Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2811

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
200.295.190_02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof komt niet toe aan belangenafweging omdat schorsingsverzoek onvoldoende met stukken is onderbouwd. Afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 9 september 2021

Zaaknummer: 200.295.190/02

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/350244 / FA RK 19-4248_2

op het incidenteel verzoek in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te

[woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. S.A. Ray,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te

[woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.H. Kroon.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 maart 2021.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 juni 2021, heeft de man, voor zover in deze procedure van belang, verzocht de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van genoemde beschikking van 23 maart 2021 te schorsen in afwachting van de eindbeschikking van het hof in hoger beroep (zaaknummer 200.295.190/01).

2.2.

Bij verweerschrift tevens houdende incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 19 juli 2021, heeft de vrouw, voor zover in deze procedure van belang, verzocht om het verzoek van de man in het incident, te weten de schorsing van de uitvoerbaarver-klaring bij voorraad van de bestreden beschikking in afwachting van de eindbeschikking van het hof, af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling van het incident heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Ray;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Kroon.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V8-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de man op 14 juni 2021;

  • -

    het V8-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de man op 27 juli 2021.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 30 december 2012 gehuwd in Marokko.

3.2.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats];

  • -

    [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats];

  • -

    [minderjarige 3] (hierna te noemen: [minderjarige 3] ), op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats], (hierna ook: de kinderen).

3.2.1.

Partijen hebben zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit.

3.3.

De man is op 19 augustus 2019 een echtscheidingsprocedure gestart in Marokko.

De vrouw heeft op 5 september 2019 een verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant.

3.4.

De rechtbank te Marrakesh heeft op 12 maart 2020 de echtscheiding gesproken van het op 30 december 2012 tussen partijen gesloten huwelijk in Marokko. Tevens zijn daarbij nevenvoorzieningen uitgesproken ten aanzien van het zorgrecht voor de kinderen, een omgangsregeling en de kinderalimentatie. Uit de uitspraak blijkt dat de vrouw in Marokko in de procedure is verschenen en dat zij via een Marokkaanse procureur verweer heeft gevoerd.

3.5.

De rechtbank Oost-Brabant heeft in de tussenbeschikking van 26 juni 2020 (in het lichaam van de beschikking) overwogen dat:

  • -

    het Marokkaanse huwelijk van partijen op grond van artikel 10:31 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in Nederland wordt erkend;

  • -

    dat het Marokkaanse huwelijk van 30 december 2012 rechtsgeldig is (partijen zijn het daar feitelijk over eens);

  • -

    het Nederlandse huwelijk tussen partijen nietig is.

3.5.1.

Bij deze tussenbeschikking heeft de rechtbank Oost-Brabant verder beide partijen (in het dictum) in de gelegenheid gesteld om:

  • -

    de rechtbank te informeren over de erkenning van de Marokkaanse uitspraak inzake de echtscheiding tussen partijen;

  • -

    zo de Marokkaanse echtscheidingsuitspraak is erkend, zich uit te laten over de erkenning van de door de Marokkaanse rechter getroffen nevenvoorzieningen;

  • -

    zo de rechtbank moet oordelen over de verzochte voorzieningen voor de kinderen, een ouderschapsplan over te leggen dan wel gemotiveerd aan te geven waarom dat niet mogelijk is;

  • -

    zich uit te laten over de vraag of de Nederlandse vertaling van de Marokkaanse uitspraak een fout bevat voor wat betreft de onderhoudsbijdrage voor de kinderen.

3.6.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank, voor zover in deze procedure van belang:

  • -

    voor recht verklaard dat de uitspraak van de rechtbank te Marrakesh, Marokko, Sector Familierecht, van 12 maart 2020 met beschikkingsnummer 1255/2020 waarbij tussen partijen de echtscheiding is uitgesproken in Nederland wordt erkend op grond van artikel 10:57 BW;

  • -

    bepaald dat de man met ingang van de datum van de bestreden beschikking moet betalen aan de vrouw tot verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) een bedrag van € 557,79 per kind per maand;

  • -

    het bedrag dat de man met ingang van de datum van de bestreden beschikking moet betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) bepaald op € 1.200,- per maand tot aan 21 juli 2021 en op € 2.600,- vanaf 21 juli 2021.

3.7.

De man heeft, naast zijn inhoudelijke grieven tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de door de man te betalen kinder- en partneralimentatie, tevens een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad ingediend in het incident. Dit laatste verzoek in het incident is thans met voorrang door het hof behandeld.

3.8.

De man voert in het incident - samengevat - het volgende aan.

De door de rechtbank vastgestelde kinder- en partneralimentatie is gebaseerd op een onjuist inkomen van de man. De man heeft in 2020 een periode van vier tot vijf maanden een hoger inkomen gehad. Hij is -vanwege een intern probleem- tijdelijk ingesprongen bij het trainen van het eerste elftal en heeft daarvoor bonussen ontvangen. Daarna is de man teruggekeerd naar de functie van assistent-trainer van zijn eigen team, dan wel in een ander team; de bonussen zijn toen vervallen. De man heeft een negatieve draagkracht.

Daarnaast betaalt de man op dit moment dubbel. Hij betaalt de bedragen die aan hem zijn opgelegd in de Marokkaanse uitspraak en hij betaalt kinder- en partneralimentatie conform de bestreden beschikking. De rechtbank in Marokko heeft als eerste uitspraak gedaan en die uitspraak moet daarom worden geëerbiedigd. De man verkeert inmiddels in financiële nood. Hij heeft dusdanig moeten interen op zijn spaargeld dat hij op zijn spaarrekening nog een saldo van € 50,- heeft staan. Op de betaalrekening van de man staat nog maar een saldo van € 11,30. De man betwist dat hij onroerend goed in Marokko op zijn naam heeft staan en daaruit inkomen heeft. Hij heeft in een andere procedure kadastrale gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de panden waar de vrouw op doelt, op naam van iemand anders staan.

Indien partijen uitvoering moeten geven aan de bestreden beschikking zal voor de man een situatie ontstaan die niet zonder meer terug te draaien valt. De man zal steeds dieper in de schulden raken en het zal voor hem niet eenvoudig zijn om de betalingsachterstanden allemaal in te lopen. Daarnaast loopt de man het risico dat de vrouw de door haar teveel ontvangen alimentatie niet terug kan betalen. De man heeft daarom een belang bij de schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking.

3.9.

De vrouw voert in het incident - samengevat - het volgende aan.

Er is geen reden om het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking toe te wijzen. De man heeft zijn stelling dat hij inmiddels in financiële nood verkeert op geen enkele manier onderbouwd. Hij heeft onvoldoende gegevens overgelegd. De stukken die hij wel heeft overgelegd zijn van een oude datum, dan wel onvoldoende specifiek. Verder berust de uitspraak van de rechtbank niet op een kennelijke misslag. De rechtbank heeft de door de man te betalen alimentatie vastgesteld aan de hand van de door de man overgelegde gegevens. Verder wordt de uitspraak van de Marokkaanse rechtbank door de vrouw niet ten uitvoer gelegd, omdat dit niet mogelijk is.

De vrouw weerlegt bovendien het standpunt van de man dat hij in financiële nood verkeert. Uit de door de vrouw overgelegde stukken volgt dat de man onroerend goed in Marokko op zijn naam heeft staan en dat hij hieruit huurpenningen ontvangt. De man heeft daarom voldoende inkomsten om de door de rechtbank vastgestelde kinder- en partneralimentatie te betalen. De man heeft geen belang bij de door hem verlangde schorsing van de tenuitvoer-legging. Zelfs indien de man wel een belang zou hebben, dan weegt het belang van de vrouw om de bestreden beschikking direct ten uitvoer te leggen zwaarder dan het belang van de man bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. De vrouw is voor haar levensonderhoud en dat van de kinderen volledig afhankelijk van de door de man te betalen alimentatie.

3.10.

Het hof overweegt het volgende.

3.10.1.

Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.

3.10.2.

Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen in beginsel bevoegd is die beschikking te executeren, ook indien tegen de beschikking hoger beroep is ingesteld. Voor de maatstaven die behoren te worden aangelegd bij de beoordeling van het onderhavige verzoek, geldt op grond van vaste rechtspraak dat de incidenteel verzoeker belang moet hebben bij de door hem verlangde schorsing van de tenuitvoerlegging. Volgens vaste rechtspraak (zie HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026) moeten daarbij de volgende maatstaven worden aangelegd.

  1. Uitgangspunt is dat een beslissing, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn. Afwijkingen van dit uitgangspunt kunnen gerechtvaardigd zijn. Daarbij valt te denken aan omstandigheden die meebrengen dat het belang van een partij bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan.

  2. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen beschikking en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de bestreden beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.

  3. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de verzoeker aan zijn verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken beschikking hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. Dit is anders in het geval deze beslissing berust op een kennelijke misslag.

3.10.3.

Het hof stelt vast dat de rechtbank de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad niet heeft gemotiveerd, zodat de hiervoor onder c vermelde maatstaf niet geldt en moet worden beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor onder a en b is vermeld.

3.10.4.

Het hof is op grond van de stukken en het besprokene op de mondelinge behandeling in hoger beroep van oordeel dat het hof de hiervoor onder a en b vermelde belangenafweging niet kan maken, omdat de man onvoldoende met onderliggende stukken inzichtelijk heeft gemaakt hoe zijn financiële situatie op dit moment is. De man heeft daarmee zijn stelling dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking voor hem leidt tot een financiële noodtoestand niet (voldoende) onderbouwd, wat voor zijn rekening en risico komt. Daarbij komt dat de vrouw deze stelling van de man gemotiveerd heeft weerlegd. De vrouw heeft in deze procedure stukken overgelegd op grond waarvan zij stelt dat de man onroerend goed in Marokko op zijn naam heeft staan waaruit hij huurpenningen ontvangt. De man heeft deze stelling van de vrouw weliswaar betwist door ter mondelinge behandeling op te merken dat hij in een andere procedure kadastrale gegevens in het geding heeft gebracht waaruit het tegendeel zou blijken, maar het hof kan alleen maar constateren dat het hof niet over deze stukken beschikt en zal daarom hieraan voorbij gaan.

3.11.

Op grond van het voorgaande zal het hof het verzoek van de man afwijzen.

4 De beslissing op het incident

Het hof:

wijst af het verzoek van de man tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 maart 2021, voor wat betreft de daarbij vastgestelde kinder- en partneralimentatie.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, E.P. de Beij en C.L.M. Smeets en is in het openbaar uitgesproken door mr. C.N.M. Antens op 9 september 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.