Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:28

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-01-2021
Datum publicatie
20-01-2021
Zaaknummer
200.243.826_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:2947
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Executoriaal beslag. Verklaring. Onjuist? VOF en vennoot

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.243.826/01

arrest van 12 januari 2021

in de zaak van

[appellante] ,

hierna: [appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. A.P.E. de Brouwer te Roosendaal,

tegen:

1 [de V.O.F.] ,

gevestigd te Roosendaal,

2. [geïntimeerde 2],

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats] ,

hierna: gezamenlijk de [geïntimeerden] , afzonderlijk de [de V.O.F.] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal,

op het bij exploot van dagvaarding van 4 juli 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 11 april 2018, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellante] als eiseres en de [geïntimeerden] als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/331417 / HA ZA 17-376)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het vonnis van 20 september 2017.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord, met een productie;

  • -

    het pleidooi van 3 november 2020, waarbij de advocaten pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep gaat het hof uit van de feiten die de rechtbank heeft vastgesteld in het bestreden vonnis onder 3.1. Voor zover relevant vult het hof de opsomming aan met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan.

  1. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van 19 oktober 2016, hersteld bij vonnis van 30 november 2016, in de zaak van [appellante] tegen [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 2] veroordeeld tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 901.800,00, te vermeerderen met een bedrag van € 7.800,00 per maand met ingang van november 2016 tot de datum van betaling en levering van het gekochte registergoed, tot betaling van dagboeten van € 60.000,00 en tot betaling van de proceskosten van € 6.789,16, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na betekening van het vonnis tot de dag van volledige betaling.

  2. [appellante] heeft bij exploot van de deurwaarder van 3 februari 2017 deze vonnissen aan de [de V.O.F.] laten betekenen en executoir derdenbeslag laten leggen onder de [de V.O.F.] voor een bedrag van € 941.322,85, vermeerderd met rente en kosten.

  3. De [de V.O.F.] heeft op 21 maart 2017 een schriftelijke verklaring afgelegd, ondertekend door administrateur [administrateur] , inhoudende dat er tussen de [de V.O.F.] en [medevennoot 1] een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan uit hoofde waarvan [medevennoot 1] op het tijdstip van het beslag nog iets van de [de V.O.F.] had te vorderen, nu heeft te vorderen of nog te vorderen kan krijgen. Als rechtsverhouding is vermeld dat [medevennoot 1] medevennoot in de [de V.O.F.] is. Daarbij is vermeld dat aan [medevennoot 1] geen bedragen zijn verschuldigd omdat er sprake is van een negatief kapitaal met de cijfers die op dat moment bekend zijn.

  4. Uit de door de [geïntimeerden] overgelegde [de V.O.F.] -overeenkomst (productie 5 bij inleidende dagvaarding) blijkt – voor zover onweersproken – dat [geïntimeerde 2] en [medevennoot 2] vennoot zijn in de [de V.O.F.] . In artikel 8 van deze overeenkomst is bepaald: “Voorschotten op de winst, aan een of meer vennoten uitbetaald, zullen in de boekhouding als schuld van de betrokken vennoot aan de vennootschap worden vermeld (…)”.
    In artikel 11 van deze overeenkomst staat:
    “Van de nettowinst wordt jaarlijks uitgekeerd aan, of tegoed geschreven in de boekhouding der vennootschap voor ieder der vennoten. (…) De vennoten zijn bevoegd ieder een voor elk hunner nader te bepalen bedrag per week als voorschot uit de kas der vennootschap op te nemen”.

  5. Bij brief van 11 mei 2017 heeft de advocaat van [appellante] aan de [de V.O.F.] onder andere het volgende bericht:

“Naar mening van cliënte voldoet de derdenverklaring niet aan hetgeen in artikel 476b Rv daaromtrent is gesteld.

Allereerst is verklaard dat er een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan op grond waarvan de heer [geïntimeerde 2] op het tijdstip van het beslag nog iets van de [de V.O.F.] had, heeft of te vorderen krijgt.

Onder punt 4 wordt aangegeven dat de heer [geïntimeerde 2] vennoot is in voornoemde [de V.O.F.] maar dat de [de V.O.F.] geen bedragen zijn verschuldigd in verband met een negatief kapitaal ‘met de cijfers die op dit moment bekend zijn’.

Deze stelling wordt met geen enkel bewijs, zoals bedoeld in artikel 476b Rv lid 2, onderbouwd, ook niet met de heden toegezonden documenten. Immers, uit die documenten blijkt niet de stand van zaken ten tijde van het beslag. Bovendien wordt de akte uit 2012 betwist nu deze zich niet verhoudt met de recente uitlatingen van mevrouw [medevennoot 2] over een eventuele uitkoop van de heer [geïntimeerde 2] en de waarde van diens aandeel in de [de V.O.F.]

Hierbij verzoek ik en indien nodig sommeer ik u om uiterlijk maandag 15 mei a.s. mij aanvullende bescheiden toe te zenden waaruit blijkt dat de heer [geïntimeerde 2] ten tijde van het beslag niets te vorderen had, heeft of nog zal krijgen van de vennootschap onder firma.

Voor zover u niet aan deze sommatie voldoet heb ik opdracht uw [de V.O.F.] alsmede u als vennoten te dagvaarden op grond van artikel 477a lid 2 Rv en te vorderen u beiden te veroordelen in persoon (u bent immers hoofdelijk aansprakelijk als vennoot van een vennootschap onder firma) tot betaling van datgene waartoe de heer [geïntimeerde 2] jegens cliënte is veroordeeld.”

Bij emailbericht van 16 mei 2017 heeft de advocaat van [appellante] aan de heer [administrateur], voormeld, bericht:

“Naar aanleiding van de door u toegezonden kapitaalspecificatie bericht ik u namens cliënte dat deze specificatie meer vragen oproept dan verduidelijking geeft.

Het is naar mening van cliënte volstrekt ongeloofwaardig dat de heer [geïntimeerde 2] met een opname van € 1.665,-- in 2016 voor privé uitgaven kan rondkomen. Weliswaar toont de specificatie een aantal opnames voor kosten van de heer [geïntimeerde 2] doch cliënte vraag zich af waar de heer [geïntimeerde 2] zijn overige lasten, zoals die voor huisvesting, van bekostigt.

Bovendien komt het niet geloofwaardig voor dat de heer [geïntimeerde 2] genoegen zou nemen met een dergelijk lage beloning voor de arbeid die hij levert aan [de V.O.F.]. Het heeft er dan ook alle schijn van dat de heer [geïntimeerde 2] tracht zijn vorderingen op de [de V.O.F.] te verdoezelen.

Recent ontving cliënte een wijziging van de [de V.O.F.] akte gedateerd in juni 2012. Op grond van die wijziging zou het winstaandeel in 2015 30% zijn en in 2016 15%. Uit de door u toegezonden specificatie is het winstaandeel in 2015 € 14.726,-- en in 2016 € 14.809,--, nagenoeg gelijk derhalve. Gelet op de winstverdeling zoals hierboven uiteengezet volgt uit deze specificatie dat de winst in 2016 is verdubbeld ten opzichte van 2015. Ook dat is volstrekt ongeloofwaardig.

Tot slot wenst cliënte nog op te merken dat de wijzigingen in de [de V.O.F.] in 2012 haar totaal onbekend waren en niet in de lijn zijn met de uitlatingen van mevrouw [medevennoot 2] . Er is door haar wel degelijk in uw bijzijn aan cliënte iets gezegd over het uitkopen van de heer [geïntimeerde 2] en de waarde van zijn aandeel. Sterker nog, zeer recent heeft u nota bene nog een concept intentieovereenkomst aan cliënte gezonden met daarin de waardering van de [de V.O.F.] Een en ander laat zich niet verenigen met de door u toegezonden wijziging van de [de V.O.F.] uit 2012 en de hierboven genoemde specificatie.

Hierbij nodig ik u en uw cliënten uit om uiterlijk 17 mei a.s. om 14.00 uur nadere bescheiden te tonen waaruit de juistheid van de door u namens uw cliënten afgelegde derdenverklaring blijkt, waaronder doch niet beperkt tot:

- de (volledige) jaarrekeningen van de [de V.O.F.] vanaf 2010 tot heden;

- de bijbehorende belastingaangiften VB, IB en BTW;

- een reactie op hetgeen hierboven is opgemerkt op de verstrekte specificatie.

Indien binnen voornoemde termijn geen adequate onderbouwing van de ingevulde derdenverklaring is ontvangen zal een gerechtelijke procedure aanhangig gemaakt worden zoals eerder aangekondigd.”

3.2.

[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd:

1. de [de V.O.F.] te veroordelen een schriftelijke en door haar ondertekende gerechtelijke verklaring af te leggen met inachtneming van hetgeen [appellante] in de dagvaarding heeft gesteld, van hetgeen zij van [geïntimeerde 2] onder zich heeft en/of aan [geïntimeerde 2] verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van [geïntimeerde 2] zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan [geïntimeerde 2] verschuldigd zal worden;

2. De [de V.O.F.] , [geïntimeerde 2] en [medevennoot 2] hoofdelijk te veroordelen, nadat die verklaring door de [de V.O.F.] zal zijn afgelegd en door de rechtbank zal zijn bepaald hetgeen de [de V.O.F.] onder zich heeft en/of aan [geïntimeerde 2] verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van [geïntimeerde 2] zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan [geïntimeerde 2] verschuldigd zal worden, tot het ter tenuitvoerlegging af- en overdragen van zodanige gelden en/of goederen aan [appellante] , voor zover deze niet overtreffen het totale bedrag dat [appellante] ingevolge het in de dagvaarding vermelde vonnis van [geïntimeerde 2] te vorderen heeft;

3. De [de V.O.F.] , [geïntimeerde 2] en [medevennoot 2] hoofdelijk te veroordelen, in het geval dat de rechter de door de [de V.O.F.] afgelegde buitengerechtelijke verklaring ondanks de betwisting door [appellante] juist mocht achten onder aftrek van of tegen voldoening door [appellante] van de aan de zijde van de [de V.O.F.] , [geïntimeerde 2] en [medevennoot 2] gemaakte kosten tot het doen der gerechtelijke verklaring en in het geval, dat de rechter de buitengerechtelijke verklaring van de [de V.O.F.] onjuist mocht achten met veroordeling van de [de V.O.F.] , [geïntimeerde 2] en [medevennoot 2] in de kosten gevallen op de verbetering van de verklaring.

[appellante] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat de verklaring van de [de V.O.F.] niet juist is.

De [geïntimeerden] heeft in eerste aanleg verweer gevoerd.

3.3.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de vorderingen afgewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

[appellante] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellante] concludeert in hoger beroep tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot toewijzing van haar vordering, met veroordeling van de [geïntimeerden] in de kosten van het geding.

De [geïntimeerden] voert in hoger beroep verweer. Zij concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, onder veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding.

3.5.

Het hof stelt voorop dat [appellante] aan de hand van een juiste verklaring met betrekking tot het derdenbeslag het – herstelde – vonnis van 19 oktober 2016 ten uitvoer wenst te leggen ten laste van [geïntimeerde 2] . De grieven in hoger beroep zijn daarop gericht.

3.6.

[appellante] heeft tegen deze achtergrond executoriaal beslag gelegd, in overeenstemming met artikel 475 Rv, op “vorderingen die de geëxecuteerde [ [geïntimeerde 2] , hof] op derden [de [de V.O.F.] , hof] mocht hebben of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen” (3.1 b hiervoor). De [de V.O.F.] heeft in vervolg op het beslag verklaard dat zij niets verschuldigd is aan [geïntimeerde 2] . De [de V.O.F.] heeft daarbij opgemerkt: “negatief kapitaal met cijfers die op dit moment bekend zijn” (3.1 c hiervoor). Het geschil spitst zich in de eerste plaats toe op de juistheid van deze verklaring.

3.7.

Het hof beoordeelt in de eerste plaats of de [de V.O.F.] -overeenkomst moet worden aangemerkt als een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding in de zin van artikel 475 Rv. Het hof is van oordeel dat de [de V.O.F.] -overeenkomst inderdaad zo moet worden aangemerkt en neemt daarbij in aanmerking dat de [de V.O.F.] -overeenkomst is aangegaan vóór de dag van het beslag in februari 2017 (hier zijn partijen het over eens).

3.8.

Het hof beoordeelt vervolgens de vraag of [geïntimeerde 2] vanaf beslaglegging vorderingen heeft (gehad), die hij rechtstreeks heeft verkregen uit de [de V.O.F.] -overeenkomst. Dergelijke vorderingen vallen onder het beslag. De [geïntimeerden] betwist dat dergelijke vorderingen aan de orde zijn.

Partijen hebben in dit verband de aandacht gevraagd voor een “kapitaalspecificatie” (productie 7, inleidende dagvaarding). Het hof heeft ter gelegenheid van het pleidooi met partijen hierover gesproken. Het ging daarbij in het bijzonder over de posten onder de kop: “Af: Privé opnamen”.

De [geïntimeerden] heeft in antwoord op deze vragen aangevoerd dat de [de V.O.F.] de afgelopen jaren, dus ook na de datum van beslaglegging, regelmatig kosten heeft betaald ten behoeve van [geïntimeerde 2] (hetzij door een uitkering aan hem, hetzij door een rechtstreekse betaling aan derden/schuldeisers) omdat hij geen middelen had en de kosten nu eenmaal moesten worden betaald. Het ging volgens de [geïntimeerden] om noodzakelijke kosten voor het levensonderhoud, zoals de zorgverzekering, de fiscale bijtelling (voor een auto of consumpties) en de inkomstenbelasting. De [geïntimeerden] heeft ook verklaard dat [geïntimeerde 2] vanaf maart 2020 een bijstandsuitkering heeft.

[appellante] heeft in antwoord op de vragen van het hof onweersproken gesteld dat [geïntimeerde 2] de afgelopen jaren onafgebroken regelmatig significante werkzaamheden verricht voor de [de V.O.F.] en daarvoor geen reële vergoeding ontvangt. De vergoedingen waarover de [geïntimeerden] heeft verklaard, zijn volgens [appellante] niet reëel en strekken in elk geval tot het frustreren van het verhaal door [appellante] . [geïntimeerde 2] heeft (in elk geval tot dit jaar) geen andere bronnen van inkomsten, aldus [appellante] onweersproken.

3.9.

Het hof verwerpt tegen deze achtergrond het standpunt van de [geïntimeerden] dat deze vergoedingen niet zijn aan te merken als voldoende bepaalbare vorderingen, rechtstreeks verkregen uit de [de V.O.F.] -overeenkomst. Het hof is van oordeel dat alle bedragen die na de beslaglegging aan [geïntimeerde 2] ten goede zijn gekomen of te zijnen behoeve, onder welke benaming dan ook, zijn aangewend, zijn aan te merken als samenhangend met vorderingen, rechtstreeks verkregen uit de [de V.O.F.] -overeenkomst. Tot deze vorderingen behoren in elk geval de “privé opnamen” zoals omschreven in de kapitaalspecificatie. Immers, het staat vast dat [geïntimeerde 2] werkzaamheden verricht voor de [de V.O.F.] en het hof moet het er als onvoldoende weersproken voor houden dat deze vergoedingen tegenover de werkzaamheden staan. Dat geldt ook voor (overige) vergoedingen als tegenprestatie voor de inbreng van zijn arbeid (grieven, 16). De [de V.O.F.] verstrekt een vergoeding aan [geïntimeerde 2] wanneer zij namens hem zijn privé schulden (zoals de (zorg)verzekering en de inkomstenbelasting) voldoet. Anders dan de [geïntimeerden] aanvoert, moet het hof het ervoor houden dat het om privé schulden gaat. Niets is aangevoerd waaruit een zakelijke aard of strekking van de vergoedingen blijkt. Het tegendeel blijkt uit de aard van de vergoedingen zoals die voor de zorgverzekering of de inkomstenbelasting, die nauw samenhangen met de gezondheid en de financiële positie van [geïntimeerde 2] . Aan de hand van de boeken van de [de V.O.F.] kan tot slot exact worden bepaald welke vergoedingen aan [geïntimeerde 2] zijn verstrekt. Daar gaat ook de [geïntimeerden] van uit, gezien de kapitaalspecificatie. De desbetreffende vorderingen zijn dan ook voldoende bepaalbaar.

3.10.

Het hof behandelt vervolgens het standpunt van de [geïntimeerden] dat een vordering van [geïntimeerde 2] tot uitkering van winst pas ontstaat na een daartoe strekkende beslissing van de vennoten en daarom niet valt onder het derdenbeslag. De [geïntimeerden] beroept zich op de [de V.O.F.] -overeenkomst.

Het hof verwerpt dit standpunt.

Doorslaggevend is dat de [de V.O.F.] direct of indirect daadwerkelijk vergoedingen heeft verstrekt aan [geïntimeerde 2] en zich daarmee in zoverre, in weerwil van het beslag, uit hoofde van de [de V.O.F.] -overeenkomst schuldenaar van [geïntimeerde 2] heeft verklaard (zie ook: Hof Arnhem-Leeuwarden, 30 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6731, r. 3.12). Het spreekt, gezien de aard en strekking van de [de V.O.F.] -overeenkomst en de bepalingen over voorschotten/kasopnames (de artikelen 8 en 11, 3.1 d hiervoor), vanzelf dat dergelijke vergoedingen worden verstrekt als voorschot op een daarmee te verrekenen winstuitkering. Bij de uitoefening van zijn recht om een dergelijk voorschot (privé-opname) op te nemen, conform genoemde bepalingen van de [de V.O.F.] -overeenkomst, ontstaat reeds een vordering van [geïntimeerde 2] op de [de V.O.F.] en een daarmee corresponderende schuld van de [de V.O.F.] aan [geïntimeerde 2] . Deze vordering vloeit rechtstreeks voort uit de [de V.O.F.] -overeenkomst.

3.11.

Het voorgaande betekent dat de verklaring van de [de V.O.F.] niet juist is en dat wel degelijk sprake is geweest van vorderingen die vallen onder het derdenbeslag, althans dat de verklaring aanvulling behoeft met inachtneming van het voorgaande.

3.12.

Het hof beschikt in dit stadium nog niet over alle gegevens die nodig zijn voor een beslissing over de vordering van [appellante] tot veroordeling van de [geïntimeerden] tot betaling. Het hof zal de [geïntimeerden] in de gelegenheid stellen bij akte:

- alle jaarrekeningen van de [de V.O.F.] vanaf het jaar 2013;

- voorzien van een deugdelijke toelichting, waaruit blijkt welke bedragen na de beslaglegging, dus tot en met het jaar 2020, aan [geïntimeerde 2] ten goede zijn gekomen of te zijnen behoeve, onder welke benaming dan ook, zijn aangewend;

- met eventuele overige “tot staving dienende bescheiden” (artikel 476b Rv);

in het geding te brengen. [appellante] zal daarna de gelegenheid hebben voor een antwoordakte.

3.13.

Het hof beoordeelt in dit stadium reeds een ander standpunt van de [geïntimeerden]

De [geïntimeerden] voert aan dat [appellante] eind 2019 de koopovereenkomst met [geïntimeerde 2] , die ten grondslag ligt aan de executoriale titel, heeft ontbonden. Het gaat hierbij om een algehele ontbinding die de verbeurde boete en de kosten- en rentevergoeding echter niet raakt, zo heeft [appellante] ter gelegenheid van het pleidooi toegelicht. De [geïntimeerden] verbindt aan de ontbinding de conclusie dat de vorderingen van [appellante] in dit geding moeten worden afgewezen.

Het hof verwerpt dit standpunt. [appellante] benadrukt immers dat zij niet de koopprijs wenst te incasseren (een iets lagere koopprijs heeft zij intussen bij verkoop aan een derde ontvangen, zo verklaart [appellante] ). [appellante] bevestigt dat zij zich bij de executie zal beperken tot de proceskostenveroordeling, die rechtstreeks voortvloeit uit het vonnis, de overeengekomen boete van € 60.000,00 en de overeengekomen vergoeding voor rente en kosten van
€ 7.800,00 per maand. Het gaat hierbij om (schade)posten die (op de voet van het bepaalde in de artikelen 6:271 en 6:277 BW) voor [appellante] ook na de ontbinding blijven bestaan. Bij gebreke van een nadere toelichting kan het hof niet aannemen dat [appellante] , door haar vorderingen in zoverre in dit geding te handhaven na de ontbinding van de koopovereenkomst, misbruik maakt van haar bevoegdheid het vonnis te executeren. Daarom kan, anders dan de [geïntimeerden] aanvoert, niet worden gezegd dat [appellante] het vonnis niet langer mag tenuitvoerleggen.

3.14.

Het hof behandelt tot slot twee standpunten van [appellante] .

3.15.

[appellante] twijfelt in de eerste plaats aan de juistheid van de door de [geïntimeerden] verstrekte gegevens en stelt, naar het hof begrijpt, dat winst van de [de V.O.F.] , of bedragen die kennelijk geen andere bestemming hebben en dus in feite als zodanig moeten worden gekwalificeerd, onder het beslag vallen. [appellante] meent dat dit ook het geval is wanneer een besluit van de vennoten tot vaststelling van winst ontbreekt, omdat [geïntimeerde 2] vennoot is voor 50% van de [de V.O.F.] en volgens de [de V.O.F.] -overeenkomst recht heeft op (in elk geval) 5% van de winst (of, volgens [appellante] , veel meer).

3.16.

Het hof verwerpt dit standpunt.

Het hof overweegt dat de vennoten (naar moet worden aangenomen) volgens artikel 11 van de [de V.O.F.] -overeenkomst recht hebben op een winstuitkering wanneer zij gezamenlijk besluiten de winst vast te stellen en tot uitkering daarvan over te gaan. In dit besluit liggen wilsuitingen (wilsrechten) van de vennoten gezamenlijk besloten. Partijen hebben geen concrete feiten naar voren gebracht waaruit volgt dat de vennoten een dergelijk besluit hebben genomen over een periode na de beslaglegging. Een beslaglegger ( [appellante] ) kan een dergelijk wilsrecht niet namens een schuldenaar ( [geïntimeerde 2] ) uitoefenen: het hof is van oordeel dat deze regel uit het arrest van de Hoge Raad van 29 oktober 2004 over kredietruimte ook van toepassing is op de (potentiële) winstuitkering van een vennoot in een [de V.O.F.] (ECLI:NL:HR:2004:AP4504; vergelijk het hiervoor aangehaalde arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, 30 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6731, over betaalde voorschotten). Het hof overweegt in deze context dat het beslag, ook in de verhouding tussen vennoot en [de V.O.F.] , volgens de wet gericht is op de executie van het beslagen goed en de voldoening van de vordering. Het beslag is dan ook niet toelaatbaar in een situatie waarin – bij gebreke van de vereiste wilsuiting van de vennoten – uitgesloten is dat het beslag kan leiden tot een dergelijke executie en voldoening. Die situatie doet zich hier voor.

3.17.

Uit het voorgaande volgt dat het gevorderde in dit geding, dat uitsluitend gaat over de juistheid van de derdenverklaring, moet worden afgewezen voor zover het niet gaat om de verstrekte vergoedingen. Het betoog van [appellante] dat de [de V.O.F.] en haar vennoten aldus op onrechtmatige wijze, met het oogmerk van benadeling van een schuldeiser van een vennoot, de winst kunnen “oppotten” (en dat ook na de beslaglegging hebben gedaan) rechtvaardigt in dit geding – dat uitsluitend over de derdenverklaring gaat – geen ander oordeel.

3.18.

Het tweede standpunt van [appellante] luidt dat (uit uitlatingen van de adviseur van de [de V.O.F.] , P. [administrateur], blijkt dat) het aandeel van [geïntimeerde 2] (in de winst of het vermogen van de [de V.O.F.] ) groter en veel meer waard moet zijn dan het door de [geïntimeerden] aangevoerde 5%.

Dit standpunt doet naar het oordeel van het hof, gelet op het voorgaande, niet ter zake in dit geding, omdat dit geding uitsluitend de juistheid van de derdenverklaring betreft. Niet uitgekeerde winsten zijn hiervoor aan de orde gekomen (3.16). Een eventueel (door [medevennoot 2] aan [geïntimeerde 2] te vergoeden) aandeel in het vermogen van de [de V.O.F.] komt bovendien pas aan de orde bij beëindiging en vereffening van de [de V.O.F.] . Ook daarin ligt een wilsuiting van de gezamenlijke vennoten besloten, waarover in dit geding niets is gesteld.

3.19.

De conclusie van het voorgaande is dat de [geïntimeerden] in de gelegenheid zal worden gesteld een akte te nemen waarbij zij alle jaarrekeningen van de [de V.O.F.] vanaf het jaar 2013 overlegt en voorziet van een deugdelijke toelichting, waaruit blijkt welke bedragen na de beslaglegging, dus tot en met het jaar 2020, aan [geïntimeerde 2] ten goede zijn gekomen of te zijnen behoeve, onder welke benaming dan ook, zijn aangewend. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 9 februari 2021 voor akte aan de zijde van de [geïntimeerden] tot het hiervoor onder 3.12 en 3.19. omschreven doel, waarna vier weken voor antwoordakte aan de zijde van [appellante] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.S. Frakes, S.C.H. Molin en G. Leijten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 januari 2021.

griffier rolraadsheer