Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2820

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
200.294.869_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 9 september 2021

Zaaknummer : 200.294.869/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/367032 / JE RK 21-69

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende op een geheim adres,

in deze zaak woonplaats kiezende op het kantoor van haar advocaat in [kantoorplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S. Ben Ahmed,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de GI.

Deze zaak gaat over:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,

en

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- [de vader] (hierna te noemen: de vader).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 februari 2021, op schrift gesteld op 11 maart 2021.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 mei 2021, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor wat betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en, opnieuw rechtdoende, het inleidend verzoek van de GI daartoe alsnog af te wijzen, dan wel de duur van de machtiging uithuisplaatsing te beperken.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 15 juli 2021, heeft de GI verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en het hoger beroep van de moeder af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2021.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. S. Ben Ahmed;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .

2.3.1.

De vader en de raad zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2.3.2.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 25 februari 2021 (productie 4 beroepschrift).

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader zijn - voor zover hier van belang - geboren:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .

De moeder oefent het ouderlijk gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend.

De moeder heeft daarnaast nog vier kinderen, waarvan er drie niet bij haar wonen. Uit de relatie met de heer [betrokkene] heeft de moeder een zoon: [minderjarige 3] (2017). [minderjarige 3] woont bij de moeder.

3.2.

Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 maart 2020, op schrift gesteld op 13 maart 2020, zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, met ingang van 2 maart 2020 tot 2 maart 2021.

Bij beschikking van 4 juni 2020 is een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Bij beschikking van 22 juni 2020 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 2 juli 2020 tot 2 maart 2021. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn toen samen geplaatst in een gezinshuis.

Op 25 juni 2021 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] overgeplaatst naar de Mutsaersstichting.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , alsmede de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 2 maart 2021 tot 2 maart 2022.

3.4.

De moeder kan zich met deze beschikking voor zover het de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing betreft niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat - het volgende aan. Er is geen aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen. Het is haar gelukt om haar leven weer op de rit te krijgen. Ze is volledig abstinent van middelengebruik en heeft nog ambulante hulp van Novadic Kentron. De relatie met haar voormalige partner is verbroken en er is al een half jaar geen contact meer tussen hen. De moeder heeft haar financiën op orde en heeft een andere woning betrokken waardoor zij niet meer in dezelfde woonomgeving verblijft als voorheen. De samenwerking met de hulpverlening verloopt goed. Ze komt alle afspraken goed na en neemt ook zelf initiatief tot het hebben van contact met de hulpverlening. Een en ander heeft ertoe geleid dat de uithuisplaatsing van [minderjarige 3] inmiddels is beëindigd. Hij gaat gedurende een aantal dagen per week naar een medisch kinderdagverblijf en de moeder heeft daarnaast nog hulp voor zichzelf. Ze heeft haar persoonlijke problematiek goed onder controle en er is ook bij de hulpverlening geen enkele vrees voor een terugval.

De moeder begrijpt daarom niet dat er niet gewerkt wordt aan een traject tot thuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ze is blij dat de kinderen vanuit het gezinshuis zijn overgeplaatst naar de Mutsaersstichting, maar de inzet van hulpverlening aan de beide kinderen kan ook ambulant vanuit de thuissituatie worden gegeven. Zij heeft hard aan zichzelf gewerkt en kan het aan wanneer [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer thuis komen wonen.

3.6.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat – het volgende aan. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op 25 juni 2021 overgeplaatst naar de Mutsaersstichting. Hier wonen zij en gaan zij behandeling krijgen. Dat traject gaat minimaal een aantal maanden duren. Gedurende het traject zal ook de moeder intensief betrokken zijn en zullen er een of meerdere gezinsopnames volgen. Momenteel is er nog een observatieperiode gaande waaruit een behandelplan zal voortkomen. Gedurende de behandeling zal moeten blijken of de moeder dat wat de kinderen nodig hebben kan bieden en of de kinderen terug naar huis kunnen. De moeder maakt goede stappen, maar voor een thuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is het nog te vroeg. [minderjarige 3] woont sinds november 2020 weer bij de moeder thuis. Dat is voor de moeder op dit moment al zwaar genoeg. De moeder lijkt zichzelf hierin te overschatten. Daarnaast moet de moeder nog leren beter met haar emoties om te gaan, zodat zij daarin stabieler wordt. Zonder een machtiging uithuisplaatsing is er een risico dat de moeder zichzelf overschat en de kinderen te vroeg naar huis laat komen. Alle drie de kinderen lopen dan het risico om opnieuw uithuisgeplaatst te worden. De GI hoopt dat het behandeltraject ertoe leidt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer bij de moeder thuis geplaatst kunnen worden. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de GI verklaard daarop in te zetten.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.7.2.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.7.3.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen afweging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de hiervoor vermelde wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW.

Het hof overweegt in aanvulling daarop nog het volgende.

3.7.4.

Uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de kinderen sinds hun overplaatsing een positieve ontwikkeling doormaken. Op 25 juni jongstleden zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanuit het gezinshuis overgeplaatst naar de Mutsaersstichting. De gedragsproblemen die zij eerder in het gezinshuis vertoonden zijn bij de Mutsaersstichting fors afgenomen, hetgeen erop duidt dat de kinderen nu in de juiste behandelsetting zitten. Ook de moeder heeft een forse positieve ontwikkeling doorgemaakt.

3.7.5.

Ondanks deze positieve ontwikkelingen is een thuisplaatsing van de kinderen bij de moeder nu niet aan de orde. Eerst dient het verloop van de behandeling van de kinderen bij de Mutsaersstichting te worden afgewacht. De kinderen kampen immers met ernstige trauma’s uit het verleden en met complexe kindeigen problematiek. Het verblijf en de behandeling daarvoor bij de Mutsaersstichting is noodzakelijk. Momenteel is er een observatieperiode gaande waaruit voor beide kinderen een behandelplan zal voortkomen. Naar verwachting zullen meerdere behandelingen worden ingezet en zal het behandeltraject langere tijd gaan duren. De moeder zal hierbij intensief worden betrokken en er zullen één of meerdere gezinsopnames volgen, waarin ook de interacties van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met [minderjarige 3] zullen worden bezien. De GI zal in overleg met de Mutsaersstichting het verloop van het traject monitoren en zal ook steeds in overleg met de Mutsaersstichting bezien of thuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mogelijk is.

Gelet op het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in hun belang noodzakelijk. Het traject bij de Mutsaersstichting, waar de kinderen nu eindelijk aan de noodzakelijke professionele behandeling toekomen, moet leidend zijn. Het verzoek van de moeder de machtiging tot uithuisplaatsing in duur te beperken acht het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 februari 2021, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, J.C.E. Ackermans-Wijn en A.J.F. Manders en is op 9 september 2021 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.