Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2973

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-10-2021
Datum publicatie
05-10-2021
Zaaknummer
20/00672
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2020:5442, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 67c AWR en belastingrente. De verzuimboete is terecht opgelegd en bovendien passend en geboden. De belastingrente is berekend conform de toepasselijke wettelijke regels. De naheffingsaanslag is tijdig opgelegd en er is geen sprake van bijzondere omstandigheden waardoor de inspecteur had moeten afzien van de berekening van belastingrente. Het hoger beroep is ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/2345
V-N 2022/2.22.29
FutD 2021-3143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Nummer: 20/00672

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 5 november 2020, nummer BRE 19/5748 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft een naheffingsaanslag dividendbelasting opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 14 december 2018 aangifte dividendbelasting gedaan naar een af te dragen bedrag van € 70.536. Belanghebbende heeft de dividendbelasting niet binnen de daarvoor geldende termijn van een maand na het ontstaan van de belastingschuld afgedragen.1

2.2.

Met dagtekening 24 mei 2019 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag dividendbelasting opgelegd. Daar is bij gelijktijdige beschikkingen een verzuimboete opgelegd van € 2.116 (drie percent van € 70.536) en belastingrente in rekening gebracht van € 1.222.

2.3.

Belanghebbende heeft de dividendbelasting op 25 mei 2019 afgedragen. De verzuimboete en belastingrente heeft belanghebbende op 30 mei 2019 betaald.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is of de verzuimboete en de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag zijn vastgesteld.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en matiging van de verzuimboete en belastingrente tot nihil. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Het geschil spitst zich aldus toe op de vraag of de verzuimboete en de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag zijn vastgesteld. De hoogte van de naheffingsaanslag is niet in geschil.

4.2.

Belanghebbende stelt dat de verzuimboete moet worden gematigd tot nihil omdat van opzet geen sprake is geweest. In verband met een hectische periode binnen het bedrijf heeft belanghebbende, ondanks het tijdig doen van aangifte dividendbelasting, de verschuldigde belasting abusievelijk niet tijdig afgedragen. Belanghebbende doet daarnaast een beroep op een verleden waarin tijdig is voldaan aan fiscale verplichtingen.

4.3.

Het hof begrijpt de stellingen van belanghebbende als een beroep op afwezigheid van alle schuld (avas). Het hof is van oordeel dat voor een geslaagd beroep op avas geen ruimte is, omdat belanghebbende hiervoor onvoldoende heeft aangevoerd. Er is sprake van avas als een belastingplichtige stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat hij alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat het verzuim niet zou worden begaan. Door te verwijzen naar de hectische periode binnen het bedrijf, waardoor de afdrachtsverplichting over het hoofd is gezien, heeft belanghebbende inzicht gegeven in de omstandigheden waardoor het niet betalen heeft kunnen plaatsvinden. Belanghebbende heeft daarmee evenwel niet aannemelijk gemaakt dat alle redelijkerwijs te vergen zorg is betracht om ervoor te zorgen dat het bedrag aan dividendbelasting tijdig zou worden betaald.

4.4.

De boete is op grond van artikel 67c Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 23 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst vastgesteld op 3% van de niet-betaalde dividendbelasting met een maximum van destijds € 5.278. De hoogte van de boete is vastgesteld overeenkomstig het beleid van de Belastingdienst. Het hof acht de boete, zeker gezien de omvang van de dividenduitkering, ook passend en geboden. Verder is onvoldoende aangevoerd om tot matiging van de verzuimboete te kunnen komen. Dat sprake is van een eerste verzuim dan wel van een eerste verzuim sinds lange tijd is niet relevant voor de hoogte van de onderhavige boete, omdat de schuldvraag bij een verzuimboete niet aan de orde is. Ook de afwezigheid van opzet waar belanghebbende zich op beroept is aldus niet relevant voor de hoogte van de verzuimboete.

4.5.

De belastingrente is berekend conform de toepasselijke wettelijke regels. Belanghebbende ervaart de rente als een boete. In dit kader merkt het hof evenals de rechtbank op dat belastingrente geen boete is. De in rekening gebrachte belastingrente vormt een compensatie voor het ter beschikking hebben van overheidsgelden. De wet- en regelgeving biedt geen mogelijkheid terecht in rekening gebrachte belastingrente te verminderen of anderszins te compenseren. Wel kunnen algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het in artikel 3:4 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel, onder omstandigheden in de weg staan aan het volledig in rekening brengen van de belastingrente. De van de inspecteur te verlangen zorgvuldigheid brengt mee dat hem bij de uitvoering van die taak een zekere vrijheid toekomt bij de inrichting van zijn werkzaamheden. Dat enige tijd is verstreken tussen het doen van aangifte en het opleggen van de naheffingsaanslag maakt niet dat de inspecteur onzorgvuldig of anderszins in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Gelet op de hoeveelheid aangiften die ieder jaar moet worden verwerkt, kan niet van de inspecteur worden gevergd dat hij sneller actie had moeten ondernemen. De inspecteur heeft vijf jaar de tijd om de naheffingsaanslag op te leggen en de aanslag is ruim binnen deze termijn (binnen zes maanden na de aangifte) opgelegd. Verder is er geen sprake van een bijzondere situatie waarin de inspecteur op grond van geschreven of ongeschreven recht (gedeeltelijk) had moeten afzien van de berekening van belastingrente.

4.6.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verzuimboete en de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag zijn vastgesteld.

Tussenconclusie

4.7.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.8.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.9.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5 Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door P. Fortuin, raadsheer, in tegenwoordigheid van N.A. de Grave, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2021 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 artikel 19, lid 3, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).