvloeiende vordering op [de vrouw], die hij nader wenst te specificeren, in de verdeling c.q. verrekening te betrekken.”.

[De man] heeft echter nagelaten bij conclusie van antwoord ter zake een reconventionele vordering in te stellen (zie artikel 137 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Ook overigens is uit de conclusie van antwoord niet gebleken dat [de man] een dergelijke reconventionele vordering zodanig duidelijk heeft ingesteld dat ook [de vrouw] had kunnen en moeten begrijpen dat dit was gebeurd (het kenbaarheidsvereiste). Gelet hierop gaat de rechtbank hier verder aan voorbij.’

Hiertegen keert zich grief 5 van de man.

15.13.2.

De man voert het volgende aan.

Na de feitelijke scheiding van partijen op 3 november 2000 heeft hij kosten betaald die uitsluitend voor rekening van de vrouw kwamen en kosten/lasten voldaan in verband met de opbouw van de waarde van nader genoemde polissen (producties 51 en 52). Hij is die kosten pas gaan verrekenen met de partneralimentatie nadat de voorlopige alimentatie was ingegaan, maar ook daarvoor had hij alle lasten betaald en de vrouw geld gegeven voor de kosten van de huishouding en zelfs een vakantie met de kinderen. De door hem betaalde hypotheekrente is hij pas gaan verrekenen met de definitief vastgestelde partneralimentatie vanaf 1 april 2008.

De man doet een beroep op verrekening van zijn vordering met zijn schuld uit hoofde van art. 1:141 lid 3 BW.

15.13.3.

De vrouw voert daartegen het volgende aan.

Voor de door de man voorgestane verrekening is geen plaats in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden op grond van art. 1:141 lid 1 BW. Betalingen na de peildatum (5 juni 2001) zijn niet relevant. Bovendien heeft de man al verrekend met de partneralimentatie. De man verwijst naar eigenmachtig opgestelde overzichten die niet te controleren zijn.

15.13.4.

Het hof overweegt als volgt.

Verrekening is slechts mogelijk indien – kort gezegd – de man de bevoegdheid heeft tot verrekening (art. 6:127 BW) en art. 6:136 BW niet aan verrekening in de weg staat. Laatstgenoemd artikel luidt als volgt:

“De rechter kan een vordering ondanks een beroep van de verweerder op verrekening toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is.“

Het hof is van oordeel dat art. 6:136 BW aan verrekening door de man in de weg staat. Het hof overweegt hiertoe dat de man zijn vordering – die de vrouw betwist – heeft onderbouwd met zelf opgestelde overzichten die – zonder verificatoire bescheiden, die de man niet heeft overgelegd – niet te controleren zijn. Hierdoor kan het hof de gegrondheid van het beroep van de man op verrekening met een tegenvordering niet eenvoudig vaststellen. Nu de man geen voldoende gespecificeerd bewijs van zijn (tegen)vordering heeft aangeboden, leidt dit ertoe dat zijn beroep op verrekening wordt verworpen. Grief 5 van de man faalt.

Tussentijds hoger beroep (grieven 14 en 23 en 24 van de man) en onjuiste juridische of feitelijke grondslag (grief 15 van de man)

15.14.1.

De grieven 14, 23 en 24 van de man keren zich tegen de beslissing van de rechtbank om geen tussentijds hoger beroep toe te staan (vonnis van 17 augustus 2016, rov. 2.9., 2.3. en 2.5.), grief 15 betreft de beslissing van de rechtbank, zo begrijpt het hof, niet terug te komen op een bindende eindbeslissing (rov. 2.2).

15.14.2.

Het hof overweegt als volgt.

Het hoger beroep dient er mede toe eventuele onvolkomenheden van de procedure in eerste aanleg te herstellen. Het hoger beroep strekt in dit geval tot een nieuwe behandeling en beslissing van de zaak, zodat de man geen belang heeft bij bespreking van zijn grieven.

De woning (grief 26 van de man)

15.15.1.

De rechtbank heeft de woning, de polis bij het Hooge Huys van 1891 N.V. en de daaraan gekoppelde overlijdensrisicoverzekering aan de vrouw toegedeeld.

15.15.2.

De man voert aan dat hij onredelijk wordt benadeeld als hij de mede-eigendom van die zaken moet prijsgeven, maar wel aansprakelijk blijft voor de daarop rustende hypotheekschuld.

15.15.3.

De vrouw voert aan dat de man geen belang meer heeft bij deze grief omdat de aan de hypotheek bij BLG gekoppelde polis bij Hoge Huys inmiddels de einddatum heeft bereikt en de opgebouwde waarde gelijk is aan de hypotheekschuld. Op dit moment bestaat er volgens de vrouw dus geen hypotheekschuld meer.

15.15.4.

Het hof overweegt dat nu de vrouw onweersproken heeft verklaard dat de hypotheekschuld niet meer bestaat, de man geen belang meer heeft bij zijn grief.

Samenvatting

15.16.1.

Het voorgaande leidt ertoe dat in afwijking van het bestreden vonnis van 19 september 2018 de man in het kader van de verrekening ter zake van:

- de waarde van de aandelen in de bv het bedrag van € 227.094,46 aan de vrouw moet betalen;

- de Porsche 911 Turbo (kenteken [kenteken 1] ) en de First National Bank Florida,

[nummer 4] niets aan de vrouw verschuldigd is.

15.16.2.

Voor de leesbaarheid van dit arrest zal het hof rov 3.10 van het bestreden vonnis in zijn geheel vernietigen en beslissen zoals hierna onder 16 weergegeven.

Schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad

15.17.

Nu het hof heden uitspraak doet, heeft de man geen belang meer bij de door hem gevorderde ‘provisionele’ voorziening de uitvoerbaarheid van de beslissing van de rechtbank te schorsen. De gevorderde provisionele voorziening ‘de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen hij op grond van de bestreden beslissingen eventueel na die beslissing aan de vrouw heeft betaald en redressering van wijzigingen in de rechtstoestand van goederen, die de vrouw overigens op grond van die beslissingen heeft bewerkstelligd’ zal het hof afwijzen, nu de man heeft nagelaten die vordering nader te onderbouwen.

Proceskosten

15.18.

De man heeft verzocht de vrouw te veroordelen in de proceskosten in beide instanties. De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen in de proceskosten in beide instanties. Het hof zal met toepassing van art. 237 jo. art. 353 Rv (partijen zijn voormalige echtgenoten) de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

16 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het bestreden vonnis voor zover het rov. 3.10. betreft;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen:

- € 2.500,-- ter zake van het aandeel/certificaat [onderneming] , direct nadat de vrouw het certificaat aan de man heeft overhandigd;

- € 552,-- ter zake van de Postbank [nummer 1] ;

- € 237.277,-- ter zake van de AMEV levensverzekering (risicoverzekering Fortis ASR) [polisnummer 3] en AMEV levensverzekering (verzekering bij leven Fortis ASR) [polisnummer 2] ;

- € 39.378,82 ter zake van het AEGON Fundplan [nummer 2] ;

- € 61,50 ter zake van de ABN AMRO Meegroeiverzekering [nummer 3] ;

- € 3.750,00 ter zake van de BMW 328i (kenteken [kenteken 2] );

- € 227.094,46 ter zake van de waarde van de aandelen in [de bv] B.V.,

alle voornoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2001 tot aan de dag der algehele voldoening,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat partijen de eigen kosten van het hoger beroep dragen;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Laarhoven, G.J. Vossestein en

J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 oktober 2021.

griffier rolraadsheer