Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2814

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
200.287.990_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vader staat alsnog niet achter zijn inleidend verzoek bij rechtbank tot verkrijgen gezamenlijk gezag. Beschikking rechtbank tot verkrijgen gezamenlijk gezag vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 9 september 2021

Zaaknummer: 200.287.990/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/258949 / FA RK 18-4971

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. D. Haacke,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. A. Hollman.

Deze zaak gaat over : [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2017.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 6 oktober 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift van 4 januari 2021, met producties, ingekomen bij het hof op 5 januari 2021, heeft de moeder verzocht de bestreden beschikking te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het verzoek van de vader tot het uitoefenen van het gezamenlijk ouderlijk gezag wordt afgewezen.

2.2.

Bij brief van 3 februari 2021, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, heeft de vader aangegeven geen verweer te voeren tegen het hoger beroep en te accepteren dat de moeder het eenhoofdig gezag zal krijgen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennis genomen van:

- het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 18 januari 2021, ingekomen bij het hof op 20 januari 2021, met bijlagen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 juli 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Y. Kayabasi, waarnemend advocaat,

- de vader, bijgestaan door mr. J. Jansen, waarnemend advocaat,

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad].

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie tussen de moeder en de vader is geboren:

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2017 (hierna: [minderjarige]).

3.2.

[minderjarige] is door de vader erkend. [minderjarige] woont bij de moeder.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking – heeft de rechtbank

bepaald dat de moeder en de vader voortaan gezamenlijk het gezag zullen uitoefenen over

[minderjarige]. Daarnaast heeft de rechtbank een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld, waarbij [minderjarige] (na een opbouwregeling) bij de vader zal zijn op iedere zaterdag van 09.30 uur tot 13.30 uur.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing ten aanzien van het gezag niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.1.

De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan. De ouders zijn niet in staat te communiceren, laat staan dat zij gezamenlijk beslissingen over [minderjarige] kunnen nemen. Het eerste traject bij [organisatie] op 12 november 2020 is dusdanig geëscaleerd, dat het traject vroegtijdig is beëindigd. Er zal nog veel moeten gebeuren voordat de ouders een normaal overleg kunnen voeren gelet op het wantrouwen, verschil in inzicht en verschil in achtergrond.

3.5.

De vader voert – kort samengevat – het volgende aan. De vader accepteert dat de moeder het eenhoofdig gezag zal krijgen. De vader hoopt dat er meer ruimte komt voor uitbreiding van de omgang tussen hem en [minderjarige], indien de moeder het eenhoofdig gezag krijgt over [minderjarige].

3.6.

De raad voert – kort samengevat – het volgende aan. In de ideale situatie zou er sprake zijn van gezamenlijk gezag. Gelet op de onderlinge verhoudingen en het feit dat beide ouders aangeven dat zij in deze situatie veel stress ervaren is gezamenlijk gezag op dit moment niet haalbaar.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.
Indien de andere ouder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel

1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.7.2.

Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren is het van belang dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, tenminste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, ligt gezamenlijk gezag in de rede, tenzij andere redenen eenhoofdig gezag noodzakelijk maken.

3.7.3.

Het hof maakt uit hetgeen de vader tijdens de mondelinge behandeling bij het hof naar voren heeft gebracht op dat de vader het door hem in eerste aanleg ingediende verzoek tot het verkrijgen van het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] niet langer handhaaft. Hoewel de vader dit verzoek niet alsnog heeft ingetrokken, begrijpt het hof uit de verklaring van de vader dat hij niet meer achter zijn verzoek tot het verkrijgen van gezamenlijk gezag staat. Zo heeft de vader aangegeven vrees te hebben voor een situatie waarin er nog meer procedures komen tussen de ouders indien het gezamenlijk gezag gehandhaafd blijft. Daarnaast heeft de vader aangegeven dat de communicatie tussen de ouders zeer slecht is, hetgeen door de moeder bevestigd is. Bovendien hebben beide ouders aangegeven dat de huidige situatie waarin zij gezamenlijk het gezag uitoefenen hen veel stress oplevert.

Gelet op het voorgaande is afwijzing van het verzoek in het belang van de minderjarige noodzakelijk en zal het hof de bestreden beschikking vernietigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en het inleidend verzoek van de vader alsnog afwijzen.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 6 oktober 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, doch uitsluitend voor zover dat ziet op de beslissing ten aanzien van de gezagsuitoefening;

wijst alsnog af het inleidend verzoek van de vader tot het verkrijgen van het gezag over [minderjarige];

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van

deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, J.C.E. Ackermans-Wijn en

E.P. de Beij en is op 9 september 2021 door mr. E.A.M. Scheij uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.