Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2805

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
20-000027-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

OVAR. Geslaagd beroep op noodweer. Verdachte werd onverwachts geconfronteerd met het door een overmacht aan personen van een motorbende op het terras voor het cafe op excessieve wijze mishandelen van drie personen. Als de mishandelingen niet waren gestopt dreigde dat de drie mishandelde personen zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen eventueel met de dood tot gevolg. De verdachte kon dat terras niet rechtstreeks bereiken omdat de deur naar het terras was afgesloten. Hij heeft toen een vuurwapen gepakt en ter afschrikking door het raam een projectiel in de richting van het terras en de zich daarop/daarbij bevindende personen afgevuurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-000027-21

Uitspraak : 9 september 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen, na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 20 januari 2017, parketnummer 03-702640-15 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren [geboortegegevens] ,

wonende [adresgegevens 1] .

Het procesverloop

Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

-feit 1 primair: poging tot doodslag, meermalen gepleegd, en

-feit 2: overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank heeft ten aanzien van feit 1 primair het door de verdachte gedane beroep op noodweerexces gehonoreerd en hem te dier zake ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van feit 2 heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot een geldboete van

€ 550,- subsidiair 11 dagen vervangende hechtenis met aftrek van voorarrest naar de maatstaf van € 50,- per dag.

Namens de officier van justitie is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld, waarbij in de appelakte het hoger beroep uitdrukkelijk is beperkt tot de beslissing ter zake van hetgeen aan de verdachte onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair is ten laste gelegd.

In hoger beroep heeft het hof bij arrest van 19 juni 2019 (parketnummer 20-000381-17) het vonnis van de rechtbank - voorzover aan zijn oordeel onderworpen – vernietigd en de verdachte terzake van het onder 1 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 46 maanden waarvan 24 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 15 december 2020 (rolnummer 19/03044) het bestreden arrest vernietigd en de zaak teruggewezen naar dit hof, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad - gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en de verdachte ter zake van feit 1 primair zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft betoogd dat slechts kan worden bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer 4] . Hij dient dan ook te worden vrijgesproken van poging tot doodslag op de overige in de tenlastelegging genoemde personen. Voorzover een poging tot doodslag op een of meer personen bewezen wordt verklaard heeft de verdediging betoogd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces en op die grond van alle rechtsvervolging moet worden ontslagen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd:

1. primair:
dat hij op of omstreeks 7 mei 2015 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 13] en/of [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15] , althans een of meer perso(o)n(en), zich bevindend op de openbare weg achter het raam, opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 13] en/of [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15] , althans een of meer perso(on)n(en), zich bevindend op de openbare weg (achter het raam) heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 7 mei 2015 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 13] en/of [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15] , althans een of meer perso(o)n(en), zich bevindend op de openbare weg achter het raam opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen doordat hij met een vuurwapen op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 13] en/of [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15] , althans een of meer perso(o)n(en), zich bevindend op de openbare weg (achter het raam) heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 7 mei 2015 te Sittard, in gemeente Sittard-Geleen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 13] en/of [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 15] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen op hen gericht en/of met een vuurwapen op een of meerderen van hen geschoten.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

hij op 7 mei 2015 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 4] en [slachtoffer 7] en andere personen, zich bevindend op de openbare weg achter het raam, opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen op die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 7] en andere personen, zich bevindend op de openbare weg (achter het raam) heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen 1

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna genoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Feitenvaststelling

Hoewel het hof zich vrijwel geheel kan verenigen met de feitenvaststelling door de rechtbank in het bestreden vonnis, zal het hof hierna – mede voor de leesbaarheid van het arrest – zelf de voor de beoordeling van het ten laste gelegde relevante feiten en/of omstandigheden vaststellen.

Voorafgaand aan de gebeurtenis op 7 mei 2015 heeft [naam uitbaatster] , uitbaatster van café [naam cafe] aan de [adresgegevens 2] te Sittard, naar aanleiding van een incident in het café, op 25 januari 2015 aangifte gedaan van bedreiging door [slachtoffer 2] en zes andere leden van de vereniging van motorrijders [motorbende] , hierna: [motorbende] . Naar aanleiding van deze aangifte heeft verbalisant [naam verbalisant] op 27 januari 2015 een nazorggesprek gevoerd met [naam uitbaatster] en haar partner, de verdachte. De verdachte is enige tijd voorzitter geweest van de vereniging van motorrijders [naam vereniging] . Hij vertelde tijdens het nazorggesprek dat hij naar aanleiding van het incident van 25 januari 2015 in het café van [naam uitbaatster] enkele voorzorgsmaatregelen zou treffen, bestaande uit frequentere aanwezigheid van hem en zijn motorclubvrienden in het café. Indien leden van de [motorbende] weer naar het café zouden komen, zouden de verdachte en zijn vrienden de confrontatie aangaan en zich verdedigen. Zelf zouden zij geen confrontatie uitlokken.

Voorts vertelde de verdachte bij die gelegenheid dat hij [naam uitbaatster] en hun zoontje altijd zal beschermen en indien nodig daarbij de wet zal overtreden2.

Op 7 mei 2015 omstreeks 20:21 uur werden verbalisanten [naam verbalisanten] door de centralist van de regionale meldkamer gestuurd naar café [naam cafe] , [adresgegevens 2] te Sittard. Aangekomen in de straat zagen zij ongeveer vijftien, als leden van de [motorbende] geklede personen in diverse auto’s stappen. Onder hen herkenden zij [slachtoffer 2] , de president van de [motorbende] . Verder zagen zij voor café [naam cafe] twee personen op de grond zitten, die diverse verwondingen in het gelaat hadden. Deze personen bleken te zijn genaamd [mishandelde 1] en [mishandelde 2] . Verder zagen de verbalisanten aan de voorzijde van het café een omgevallen motor liggen en in het raam van het café, gezien vanaf de buitenzijde ter linkerzijde van de toegangsdeur, een beschadiging zitten gelijkend op een in- of uitschot van een projectiel. [mishandelde 2] en [mishandelde 1] verklaarden desgevraagd dat nog een derde persoon gewond was geraakt. Deze persoon werd aangetroffen en verbalisant [naam verbalisant] herkende deze persoon als [mishandelde 3] . [mishandelde 3] bleek eveneens in het gelaat gewond. Verbalisanten [naam verbalisanten] gingen het café binnen, waar geen andere personen aanwezig waren dan de verdachte en [naam uitbaatster] 3.

[mishandelde 2] was op 7 mei 2015 rond 20:30 uur met twee vrienden bij café [naam cafe] in Sittard. Op of nabij het terras van het café zag hij vijftien tot twintig personen staan, kennelijk allen leden van de [motorbende] . Hij herkende onder andere [slachtoffer 2] . Hij hoorde deze [slachtoffer 2] schreeuwen: “Ik heb jullie gewaarschuwd, dit is Holland, dit is Holland, dit is Holland.” Daarna is [mishandelde 2] mishandeld door een aantal van de tot deze groep behorende personen. Hij is op zijn rug gevallen en heeft ongeveer tien keer een klap op zijn hoofd gekregen. Vervolgens waren ineens alle tot deze groep behorende personen verdwenen. [mishandelde 2] is opgestaan en zag een kogelinslag in de ruit van café [naam cafe] . Deze inslag bevond zich ongeveer op 1.80 meter hoogte links van het midden van de ruit, direct links naast de toegangsdeur naar het café, een en ander gezien vanaf de buitenzijde van het café4.

[mishandelde 1] kwam op 7 mei 2015 omstreeks 20:15 uur aanrijden op zijn motor bij café [naam cafe] . Hij zag dat een groep van ongeveer twintig personen, kennelijk allen leden van de [motorbende] , voor het café stond. Hij hoorde iemand roepen dat Sittard van de [motorbende] is. Aan het gestamel te horen was dit [slachtoffer 2] . [mishandelde 1] werd daarna geslagen en getrapt door personen behorende tot deze groep5.

Verbalisant [naam verbalisant] heeft een technisch sporenonderzoek verricht naar aanleiding van het vermoeden van het gebruik van een vuurwapen in of bij het café [naam cafe] . Hij heeft in het naar aanleiding van dat onderzoek opgemaakte rapport gerelateerd dat hij in een grote ruit van dubbel glas in de pui aan de pleinzijde van het café een gat heeft waargenomen. Volgens [naam verbalisant] is het gat een doorschotopening van een projectiel. Gezien de verschijningsvorm van de beschadigingen in beide glasruiten stelt [naam verbalisant] dat het projectiel van binnen naar buiten is gegaan. Gezien de aangetroffen situatie kan worden gesteld dat het projectiel vanuit de caféruimte de glasruit heeft geperforeerd. Op het plein voor het café werden over een grote afstand glassplinters aangetroffen. Aan de ruitzijde in het café werden geen glasdeeltjes aangetroffen6.

Het gat in de ruit bevond zich op een hoogte van ongeveer 1.75 meter7.

Naar aanleiding van de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg8, inhoudende dat er geen hoogteverschil is tussen de vloer binnen in het café en de bestrating van het terras voor het caféraam buiten het café, moet worden aangenomen dat het geen verschil maakt of deze hoogte aan de binnenzijde, dan wel aan de buitenzijde van de ruit wordt gemeten.

Direct nadat de mishandelingen bij café [naam cafe] hebben plaatsgehad, zijn vertrouwelijke gesprekken opgenomen, gevoerd door personen die deel uitmaakten van de groep die [mishandelde 1] , [mishandelde 2] en [mishandelde 3] heeft mishandeld.

Daarin zegt [slachtoffer 4] : “Heb ik geluk gehad jongen…over mijn kop heen…André, die stond er met zijn gezicht naar toe. Ik met mijn kop…Maar hij schoot wel…net boven mijn kop hè…dus ik hoorde ‘knal’, ik hoorde dat glas achter op mijn kop…En, en André kreeg hem vol in zijn gezicht…Dat glas dan hè…Nee, over ons heen… Bij mij zitten geen knokkels meer zie je, alleen van het knokken.

Ik heb ook ene flink te pakken gehad, heb je dat gezien?...Die Marco die sloeg toch een over dat schot heen. Die heb ik op zijn kóp staan stampen….Ik was hem zo op zijn kop aan het rammen… Maar ik dacht dat iemand een stoel tegen de raam aan gooide. In eerste instantie. Maar toen hoorde ik: Er wordt geschoten…En toen keek ik.. en toen zag ik dat gat zitten. William daar zat zo’n stukje over mijn kop heen…Maar die heeft ons gewoon van die gasten af willen halen. Klaar! Zo is het gewoon. Ook niet over piepen, vind ik…”

[slachtoffer 6] zegt: “Ik sloeg er een met de boksbeugel over zijn gezicht heen…Ja maar heb je André gezien, die had heel zijn gezicht vol met glas… Ik vraag me eigen af wie dat was die met dat geel shirtje…Ja maar het kwam van binnen uit…Kléts…Dat was die met dat geel shirtje, want ik keek door het raam heen en zag hem staan…Ja, maar dan ken je nagaan hoe dicht dat bij hem er langs afging dan…Maar die ene lag…toen Marco…Maar op een gegeven moment eh, want Wilfried begon he?...Jaaaa, die begon, maar eh…want toen die zoveel klappen, dat Marco zei: Moet je je maatje niet helpen? En toen begon Marco he? Klets,klets… en toen sprong Geert en ikke met Geert op die ene… Marco was aan het trappen in het Spaans “Punta”…Ja, het was misschien ook wel precies op tijd, dat “dat” gebeurde, anders slaan we misschien ene half lam of zo?... Die Marco…en hij was aan het schoppen met zijn lange stelten”9.

De opnameapparatuur die zich in café [naam cafe] bevond, is in beslag genomen10.

Geconstateerd is dat de tijd die bij de beelden is vermeld, 29 minuten en 42 seconden achterloopt op de werkelijke tijd11.

Camerabeelden

In eerste aanleg zijn de camerabeelden ter terechtzitting door de rechtbank bekeken en de rechtbank heeft haar eigen waarneming neergelegd in het vonnis waarvan beroep12. Ook het hof heeft kennisgenomen van de camerabeelden, zij het buiten het verband van de terechtzitting in hoger beroep, en verenigt zich met voornoemde eigen waarneming van de rechtbank, neemt deze over en bezigt deze tot het bewijs. Het stelt daarbij vast dat de camerabeelden tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde zijn gesteld, ook de verdediging en het openbaar ministerie van die camerabeelden kennis hebben kunnen nemen (en ook hebben genomen) en ter terechtzitting in hoger beroep door de aanwezige verdachte, de raadslieden en de advocaat-generaal geen bezwaar is gemaakt tegen het niet vertonen van die camerabeelden bij gelegenheid van die terechtzitting. Integendeel, de verdediging en de advocaat-generaal hebben desgevraagd laten weten dat zij zich kunnen vinden in de door de rechtbank in het vonnis neergelegde weergave van de eigen waarnemingen en geen behoefte te hebben aan het (nogmaals) vertonen van de camerabeelden ter terechtzitting in hoger beroep.

Bestand 1, beelden opgenomen aan de buitenzijde van het café:

Tijdaanduiding 19.52.00 uur tot en met 20.01.14 uur: de verdachte spreekt met een persoon, die kennelijk lid is van de vvm (de) [motorbende] en loopt met hem mee naar een stilstaande personenauto aan de rand van het plein aan de [adresgegevens 1] . Vervolgens spreekt hij met een persoon die zich in deze personenauto bevindt. Daarna loopt de verdachte weer terug naar het café [naam cafe] . Om 19.58 uur komt een aantal personenauto’s aangereden. Uit deze auto’s stappen personen, allen kennelijk lid van de vvm (de) [motorbende] . De groep van personen begeeft zich op weg naar het café [naam cafe] (20.00.15 uur). Om 19.59.03 uur waren daar juist per motorfiets gearriveerd [mishandelde 3] , [mishandelde 1] en [mishandelde 2] . Een persoon, vermoedelijk [slachtoffer 2] , spreekt vanaf de rand van het terras van het café, waarbij hij gesticulerende gebaren maakt. Vanaf 20.00.43 uur begint een aantal personen uit de groep [mishandelde 3] , [mishandelde 1] en [mishandelde 2] naar de grond te werken en te slaan, te schoppen en te trappen. Om 20.01.04 uur wordt een motorfiets omgeduwd met het kennelijk opzet om daardoor de op de grond liggende [mishandelde 3] , die even daarvoor al door een persoon met geschoeide voet op zijn hoofd werd besprongen, verder te blesseren. Om 20.01.08 uur is een glaswolk zichtbaar, komende vanaf de ruit links naast de voordeur van het café [naam cafe] .

Twee van de groep deel uitmakende personen, direct betrokken bij de mishandelingen, grijpen naar hun hoofd en verlaten, evenals alle andere van de groep deel uitmakende personen, spoorslags de plaats waar de mishandelingen plaats vinden.

Bestand 2, beelden opgenomen in het café:

19.59.59 uur tot en met 20.02.35 uur: zichtbaar is dat de verdachte, terwijl hij telefoneert, bij de deur van het café [naam cafe] staat. Even later gaat hij het café binnen. Om 20.00.31 uur wordt de toegangsdeur van het café door [naam uitbaatster] gesloten. De verdachte loopt vlak daarna naar de deur, maar kan niet naar buiten, kennelijk doordat deze deur is afgesloten.

Bestand 3, beelden opgenomen in het café:

19.51.40 uur tot en met 20.09.03 uur: [naam uitbaatster] telefoneert zowel om 19.51.40 uur als om 19.55.28 uur. Zoals uit het dossier is gebleken, meldt zij in beide gesprekken aan de politie

dat zij als leden van de vvm (de) [motorbende] kenbare personen in de buurt van het café heeft

gesignaleerd. Om 19.56.13 uur loopt de verdachte het café in. Hij telefoneert tot 19.58.43

uur.

Nadat de verdachte tweemaal onder de bar heeft gekeken, is om 20.01.06 uur zichtbaar dat hij onder de bar een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn handen pakt en daarmee een beweging van beneden naar boven maakt. Dan verdwijnt de verdachte uit het beeld.

De bij de beschrijving van de beelden aangegeven tijden betreffen de tijden zoals deze op de

beelden zijn weergegeven.

Heeft de verdachte met het vuurwapen geschoten?

Hoewel er door de verdediging ter zake geen verweer is gevoerd, zal het hof deze vraag wel bespreken nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, niet heeft willen verklaren of hij al dan niet met het vuurwapen heeft geschoten.

De rechtbank heeft hieromtrent het navolgende vastgesteld13.

De rechtbank stelt na waarneming van de beelden vast dat de verdachte omstreeks 20.01.06 (+ 29 minuten en 42 seconden) uur een op een vuurwapen gelijkend voorwerp onder de bar in zijn handen pakt en daarmee een beweging van beneden naar boven maakt.

Hij staat aan de rechterkant van het barmeubel, dat in een rechte lijn staat met de ruit - van binnenuit gezien rechts naast de toegangsdeur van café [naam cafe] - waar doorheen is geschoten. De verdachte is op dat moment de enige in het café waarneembare persoon en heeft een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn handen. Volgens de verklaring van de verdachte betreft het een pistool.

Om 20.01.08 (+ 29 minuten en 42 seconden) uur is een glaswolk zichtbaar, komende vanaf - van buitenaf gezien - de ruit links naast de voordeur van café [naam cafe] . De glasscherven liggen buiten het café.

Het hof neemt deze vaststelling over en maakt deze tot de zijne.

De verdachte heeft verklaard dat hij zichzelf op de in het café opgenomen camerabeelden herkent als de persoon die een geel T-shirt draagt en dat het juist is dat op de camerabeelden zichtbaar is dat hij op een gegeven moment een pistool in zijn handen heeft14.

Vaststaat derhalve dat de verdachte een pistool heeft gepakt, daarmee een beweging van beneden naar boven heeft gemaakt, waarna slechts 2 seconden na het pakken van dat pistool een glaswolk zichtbaar is vanaf de ruit, de ruit waarin later een doorschotopening van een projectiel is aangetroffen, waarbij dat projectiel vanuit de caféruimte de ruit heeft geperforeerd. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die met een vuurwapen heeft geschoten, zoals ten laste gelegd. Dit vindt nog bevestiging in hetgeen [slachtoffer 6] in het OVC-gesprek zegt: “…Ja maar het kwam van binnen uit…Kléts…Dat was die met dat geel shirtje, want ik keek door het raam heen en zag hem staan”.

Levert het schieten met het vuurwapen door de verdachte een poging tot doodslag op?

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van een poging doodslag op andere in de tenlastelegging genoemde personen dan [slachtoffer 4] . Volgens de verdediging was er geen aanmerkelijke kans dat die andere personen door de kogel uit het vuurwapen van de verdachte zouden worden getroffen omdat zij ofwel te ver naar rechts of naar links, ofwel te ver naar achteren op terras stonden toen werd geschoten. Bovendien zou de verdachte in een hoek schuin naar boven hebben geschoten en dus geprobeerd hebben niemand te raken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip “aanmerkelijke kans” afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Het hof is van oordeel dat aan de hand van de hoogte van de kogelinslag in het raam kan worden vastgesteld dat de verdachte het vuurwapen heeft gericht op manshoogte (ongeveer 1.75 meter) en dat het met dat vuurwapen afgeschoten projectiel dan ook vitale lichaamsdelen van de zich op de openbare weg achter het raam aanwezige personen had kunnen treffen. Naar het oordeel van het hof bestond er dan ook een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans dat personen door de kogel dodelijk zou worden getroffen en dat de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. Dat de verdachte juist geprobeerd zou hebben bedoelde personen niet te raken omdat hij bewust schuin omhoog zou hebben geschoten, zoals door de verdediging is aangevoerd, is niet aannemelijk geworden. Het dossier biedt daarvoor geen aanwijzingen, terwijl de verdachte er zelf voor heeft gekozen op dit punt niet te verklaren. Het hof heeft bij dit oordeel betrokken de verklaring van de verdachte dat hij een ongeoefend schutter is.

Het hof heeft aan de hand van de camerabeelden (CH01 omstreeks 13:08 uur: griffier: het op de beelden vermelde tijdstip) kunnen waarnemen dat op het moment dat het projectiel het glas van het raam doorboord heeft, er zich 6 personen in of zeer nabij de schootsbaan daarvan hebben bevonden. Slechts ten aanzien van twee van hen kan het hof de identiteit vaststellen, te weten [slachtoffer 4] en [slachtoffer 7]15.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 7] alsmede op een viertal andere personen zich bevindend op de openbare weg achter het raam, zoals onder 1 primair is ten laste gelegd

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Ter terechtzitting heeft de verdediging, overeenkomstig de pleitnota, aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer als bedoeld in art. 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De verdediging heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen hij zich verdedigd heeft op een wijze die in verhouding staat tot de ernst van de aanranding, onder meer gelet op het feit dat er geen alternatieve wijze van verdedigen was.

De advocaat-generaal heeft zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat weliswaar sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding gericht tegen andermans lijf waartegen verdediging noodzakelijk was en dat het gebruik door de verdachte van het vuurwapen door er mee te schieten ter afschrikking gerechtvaardigd was, maar dat de verdachte daarbij de grenzen van proportionaliteit overschreden heeft door het schot op manshoogte in de richting van de groep vechtende mensen af te vuren, zodat het beroep op noodweer moet worden afgewezen.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Ingevolge art. 41, eerste lid, Sr is niet strafbaar hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten, al behoeft de omstandigheid dat een verdachte de hem tenlastegelegde gedraging ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg te staan.

Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een "ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding". De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van art. 41 Sr.

In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is “geboden door de noodzakelijke verdediging” worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was.

Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigings-middel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal.

Hoewel het hof zich vrijwel geheel kan verenigen met de feitenvaststelling door de rechtbank in het bestreden vonnis, zal het hof hierna – mede voor de leesbaarheid van het arrest – zelf de voor de beoordeling van de strafbaarheid van het bewezen verklaarde relevante feiten en/of omstandigheden vaststellen.

Op 7 mei 2015 vonden er voor café [naam cafe] te Sittard uiterst grove mishandelingen van enkele personen plaats door een overmacht van in een groep opererende personen. Daarbij werd gebruik gemaakt van wapens, waarmee zeer ernstige verwondingen kunnen worden veroorzaakt, zoals een boksbeugel en een op een ploertendoder gelijkend voorwerp16.

Dat er onmiddellijk gevaar dreigde dat de drie mishandelde personen zeer zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen, heeft het hof via de camerabeelden, die buiten het café [naam cafe] opgenomen zijn, zelf kunnen waarnemen. Ook uit het commentaar van [slachtoffer 6] en [slachtoffer 4]17 dat als deze mishandelingen niet gestopt waren, zij hun slachtoffers mogelijk blijvend letsel hadden bezorgd of hen zelfs dood zouden hebben getrapt, leidt het hof af dat er een onmiddellijk gevaar dreigde dat de mishandelde personen zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen, eventueel met de dood tot gevolg. Illustratief voor de aard van de mishandelingen is onder meer het door [slachtoffer 4] , na het nemen van een aanloop, springen en landen op het hoofd van [mishandelde 3]18.

De verdachte heeft bij het zien van deze mishandelingen een geladen pistool, dat hij onder de bar van het café had liggen, gepakt en daarmee vanuit het café op manshoogte een projectiel door het raam naar buiten afgevuurd, terwijl zich daar vlak achter een vechtende en dus bewegende groep mensen bevond. De verdachte heeft verklaard dat hij het pistool heeft gepakt ter afschrikking, dat hij “het” wilde beëindigen en dat het in zijn beleving afgelopen moest zijn omdat “het gewoon niet kon”19.

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden stelt het hof - met de advocaat-generaal en de verdediging - vast dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van een anders lijf door een groep van personen, die voor de verdachte in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend is geweest dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van art. 41 Sr en waarbij voor de verdachte een noodzaak tot verdediging bestond. Van hem kon niet worden gevergd dat hij zich aan deze aanranding zou onttrekken. Aan de subsidiariteitseis is derhalve voldaan.

De vraag die ter beantwoording voorligt is of de gedraging van de verdachte als verdedigingsmiddel al dan niet in onredelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding, waarbij de keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt bij de beoordeling centraal staat.

Het hof is van oordeel dat de gedraging van de verdachte in de gegeven omstandigheden niet in onredelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding, zodat aan de vereisten voor een geslaagd beroep op noodweer is voldaan.

Het hof overweegt daartoe dat de verdachte onverwachts werd geconfronteerd met het door een overmacht aan personen, bestaande uit ongeveer 15 tot 20 als groep opererende leden van de motorclub [motorbende] , op het terras voor het café, op excessieve wijze mishandelen van drie personen. Als de mishandelingen niet waren gestopt dreigde dat de drie mishandelde personen zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen, eventueel met de dood tot gevolg. De verdachte kon dat terras niet rechtstreeks bereiken omdat de deur naar het terras afgesloten was. Hij heeft toen, teneinde die mishandelingen ten spoedigste te doen stoppen, een vuurwapen gepakt en ter afschrikking door het raam een projectiel in de richting van het terras en de zich daarop/daarbij bevindende personen afgevuurd. Dit is 25 seconden na de aanvang van de mishandelingen gebeurd.

Dat het handelen van de verdachte potentieel dodelijk was voor (een van) de aanrander(s) maakt het oordeel van het hof, gelet op de aard, de ernst en de duur van de aanranding (en het daarmee gepaard gaande mogelijk potentieel gevaar voor het leven van de mishandelden) niet anders. Het hof volgt de advocaat-generaal dan ook niet in zijn stelling dat het gegeven dat het schot door de verdachte op manshoogte werd gelost aan een geslaagd beroep op noodweer in de weg staat.

Hoewel voor het oordeel van het hof niet relevant, merkt het hof nog op dat het handelen van de verdachte het door hem gewenste succes had: de gewelddadigheden zijn gestopt en de leden van de [motorbende] kozen (op een enkeling na) allen het hazenpad nadat het projectiel door het raam was afgevuurd. Of, zoals twee leden van de [motorbende] blijkens een OVC gesprek opmerkten:

W: “Ja, het was misschien ook wel precies op tijd, dat “dat” gebeurde, anders slaan we misschien ene half lam of zo?...”

K: “Ja, maar dan stamp je hem misschien dood. Ik was hem zo op zijn kop aan het rammen”.

Het verweer slaagt.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde niet strafbaar, en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Aldus gewezen door:

mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,

mr. V.M. van Daalen-Mannaerts en mr. M.A.M. Wagemakers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,

en op 9 september 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.A.M. Wagemakers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Voorzover hierna wordt verwezen naar bewijsmiddelen zijn deze afkomstig uit het proces-verbaal van de politie [Aanduiding proces-verbaal] , bestaande uit de doorgenummerde dossierpagina’s 1 t/m 203.

2 proces-verbaal van bevindingen, ZD9A pagina 38-39

3 proces-verbaal van bevindingen, ZD9A, pagina 51-53

4 proces-verbaal van aangifte door [mishandelde 2] , ZD9A, pagina 66-70

5 proces-verbaal van aangifte door [mishandelde 1] , ZD9A, pagina 76-77

6 proces-verbaal sporenonderzoek ZD9A, pagina 88

7 het stamproces-verbaal ZD9A, pagina 16

8 proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 6 januari 2017, pagina 2

9 het stamproces-verbaal ZD9A, pagina 19- 24

10 proces-verbaal van bevindingen ZD9A, pagina 64

11 proces-verbaal uitkijken video 7 mei 2015 ZD9A, pagina 102

12 eigen waarneming van de rechtbank, weergegeven op pagina’s 4 en 5 van het vonnis dd. 20 januari 2017.

13 vonnis, pagina 6, tweede alinea.

14 proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 6 januari 2017, pagina 2

15 ZD9A pagina 105 in combinatie met de inhoud van de OVC gesprekken als hiervoor weergegeven

16 proces-verbaal uitkijken video 7 mei 2015, zaaksdossier ZD9A, pagina 105

17 proces-verbaal zaaksdossier, ZD9A, pagina 19-23

18 proces-verbaal zaaksdossier ZD9A, pagina 105

19 proces-verbaal terechtzitting eerste aanleg 6 januari 2017