Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2948

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-09-2021
Datum publicatie
07-10-2021
Zaaknummer
200.282.718_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2020:5516
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding over rectificatie ten aanzien van een Facebookbericht en reacties daaronder. Discretionaire bevoegdheid rechter op grond van artikel 6:167 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 167
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.282.718/01

arrest van 28 september 2021

in de zaak van

1 [appellant 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellant 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellanten] ,

advocaat: mr. C.A.M.J.M. Joosten te Venlo,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden 2] en afzonderlijk als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ,

advocaat: mr. R.M.J.K.M. Teeuwen te Roermond,

op het bij exploot van dagvaarding van 24 augustus 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 28 juli 2020, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, in kort geding gewezen tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerden 2] als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/279795 / KG ZA 20-269)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met een productie;

  • -

    de mondelinge behandeling, waarbij de advocaat van [appellanten] pleitnotities heeft overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In rov. 2.1 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan – mede op basis van het tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verhandelde – nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten.

3.1.1.

Op 30 maart 2020 is tussen [appellanten] en [geïntimeerde 1] een koopovereenkomst tot stand gekomen waarbij [geïntimeerde 1] een pup van het ras Australian Shepherd heeft gekocht van [appellanten] De naam van de pup is [naam van de pup] .

3.1.2.

Kort na aflevering is [naam van de pup] ziek geworden. Op 27 juni 2020 is [naam van de pup] overleden c.q. geëuthanaseerd.

3.1.3.

De moeder van [geïntimeerde 2] , [moeder van geintimeerde 2] , heeft op 27 juni 2020 een door haar geschreven bericht op Facebook geplaatst met volgende tekst:

MASSAAL DELEN NAMENS [naam van de pup] !!!!

Malafide praktijken in [plaats] , [plaats] [naam] , koop hier geen hondje !!!

Mijn naam is [naam van de pup] ….

Ik ben geboren op 23 Januari dit jaar , en gisteren hebben mijn baasjes de moeilijkste keuze moeten maken om mij vandaag naar de hondenhemel te brengen. Mijn baasjes wilde mij een liefdevol leven geven maar hadden in de gaten dat ik ziek was. Kwispelend naar de dierenarts, want dat was mijn 2e huis. Een bloedtrasfusie, prednison , en daarna wilde mijn achterpootjes niet meer meewerken. Wilde zo graag spelen maar t ging niet, een paar meter met gekruiste achterpootjes maakte dat ik steeds viel. Iedere week ging t slechter, iedere week naar de dokter. De dokter stuurde me door naar de specialist , een neuroloog en orthopeet….. En daar kregen mijn baasjes te horen dat ik geen toekomst meer zou hebben en iets mis was in mijn hersens. De mensen ( fokkers) die zich finacieel verijkt hebben aan mij kende geen compassie , reageren niet op mijn baasjes omdat mijn baasjes inmiddels erachter zijn gekomen dat ze broodfokkers zijn, er al 78 meldingen liggen, paspoorten niet kloppen en een malafide dierenarts hebben. En ze middels verschillende holdings werken. Mijn baasjes wilde het beste voor mij , en geen onmogelijk leven. Nu ik er niet meer ben, gaan mijn baasjes ervoor vechten dat wat mij is overkomen niet meer mogelijk is. Ik hoop dat iedereen die dit bericht leest het openbaar wilt delen om zo deze mensen te stoppen met dierenleed maar ook het mensenleed. En ik hoop dat ze dit zelf ook lezen…. stelletje hypocriete, medogenloze ratten , want mensen zijn jullie niet !!!
#in #memoriam # [naam van de pup] 23-01-2020/27-06-2020

3.1.4.

[geïntimeerde 1] , die de vriendin is van [geïntimeerde 2] , heeft dit bericht gekopieerd en in een Facebook-groep genaamd [Facebook-groep] geplaatst. Verder hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] reacties onder dit bericht geplaatst.

3.1.6.

[moeder van geintimeerde 2] heeft het Facebookbericht in de eerste week van juli 2020 verwijderd. Ook het door [geïntimeerde 1] geplaatste Facebookbericht in de Facebook-groep [Facebook-groep] en de reacties van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] onder het bericht zijn toen verdwenen.

3.2.1.

In eerste aanleg vorderden [appellanten] dat de voorzieningenrechter bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal bepalen dat:

A. [geïntimeerden 2] zich op geen enkele wijze negatief over [appellanten] mogen uitlaten en dat in de ruimste zin van het woord, onder straffe van een dwangsom van € 5.000,- per keer, met een maximum van € 50.000,-,

B. [geïntimeerden 2] negatieve berichtgeving van alle sociale media dienen af te halen, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat [geïntimeerden 2] hiervan in gebreke blijven met een maximum van € 50.000,-,

C. [geïntimeerden 2] een rectificatie dienen te plaatsen, waarbij [geïntimeerden 2] aangeven dat zij de feiten niet juist hebben weergegeven, zij [appellanten] beschuldigen van zaken die niet waar zijn, onwaarheden over [appellanten] hebben verspreid, dat [appellanten] gedurende de tijd dat [naam van de pup] ziek is, wel degelijk in contact stonden met [geïntimeerden 2] en dat er niet meerdere meldingen zijn en dat [appellanten] hebben gehandeld in het openbaar onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat [geïntimeerden 2] hiervan in gebreke blijven met een maximum van € 50.000,-, en

D. [geïntimeerden 2] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.2.

[geïntimeerden 2] hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover in hoger beroep van belang, nader ingegaan.

3.3.

Bij het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter de vorderingen afgewezen en [appellanten] in de proceskosten veroordeeld.

3.3.

[appellanten] hebben in hoger beroep drie grieven aangevoerd. Zij hebben geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep. Blijkens het petitum van de memorie van grieven hebben zij hun eis gewijzigd. Ze vorderen thans (slechts) dat de hiervoor in rov. 3.2.1 weergegeven vordering C wordt toegewezen, met veroordeling van [geïntimeerden 2] in de kosten van beide instanties. Vorderingen A en B handhaven zij niet in hoger beroep. Dit is door de advocaat van [appellanten] bevestigd tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep.

3.4.

De grieven, die ertoe strekken dat [geïntimeerden 2] worden veroordeeld tot rectificatie, lenen zich voor gezamenlijk bespreking.

3.5.

Daarbij stelt het hof voorop dat wanneer iemand krachtens de titel 3 van Boek 6 (onrechtmatige daad) jegens een ander aansprakelijk is ter zake van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard, de rechter hem op grond van artikel 6:167 BW op vordering van die ander kan veroordelen tot openbaarmaking van een rectificatie op een door de rechter aan te geven wijze.

3.6.

Het gaat hier dus om een discretionaire bevoegdheid van de rechter. De wetgever acht rectificatie niet steeds een passende oplossing zodat de concrete beslissing aan de rechter wordt overgelaten. Omstandigheden welke tegen rectificatie gewicht in de schaal kunnen leggen zijn de vrijheid van meningsuiting (bij toepassing van artikel 6:167 BW dient artikel 10 EVRM in acht te worden genomen), de onmogelijkheid om een rectificatie te plaatsen zonder neveneffecten die vermeden behoren te worden of het ontbreken van een werkelijk belang als het medium reeds een wederwoord heeft opgenomen dat naar het oordeel van de rechter het negatieve effect voldoende heeft opgeheven (EV I, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 670).

3.7.

Met inachtneming van het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om [geïntimeerden 2] te veroordelen tot rectificatie. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen.

3.8.

Vast staat dat [moeder van geintimeerde 2] het Facebookbericht reeds in de eerste week van juli 2020 heeft verwijderd. Ook is tussen partijen niet in geschil dat het door [geïntimeerde 1] geplaatste Facebookbericht in de [Facebook-groep] en de reacties van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] onder het Facebookbericht toen zijn verwijderd. Tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerden 2] aan de hand van de door hen in eerste aanleg overgelegde productie 9 met het resultaat van een zoekopdracht, hebben [appellanten] onvoldoende concreet onderbouwd dat het bericht en de reacties nu te vinden zijn op het internet.

3.9.

Het voorgaande bezien in samenhang met het tijdsverloop – de kwestie speelt eind juni/begin juli 2020, terwijl het inmiddels september 2021 is – maakt dat er naar het oordeel van het hof onvoldoende reden is voor een veroordeling tot openbaarmaking van een rectificatie. Dat het bericht in de tijd dat het op Facebook stond vele malen is gedeeld, legt onvoldoende gewicht in de schaal. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid dat anderen (dan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ) een print screen of foto hebben gemaakt van het bericht en dit op hun eigen profiel hebben geplaatst.

3.10.

Hier komt bij dat het te verwachten effect van openbaarmaking van een rectificatie in dit geval gering is. Zoals [geïntimeerden 2] terecht naar voren hebben gebracht, is het niet gezegd dat dezelfde personen die het Facebookbericht indertijd hebben gedeeld ook een rectificatie zullen delen. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat een relevante groep personen met een rectificatie zou kunnen worden bereikt. Voorts is niet uit te sluiten dat het averechts effect heeft om weer aandacht aan deze kwestie te besteden.

3.11.

Op grond van het voorgaande wordt een rectificatie in dit geval geen passende oplossing geacht. Het hof merkt nog op dat het op de weg van [appellanten] ligt om aan te geven hoe de rectificatie moet worden ingekleed, en op welke wijze zij openbaar dient te worden gemaakt om hun doel te bereiken, namelijk herstel van aantasting van eer en goede (handels)naam. Zoals de vordering is geformuleerd (zie hiervoor in rov. 3.2.1 onder C), is deze echter sowieso niet toewijsbaar. Die vordering is op de verschillende onderdelen onvoldoende specifiek.

3.12.

Een en ander leidt tot de slotsom dat de onderhavige vordering niet kan worden toegewezen, nog daargelaten of [appellanten] thans spoedeisend belang hebben bij de door hen gevraagde voorziening. In het midden kan daarom blijven of het plaatsen van het Facebookbericht door [geïntimeerde 1] onrechtmatig is. Ook hoeft geen oordeel te worden gegeven over de onrechtmatigheid van de reacties van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] op het bericht van [moeder van geintimeerde 2] .

3.13.

Het vorenstaande brengt mee dat de grieven falen. Aan bewijslevering komt het hof niet toe, nu dit kort geding zich daarvoor niet leent.

3.14.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep aan de orde, dient te worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [appellanten] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep aan de orde;

veroordeelt [appellanten] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden 2] op € 332,- aan griffierecht en op € 3.342,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, N.W.M. van den Heuvel en R.L.G. Kraaijvanger en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 september 2021.

griffier rolraadsheer