Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2935

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-03-2021
Datum publicatie
28-09-2021
Zaaknummer
20-000452-20
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2022:825
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000452-20

Uitspraak : 29 maart 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 3 februari 2020 in de strafzaak met parketnummer 02-246800-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van - kort gezegd - het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III (feit 1) en het voorhanden hebben van munitie (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Voorts is het vonnis niet op de juiste wijze ondertekend.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 4 december 2018 te Sprang-Capelle, gemeente Waalwijk, een vuurwapen van categorie III, te weten een (centraalvuur) pistool (van het Belgische merk FN), van het kaliber 6.35 mm, type Baby FN, voorhanden heeft gehad;

2.
hij op of omstreeks 4 december 2018 te Sprang-Capelle, gemeente Waalwijk, munitie van categorie III, te weten vier, althans een of een aantal (centraalvuur) patro(o)n(en) van het kaliber 6,35 mm (voorzien van een cilindrische messing huls met een lengte van 15,3 mm) voorhanden heeft gehad;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 4 december 2018 te Sprang-Capelle, gemeente Waalwijk, een vuurwapen van categorie III, te weten een (centraalvuur) pistool (van het Belgische merk FN), van het kaliber 6.35 mm, voorhanden heeft gehad;

2.
hij op 4 december 2018 te Sprang-Capelle, gemeente Waalwijk, munitie van categorie III, te weten een aantal (centraalvuur) patronen van het kaliber 6,35 mm (voorzien van een cilindrische messing huls met een lengte van 15,3 mm) voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen 1

1. Het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 december 2018 (dossierpagina’s 10 en 11), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

(dossierpagina 10)

Op 4 december 2018 waren wij belast met autosurveillance. Wij zagen dat de Opel Astra afslag 37 (Waalwijk) nam en vervolgens de N261 richting Tilburg op reed. Ik, [verbalisant 2] , gaf de Opel Astra een volgteken. Wij zagen dat de Opel Astra hieraan voldeed. Wij hebben de Opel Astra stilgehouden op de Bevrijdingsweg te Sprang-Capelle. Ik vroeg de bestuurder naar een geldig rij- en kentekenbewijs. Ik zag dat de bestuurder een Nederlands rijbewijs pakte en deze aan mij gaf, ik zag hierop de volgende gegevens staan:

[verdachte] , [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] .

Ik zag dat de bijrijder een identiteitskaart aan mij gaf met de volgende gegevens:

[bijrijder] .

Wij hoorden via de portofoon dat [verdachte] in de politiesystemen bekend stond als code vier, dit betekent vuurwapengevaarlijk. Wij hoorden dat [verdachte] in 2013 was aangehouden ter zake van het bezit van een vuurwapen.

Ik, [verbalisant 1] , vroeg aan [verdachte] : “Heb je nu strafbare zaken bij je? Denk aan wapens.”

(dossierpagina 11)

Ik hoorde [verdachte] zeggen: “Nee, dat is echt verleden tijd. Kijk maar in mijn auto.” Ik zag dat [verdachte] naar zijn auto liep. Ik zag dat hij alle portieren inclusief kofferbak opende en zei: “Kijk maar.” Ik vertelde aan [verdachte] dat wij zijn voertuig gingen doorzoeken. Ik hoorde dat [verdachte] hiervoor toestemming gaf. Ik, [verbalisant 1] , gaf mijn bevindingen door aan verbalisant [verbalisant 3] . Verbalisant [verbalisant 3] deed de doorzoeking in de Opel Astra. Wij hoorden van verbalisant [verbalisant 3] dat hij een verborgen ruimte met daarin een vuurwapen had aangetroffen in de Opel Astra.

2. Het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 december 2018 (dossierpagina’s 12 en 13), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

(dossierpagina 12)

Op dinsdag 4 december 2018 omstreeks 00.34 uur hoorde ik portofonisch dat collega’s een voertuig wilden gaan controleren. Ik hoorde dat zij het voertuig met kenteken [kenteken] staande hadden gehouden op de Bevrijdingsweg te Sprang-Capelle. Ik hoorde nadat ik klaar was met de controle van de technische staat van het voertuig collega [verbalisant 1] vragen aan de bestuurder of er nog strafbare zaken in het voertuig lagen. Ik hoorde dat collega [verbalisant 1] daarna vroeg of de bestuurder toestemming wilde geven aan vrijwillige doorzoeking van zijn voertuig. Ik hoorde dat de bestuurder antwoordde dat dit geen probleem was.

DOORZOEKING VOERTUIG [kenteken] :

Ik keek naar de achterbank en zag dat deze omhoog stond. Ik klopte vervolgens met mijn hand op de achterkant van de rechter achterleuning en voelde dat de achterplaat van deze achterbank van metaal was gemaakt. Ik weet dat dit ongebruikelijk is. Ik scheen vervolgens met een zaklamp langs de zijkant van de achterbank nadat ik deze had ontgrendeld en naar beneden had neergeklapt. Ik zag vervolgens dat er helemaal bovenaan de achterzijde van de achterplaat een scharnier tussen het bankdeel en de achterplaat was bevestigd. Ik heb vervolgens aan de andere zijde van het scharnier hard getrokken en merkte dat ik een sluiting opentrok. Ik zag vervolgens dat de volledige achterplaat van de achterbank scharnierde. Ik zag daarna direct een klein kaliber vuurwapen liggen in een daar gecreëerde ruimte van de achterbank. Ik heb vervolgens gewacht op een collega die het vuurwapen veilig heeft kunnen stellen op sporen. Ik zag dat deze collega nadat hij ter plaatse was gekomen, het wapen ontlaadde.

(dossierpagina’s 12 en 13)

Ik zag dat hij een patroonhouder uit het wapen haalde en dat deze patroonhouder gevuld was met munitie.

3. Het ambtsedig proces-verbaal van de politie van een op een pistool gelijkend voorwerp met munitie, Eenheid Zeeland-West-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Afdeling Wapens, Munitie en Explosieven, Team Forensische Opsporing met BVH nummer 2018 285050a, sluitingsdatum 5 december 2018, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

Op 4 december 2018, kreeg ik een op een pistool gelijkend voorwerp met munitie, voor nader onderzoek aangeboden. Uit nader onderzoek bleek mij het volgende.

Het inbeslaggenomen voorwerp is een centraalvuur pistool van het Belgische merk FN van het kaliber 6.35 mm. De patronen van het kaliber 6.35 mm Browning worden middels het origineel bij dat wapen behorende patroonmagazijn aangevoerd.

Het hierboven omschreven pistool is geschikt om projectielen door een loop af te schieten. De werking van dit voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Derhalve is dit pistool een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3e, gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. Het voorhanden hebben van boven omschreven vuurwapen is strafbaar gesteld in artikel 26 lid 1 jo artikel 55 lid 3a van de Wet wapens en munitie.

In het patroonmagazijn van het wapen bevonden zich vijf eenheidscentraalvuurpatronen van het kaliber 6,35 mm voorzien van een

cilindrische messing huls met een lengte van 15,3 mm. De patronen zijn voorzien van een messing volmantel kogel met loden kern. Deze ‘scherpe’ patronen zijn als zodanig geschikt voor direct gebruik in het FN pistool.

De omschreven munitie is munitie die geschikt is voor vuurwapens van de categorie III en derhalve munitie in de zin van artikel 1, onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III, van de Wet wapens en munitie. Het voorhanden hebben van boven omschreven munitie is strafbaar gesteld in artikel 26 lid 1 jo artikel 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie.

4. Het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 december 2018 (dossierpagina’s 38-41), voor zover inhoudende als verklaring van [bijrijder] :

(dossierpagina 40)

A: Ik ben met mijn vriend, ik noem hem ‘kleine’, meegegaan. We werden staande gehouden door de politie. Er werd een vuurwapen in de auto aangetroffen. Ik wist van niks over het wapen.

V: Van wie is het voertuig voorzien van het kenteken [kenteken] ?

A: Het is de auto van mijn vriend ‘kleine’.

V: Bedoelt u met ‘kleine’ de bestuurder waarmee u gisteren in het voertuig zat?
A: Ja.

5. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 15 maart 2021, voor zover inhoudende:

Het was de auto van mijn moeder. Ik ben degene die de auto rijdt, ik leen de auto af en toe.

Bewijsoverwegingen

Algemene bewijsoverweging

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen is tenlastegelegd. Daartoe is het navolgende aangevoerd.

  1. Primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de doorzoeking van het voertuig van de verdachte onrechtmatig is geweest. Dit verzuim dient te leiden tot bewijsuitsluiting van het aangetroffen wapen en de aangetroffen munitie. Bij gebrek aan voldoende ander wettig en overtuigend bewijs dient de verdachte te worden vrijgesproken.

  2. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, nu sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdachte heeft geen wetenschap gehad ten aanzien van het in de auto aanwezige vuurwapen en de aanwezige munitie. De verdachte maakte immers slechts gebruik van de auto, maar deze was niet zijn eigendom.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Bewijsoverweging ad 1

Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat de doorzoeking van de auto van de verdachte onrechtmatig is geweest, overweegt het hof het navolgende.

De verdachte is op 4 december 2018 door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , die belast waren met autosurveillance, staande gehouden. Via de portofoon hoorden de verbalisanten dat de verdachte vuurwapengevaarlijk was. Verbalisant [verbalisant 1] heeft hem gevraagd naar de eventuele aanwezigheid van strafbare zaken, waaronder wapens. De verdachte heeft daarop de portieren van zijn auto en de kofferbak geopend, en daarbij gezegd: “Kijk maar”.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat hij de verdachte vervolgens heeft medegedeeld dat zij het voertuig gingen doorzoeken, waarna de verdachte daar toestemming voor heeft gegeven.2

Verbalisant [verbalisant 1] heeft zijn eerdere bevindingen, zoals opgenomen in het proces-verbaal, ten overstaan van de rechter-commissaris bevestigd, waarbij hij aanvullend heeft opgemerkt dat:

  • -

    hij weet dat er een verschil is tussen doorzoeken en kijken;

  • -

    hij het idee had dat de bestuurder (het hof begrijpt: de verdachte) begreep wat er aan de hand was, en

  • -

    hij geen teken heeft gekregen van de verdachte dat hij het niet wilde.3

Verbalisant [verbalisant 3] , die de doorzoeking heeft verricht, heeft gerelateerd dat hij hoorde dat verbalisant [verbalisant 1] aan de verdachte vroeg of hij toestemming wilde geven voor een vrijwillige doorzoeking van zijn voertuig. De verdachte heeft daarop geantwoord dat dat geen probleem was, aldus verbalisant [verbalisant 3] .4 Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat het woord ‘doorzoeking’ is gebuikt, waarna de verdachte toestemming heeft gegeven. Hij had de indruk dat de verdachte het begreep, mede omdat hij met armgebaren wuifde dat de verbalisanten hun gang mochten gaan.5

De verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij de verbalisanten weliswaar toestemming heeft gegeven in de auto te kijken, maar dat hij geen toestemming heeft gegeven de auto te doorzoeken. De verdachte heeft deze verklaring ter terechtzitting in hoger beroep herhaald.

In hetgeen door de verdediging is aangevoerd ziet het hof geen reden te twijfelen aan de door verbalisanten opgemaakte processen-verbaal, te meer niet nu deze op ambtsbelofte zijn opgemaakt en eveneens onder het verband van de belofte door hen ten overstaan van de rechter-commissaris zijn bevestigd. Uit die processen-verbaal volgt dat aan de verdachte is gevraagd om toestemming voor een doorzoeking van de auto en dat verdachte die toestemming uitdrukkelijk heeft verleend. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte de strekking van de vraag niet heeft begrepen. Het hof hecht dan ook geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij geen toestemming heeft gegeven de auto te doorzoeken.

Het hof is derhalve van oordeel dat de doorzoeking van de auto van de verdachte niet onrechtmatig is geweest en bezigt voornoemde processen-verbaal voor het bewijs.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer.

Bewijsoverweging ad 2

Voor wat betreft het verweer van de verdediging dat de verdachte geen wetenschap heeft gehad van het in de auto aanwezige vuurwapen en de munitie, leidt het hof uit het dossier de volgende feiten en omstandigheden af.

  • -

    De auto staat op naam van de moeder van de verdachte;

  • -

    De verdachte maakt gebruik van de auto;

  • -

    De verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard dat de persoon die ten tijde van de aanhouding de bijrijder van de verdachte was, niets met het vuurwapen te maken heeft (proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina 28);

  • -

    De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het wapen niet van zijn moeder is.

Uit de omstandigheid dat verdachte de gebruiker is van de auto waarin het vuurwapen is aangetroffen en de bijrijder en de kentekenhoudster volgens verdachte niets met het wapen te maken hebben, leidt het hof af dat verdachte degene is geweest die het wapen in de auto voorhanden heeft gehad. Gelet op het vorenoverwogene is sprake is van een situatie waarin, indien verdachte niet degene zou zijn die het wapen in de verborgen ruimte in de auto heeft gelegd dan wel zich van de aanwezigheid daarvan tenminste bewust is geweest, een verklaring van de verdachte mag worden gevergd voor het in de auto aantreffen van het wapen met munitie. De verdachte heeft zich bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg echter op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het wapen niet van hem was en dat ook andere personen gebruik maakten van de auto. De verdachte heeft echter geen namen genoemd van die andere personen, waardoor deze verklaring niet is gespecificeerd noch geverifieerd kan worden. Het hof hecht dan ook geen geloof aan zijn verklaring dat hij niet van de aanwezigheid van het wapen met munitie op de hoogte was.

Onder bovengenoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich aan de tenlastegelegde feiten heeft schuldig gemaakt.

Het hof verwerpt mitsdien ook dit verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Het onder 2 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn derhalve strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

De verdediging heeft het hof verzocht om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, doch in plaats daarvan te volstaan met een flinke voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.

Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat hij een geladen vuurwapen in de auto voorhanden heeft gehad. In het vuurwapen zaten vijf patronen waardoor het gebruiksklaar was. Het onbevoegd voorhanden hebben van wapens, met name vuurwapens, is maatschappelijk onaanvaardbaar vanwege de grote dreiging die daarvan uitgaat voor anderen. Dergelijke wapens kunnen gebruikt worden voor allerlei (levens)bedreigende activiteiten. Het voorhanden hebben daarvan vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde.

Het hof heeft bij de straftoemeting ten nadele van de verdachte meegewogen dat hij, blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 januari 2021, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, voorafgaand aan het bewezenverklaarde meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan is gebleken.

Tot slot heeft het hof aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor het enkele voorhanden hebben van een vuurwapen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden als passend beschouwd. Als strafverzwarend wordt onder meer genoemd de omstandigheid dat het vuurwapen geladen was en daarmee gebruiksklaar en verdachte het geladen vuurwapen in de auto vervoerde.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding om hier van af te wijken. Het is positief te noemen dat de verdachte zijn leven weer redelijk op de rit heeft, maar het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf al dan niet in combinatie met een taakstraf acht het hof volstrekt onvoldoende recht doen aan de ernst van het bewezenverklaarde.

Alle omstandigheden afwegende acht het hof, anders dan door de advocaat-generaal gevorderd, de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven en mr. N.J.L.M. Tuijn, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt en mr. V.A. Batelaan, griffiers,

en op 29 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. N.J.L.M. Tuijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Hieronder wordt - tenzij anders vermeld - telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie, Eenheid Zeeland-West-Brabant, District Hart van Brabant, DAP Hart van Brabant, registratienummer PL2000-2018285050, sluitingsdatum 5 december 2018, doorgenummerde dossierpagina’s 1-41. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 december 2019 (dossierpagina’s 10 en 11)

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [verbalisant 1] d.d. 1 juli 2019

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 december 2019 (dossierpagina’s 12 en 13)

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [verbalisant 3] d.d. 1 juli 2019