Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2789

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-09-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
200.283.886_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Uitleg vaststellingsovereenkomst die is gesloten bij behandeling van eerder kort geding. Toewijsbaarheid vordering beoordelen naar toestand ten tijde van beslissing in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.283.886/01

arrest van 7 september 2021

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. D.A.C. Janssen te Boxtel,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. P.J.M. Boomaars te Breda,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 augustus 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 31 juli 2020, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, in kort geding gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en

[appellante] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/374903 / KG ZA 20-409)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis/voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep

  • -

    de memorie van grieven met productie 1 tot en met 5

  • -

    de memorie van antwoord met productie 1 en 2

  • -

    de akte van [appellante] met productie 6

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde]

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De feiten

In dit hoger beroep neemt het hof tot uitgangspunt de feiten die de voorzieningenrechter heeft vastgesteld in onderdeel 3.1 van het bestreden vonnis. Voor zover relevant vult het hof de opsomming aan met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan.

3.1.

[appellante] en haar echtgenoot [echtgenoot van appellante] woonden aan de [woonadres appellante en echtgenoot] . Door vererving was [appellante] eigenaar geworden van een perceel met bebouwing aan de [adres perceel] . [appellante] en [echtgenoot van appellante] zijn in 2018 met [geïntimeerde] overeengekomen dat [geïntimeerde] op zijn kosten de bestaande bebouwing op dat perceel sloopt en op het perceel een appartementengebouw realiseert met twee appartementen. [appellante] en [echtgenoot van appellante] wilden het appartement op de begane grond gaan bewonen (het benedenappartement). Als tegenprestatie voor de sloop en de bouw zouden het appartementsrecht ten aanzien van het appartement op de eerste verdieping (het bovenappartement) en het woonhuis van [appellante] en [echtgenoot van appellante] aan de [woonadres appellante en echtgenoot] ten titel van koop worden geleverd aan [geïntimeerde] . Over dat woonhuis is in de overeenkomst vermeld dat ‘(a)ls het appartement [adres perceel] wordt opgeleverd, dan wordt [woonadres appellante en echtgenoot] opgeleverd en gepasseerd bij de notaris (binnen twee weken) en wordt euro 290.000,- betaald aan [lettercode] ’. Met ‘ [lettercode] ’ is [echtgenoot van appellante] aangeduid.

3.2.

Tussen partijen is onenigheid ontstaan. [geïntimeerde] heeft de bouw van het appartementengebouw begin 2020 gestaakt. [appellante] heeft in verband hiermee een kort geding tegen [geïntimeerde] aanhangig gemaakt. Bij de mondelinge behandeling daarvan op 16 juni 2020 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten.

De vaststellingsovereenkomst luidt onder meer:

‘1. Ten behoeve van de levering van het appartementsrecht van het bovenste appartement zal [geïntimeerde] een globale verantwoording opstellen van de bouwkosten zodat de koopsom van het appartementsrecht kan worden vastgesteld. Mocht de notaris op basis daarvan niet tot een vaststelling van de koopsom komen, dan zal een taxatie worden verricht door een gecertificeerd taxateur, aan te wijzen door [geïntimeerde] op basis van kostendeling.

2. De door [geïntimeerde] op te stellen verantwoording van de bouwkosten zal voor partijen geen aanleiding voor discussie zijn in die zin dat deze verantwoording aan de levering van voornoemd appartementsrecht in de weg zal staan.

3. Kort voor het passeren van de notariële akte van levering zal een bouwinspectie plaatsvinden, waarbij [appellante] zich mag laten bijstaan door haar echtgenoot en een adviseur. Over de datum van deze inspectie zal overleg tussen partijen plaatsvinden. De uitkomst van deze bouwinspectie zal niet aan de levering van het appartementsrecht in de weg staan.

5. Na de levering van het appartementsrecht zal een keer per twee weken een bouwvergadering worden gehouden die door [appellante] mag worden bijgewoond met een adviseur. Deze vergaderingen mogen ook worden bijgewoond door de echtgenoot van [appellante] .

6. Het appartementsgebouw wordt uiterlijk op 15 november 2020 opgeleverd, behoudens onvoorziene gevolgen samenhangende met het Corona-virus.’

3.3.

Bij e-mail van 3 juli 2020 heeft [notarieel medewerker] (hierna: [notarieel medewerker] ) namens notaris mr. [notaris] (hierna: de notaris) aan [appellante] onder meer meegedeeld:

‘Van de heer [geïntimeerde] heb ik een kopie ontvangen van de vaststellingsovereenkomst de

dato 16 juni jongstleden. De heer [geïntimeerde] heeft op ons kantoor aangegeven voor 14

juli aanstaande te willen passeren de overdracht van het bovenappartement.

Hij heeft daarbij de volgende cijfermatige opstelling gemaakt:

de bouwkosten bedragen totaal € 921.000,00 waarvan wordt toegerekend 30% aan (…) het

benedenappartement,

de berekening luidt dan als volgt:

1. koopsom grond [adres perceel] (toe te rekenen aan het bovenappartement) € 141.300,00;

2. koopsom [woonadres appellante en echtgenoot] € 425.000,00;

3. totaal te betalen € 566.300,00

te verminderen met bouwkosten benedenappartement € 276.000,00

resteert te betalen € 290.000,00

3.4.

De notaris heeft partijen meegedeeld dat op 30 juli 2020 tijd was gereserveerd voor het passeren van de akte van splitsing en de akte van levering. Nadat [echtgenoot van appellante] aan [geïntimeerde] had meegedeeld dat in de vaststellingsovereenkomst staat dat de levering moest plaatsvinden vóór 15 november 2020, heeft [geïntimeerde] de griffie van de rechtbank gevraagd om een proces-verbaal van de zitting van 16 juni 2020, in verband met een tussen partijen ontstane discussie over het moment van levering aan [geïntimeerde] van het

appartementsrecht met betrekking tot het bovenappartement. Bij e-mail van 14 juli 2020 heeft de griffier van de rechtbank namens de voorzieningenrechter aan [geïntimeerde] meegedeeld dat de voorzieningenrechter zich kan herinneren dat het de bedoeling is dat het appartementsrecht zo spoedig mogelijk wordt geleverd, dus vóór de bouwkundige oplevering van het appartementengebouw.

3.5.

Bij e-mail van 27 juli 2020 heeft de notaris aan partijen onder meer meegedeeld:

‘Enkele aandachtspunten:

1. (…)

3. Er is gebleken dat er nog een grenscorrectie zou moeten plaatsvinden. Dit kan eventueel ook achteraf maar dat is wel aanzienlijk omslachtiger en brengt meer kosten met zich mee (kadaster, akte buren, nieuwe splitsingstekening, toestemming hypotheekhouder(s), etc). Dus ofwel splitsing nu (met een gebrek) of later (met extra kosten).

4. De heer [geïntimeerde] heeft een begroting nieuwbouw en een bijbehorende richtprijs aangeleverd, ik kan daar geen mening over geven.

5. Wat de werkelijke bouwkosten zijn en hoe die zijn of kunnen worden onderverdeeld is thans niet duidelijk, ook daaromtrent kan ik geen uitsluitsel geven.

6. De heer [geïntimeerde] heeft een splitsing voorgesteld wat betreft de "grondprijs en WOZ-waarde"; ik kan daar geen mening over geven.

7. Voorts is uitgegaan van een waarde / koopsom van de [woonadres appellante en echtgenoot] van €. 425.000,0; naar ik heb begrepen is die koopsom aanzienlijk lager dan de waarde in het economisch verkeer. Dat kan aanleiding zijn tot allerlei fiscale vragen / consequenties.

8. Het eindresultaat zou zijn dat [appellante en echtgenoot] per saldo zouden ontvangen €. 290.000; of en in hoeverre daarmee meer- of minderwerk zou moet worden verrekend is niet duidelijk.

9. Met betrekking tot de hiervoor genoemde aannames /waarderingen kan ik geen oordeel vellen over de juistheid en mogelijke fiscale consequenties, daarvoor zou een afzonderlijk onderzoek nodig zijn door een terzake deskundige.

10. Er zou nog sprake zijn van een bouwinspectie op 14 juli. Met het oog daarop werd een streefdatum geagendeerd van 30 juli.

11. Er heeft voor zover ik kan nagaan nog geen bouwinspectie plaatsgevonden. Wat wordt feitelijk geleverd?

En in hoeverre moet of kan er een beroep worden gedaan op de vrijstelling ex art. 15 lid 1.i WBRV? Al dan niet met taxaties onderbouwd?

12. Er is nog onduidelijkheid met betrekking tot de geldstromen; wat wordt er in welk stadium betaald? Moet de koopsom voor het bovenappartement / grond in eerste instantie worden omgezet in een geldschuld die dan bij de laatste transactie (levering [woonadres appellante en echtgenoot] ) wordt verrekend/voldaan?

13. Wanneer is de oplevering van het benedenappartement en wanneer is dan de juridische levering van de [woonadres appellante en echtgenoot] ? Ook daarover is nog onduidelijkheid.’

4 De procedure in eerste aanleg en het vervolg

4.1.

In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde] gevorderd, na wijziging van zijn eis:

‘I. [appellante] te veroordelen om, op 30 juli 2020 om 10:00 uur dan wel vanaf de datum van het door u E.A. Voorzieningenrechter te wijzen vonnis steeds op eerste verzoek binnen 24 uur, haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan (splitsing en vervolgens) de levering van het appartementsrecht op de eerste verdieping van [adres perceel] (kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduiding bovenappartement] appartementsindex 2) aan [geïntimeerde] , waarbij de koopprijs van € 141.300,-, mits door de passerend notaris fiscaal voldoende onderbouwd geacht, wordt verrekend als 1e termijnbetaling van de door [geïntimeerde] in het appartement met index 1 ( [adres perceel] ) geïnvesteerde bouwkosten, door zo nodig daartoe een volmacht aan een door [geïntimeerde] aan te wijzen notaris te verlenen, onder verbeurte

van een dwangsom van € 1.500,- per dag met een maximum van € 100.000,-;

met de bepaling dat als [appellante] haar medewerking niet verleent, dat het vonnis in de plaats treedt van de tot splitsing en levering bestemde akten in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW en de medewerking daaraan van [appellante] ;

II. [appellante] te veroordelen in de kosten van dit geding.’

4.2.

[appellante] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De stellingen en verweren van partijen komen hierna aan de orde, voor zover in hoger beroep van belang.

4.3.

In het bestreden vonnis van 31 juli 2020 heeft de voorzieningenrechter de vordering van [geïntimeerde] toegewezen, met dien verstande dat het maximum van de te verbeuren dwangsommen is bepaald op € 1.000.000,00 in plaats van € 100.000,00.

4.4.

In zijn e-mail van 13 augustus 2020 heeft de notaris aan partijen onder meer meegedeeld:

‘6. vervolgens heb ik op 27 juli jl. aan partijen een mail gestuurd met een aantal aandachtspunten. Ik verwijs naar de inhoud daarvan en met name naar punt 9. waar ik nogmaals heb benadrukt dat ik in deze zaak (met nieuwbouw en diverse leveringen) geen oordeel kan vellen over de juistheid van de bedragen en mogelijke fiscale consequenties van de transacties. Tevens heb ik aangegeven dat daarvoor een afzonderlijk onderzoek nodig zou zijn door een terzake deskundige.

Het cijfermatige aspect is in de afgelopen anderhalf jaar in de diverse besprekingen ook

herhaaldelijk aan de orde geweest;

(…)

10. de rechter heeft in het vonnis aangegeven dat de levering kan plaatsvinden zoals verzocht, "mits door de passerend notaris fiscaal voldoende onderbouwd geacht";

11. ik wil in dit verband nogmaals wijzen op punt 6;

12. er wordt nu van mij verwacht dat ik een verklaring afgeef met betrekking tot de fiscale

onderbouwing;

13. in deze zaak spelen diverse fiscale aspecten, zoals

a. overdrachtsbelasting (maatstaf van heffing in relatie tot de tegenprestatie en toerekening van de tegenprestatie per onderdeel in relatie tot de koopsom van de [woonadres appellante en echtgenoot] en de uiteindelijke toegift van €. 290.000,00);

b. toerekening van de WOZ-waarde en de bouwkosten aan de verschillende appartementen en het beroep wat moet worden gedaan op de vrijstelling van art. 15 lid 1 letter i WBR.

Op basis van de aangeleverde bedragen en aannames zijn de concept-akten opgesteld (splitsing in appartementsrechten en levering van appartementsrecht 2) en kunnen die akten worden gepasseerd, doch ik kan geen "fiscaal voldoende onderbouwd"-verklaring afgeven, zoals in het vonnis omschreven.

Ik beschik immers niet over taxatierapporten/waardebepalingen, onderliggende berekeningen en/of verklaringen van een fiscalist of een uitspraak/mening van een Inspecteur van de Belastingdienst.

Om de akten te kunnen passeren zijn er mijns inziens drie mogelijkheden:

1. passeren op basis van de huidige aangeleverde cijfers met de gemaakte aannames, waarbij ik beide partijen wijs op het niet kunnen afgeven van genoemde verklaring en waarbij beide partijen mij als passerend notaris uitdrukkelijk zullen vrijwaren voor de mogelijke fiscale/financiële consequenties, of

2. de heer [geïntimeerde] overlegt tijdig voor de geplande datum van het passeren een afdoende advies/rapport van een fiscalist met betrekking tot de casus, de onderscheiden leveringen en geldstromen en de fiscaliteit daarvan.

3. ik schakel zelf een fiscalist in om een rapport uit te brengen. Daarbij merk ik op dat die fiscalist zich met name zal moeten vervoegen bij de heer [geïntimeerde] om nadere benodigde informatie te verkrijgen. Mocht deze keuze aan de orde zijn dan wil ik graag van tevoren duidelijkheid met betrekking tot de vraag voor wiens rekening de kosten zullen komen.’

4.5.

Bij e-mail van 20 augustus 2020 heeft de notaris aan partijen onder meer meegedeeld:

‘Op basis van de gegevens die tot op heden zijn aangeleverd kan ik geen "fiscaal voldoende onderbouwd" verklaring geven. Er is geen fiscaal rapport / onderbouwing voorhanden.’

4.6.

Op 20 augustus 2020 heeft de bouwinspectie plaatsgevonden, die was voorzien in art. 3 van de vaststellingsovereenkomst.

4.7.

[geïntimeerde] heeft het appartementengebouw laten taxeren. Het taxatierapport is op 20 augustus 2020 aan de notaris overgelegd.

4.8.

Op 28 augustus 2020 zijn de akten van splitsing van het appartementengebouw met de daarbij behorende grond en de akte van levering van het appartementsrecht met betrekking tot het bovenappartement gepasseerd. In de akte van levering is vermeld dat de koopprijs van het appartementsrecht € 141.300,00 is, waarbij is verwezen naar het hiervoor bedoelde taxatierapport.

4.9.

Het bestreden vonnis is niet aan [appellante] betekend.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1.

[appellante] heeft in hoger beroep negen grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot het vernietigen van het bestreden vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] .

Kern van het geschil

5.2.

Het gaat in deze procedure om het nakomen van de vaststellingsovereenkomst die partijen op 16 juni 2020 hebben gesloten tijdens de mondelinge behandeling van het eerste kort geding. [geïntimeerde] wil dat [appellante] meewerkt aan het leveren van het appartementsrecht en [appellante] wil dat [geïntimeerde] voldoet aan voorwaarden die volgens haar zijn verbonden aan het leveren van het appartementsrecht.

Belang [appellante] bij hoger beroep

5.3.

Het appartementsrecht is ter uitvoering van het vonnis van de voorzieningenrechter aan [geïntimeerde] geleverd. [geïntimeerde] verbindt hieraan de conclusie dat [appellante] geen belang meer heeft bij een uitspraak in hoger beroep. [appellante] stelt daar tegenover dat zij in eerste aanleg ten onrechte is veroordeeld en verlangt dat de koopprijs deugdelijk wordt vastgesteld en de gehele transactie deugdelijk wordt onderbouwd.

5.4.

Wat er ook zij van de verlangens van [appellante] , haar standpunt dat de vordering van [geïntimeerde] ten onrechte is toegewezen, brengt mee dat zij ook meent dat zij ten onrechte in de proceskosten is veroordeeld. Daarover gaat grief 10. De proceskosten vormen reeds een voldoende belang bij een uitspraak in hoger beroep.

Spoedeisend belang [geïntimeerde] bij voorlopige voorziening

5.5.

Met grief 3 betwist [appellante] dat [geïntimeerde] een spoedeisend belang had bij de gevorderde voorlopige voorziening.

5.6.

Met de gevorderde voorlopige voorziening beoogde [geïntimeerde] [appellante] te dwingen tot het leveren van het appartementsrecht, ter uitvoering van de vaststellingsovereenkomst. [geïntimeerde] heeft daarover gesteld dat partijen de bedoeling hadden dat zo spoedig mogelijk tot levering zou worden overgegaan en dat hij daarbij belang had, omdat hij al veel in het appartementengebouw had geïnvesteerd en daar geen zekerheid tegenover stond.

5.7.

Naar het oordeel van het hof is hiermee een voldoende spoedeisend belang bij de voorlopige voorziening gegeven. Grief 3 treft dus geen doel. Of [geïntimeerde] recht had op een spoedige levering van het appartementsrecht is een andere vraag, die het hof hierna zal beantwoorden.

Uitleg vaststellingsovereenkomst

5.8.

Partijen zijn het er niet over eens of [appellante] verplicht was om mee te werken aan het leveren van het appartementsrecht. De grieven 4 tot en met 8 hebben hierop betrekking. Volgens [geïntimeerde] was het de bedoeling van partijen dat het appartementsrecht zo spoedig aan hem zou worden geleverd. [appellante] voert aan dat eerst aan voorwaarden moest worden voldaan, met name het vaststellen van de koopprijs, een bouwinspectie en een grenscorrectie, en dat niet is afgesproken dat zou worden afgeweken van de reguliere gang van zaken bij een levering, wat betreft het uitwisselen van conceptakten en het onderhandelen over de inhoud daarvan. [appellante] wijst erop dat de notaris bij e-mail van 27 juli 2020 dertien aandachtspunten heeft geformuleerd, waaruit volgens haar blijkt dat levering nog niet mogelijk was. Het hof behandelt de grieven 4 tot en met 8 gezamenlijk.

5.9.

Het hof stelt het volgende voorop. Uit de stellingen van [appellante] maakt het hof op dat [appellante] ervan uitgaat dat doorslaggevend is of de vordering van [geïntimeerde] toewijsbaar was ten tijde van het uitspreken van het vonnis van de voorzieningenrechter. Dat is echter niet doorslaggevend. In hoger beroep moet de toewijsbaarheid van de vordering worden beoordeeld naar de toestand zoals die is ten tijde van de beslissing in hoger beroep. Ook de ontwikkelingen die zich na het vonnis van de voorzieningenrechter hebben voorgedaan, zijn dus van belang.

5.10.

Of [appellante] verplicht is mee te werken aan het leveren van het appartementsrecht, betreft de uitleg van de vaststellingsovereenkomst. Bij de uitleg komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Ook komt betekenis toe aan de context van de desbetreffende bepaling, de wijze van totstandkoming, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene of de andere uitleg, de aard van de overeenkomst, en de gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst.

5.11.

Het hof is van oordeel dat in de gemaakte afspraken en wat daaraan voorafging, ligt besloten dat de levering zo spoedig mogelijk moest plaatsvinden. [geïntimeerde] heeft de bouw van het appartementengebouw opgeschort. Het argument hiervoor was, zoals niet of onvoldoende is weersproken, dat [geïntimeerde] al veel in de bouw had geïnvesteerd zonder zekerheid voor het nakomen van de verplichtingen door [appellante] . De levering van het appartementsrecht moest in zekerheid voorzien. Daartegenover moest de bouw worden voortgezet en afgerond, want de vaststellingsovereenkomst hield ook in dat het appartementengebouw uiterlijk op 15 november 2020 moest worden opgeleverd. Weliswaar moest ten behoeve van de levering de koopprijs van het appartementsrecht worden bepaald, maar een discussie over de daarvoor aan te reiken kostenverantwoording kon niet aan de levering in de weg staan. Dat gold ook voor de staat van het gebouw. Afgesproken is immers dat de uitkomst van de voorziene bouwinspectie niet aan levering in de weg zou staan.

5.12.

Uit de stellingen van partijen volgt dat het bepalen van de koopprijs een fiscaal doel diende en geen betrekking had op een door [geïntimeerde] aan [appellante] te betalen bedrag (memorie van grieven nr. 45 en memorie van antwoord nr. 83).

5.13.

Het komt er dus op neer dat de strekking van de vaststellingsovereenkomst was om tegenover het door [appellante] verlangde voortzetten en afronden van de bouw, aan [geïntimeerde] zekerheid te verschaffen door de levering van het appartementsrecht (waarvoor splitsing noodzakelijk was). Aan deze strekking zou afbreuk worden gedaan als de levering niet zo spoedig mogelijk na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zou plaatsvinden. Dat [appellante] dit anders heeft begrepen of redelijkerwijs heeft mogen begrijpen, is niet of onvoldoende toegelicht. Zij heeft ook niet een andersluidende strekking van de afspraken naar voren gebracht.

5.14.

Uit het voorgaande volgt dat de enige voorwaarde voor levering was het vaststellen van de koopprijs voor fiscale doeleinden. Het was blijkens art. 1 van de vaststellingsovereenkomst aan de notaris overgelaten om dit te doen. Indien de notaris niet tot een vaststelling kon komen, hebben partijen als alternatief een in opdracht van [geïntimeerde] uit te voeren taxatie aangewezen.

5.15.

Uit de e-mails van de notaris van 27 juli 2020, 13 augustus 2020 en 20 augustus 2020 blijkt dat de notaris meende dat hij de koopprijs niet fiscaal verantwoord kon vaststellen op basis van de beschikbare gegevens. [geïntimeerde] heeft echter een taxatie laten uitvoeren, zoals voor die situatie was voorzien in de vaststellingsovereenkomst, en op basis daarvan is de koopprijs vastgesteld. Dit brengt mee dat er op dat moment geen in de vaststellingsovereenkomst gelegen belemmering meer was om [appellante] gehouden te achten mee te werken aan de levering.

5.16.

Er zijn verder geen feiten of omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat de tekst van de te passeren akten van splitsing en levering op dat moment nog onderdelen bevatte, waartegen [appellante] bezwaren had of redelijkerwijs mocht hebben die aan het passeren van de akten in de weg stonden. [appellante] was dus op dat moment verplicht haar medewerking aan de levering te verlenen. Dit rechtvaardigt in hoger beroep het oordeel dat de gevorderde voorlopige voorziening toewijsbaar is. Of dat ten tijde van het bestreden vonnis ook het geval was, is in dit opzicht niet relevant.

5.17.

De conclusie is dat de grieven 4 tot en met 8 niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden.

Gang van zaken in eerste aanleg

5.18.

Grief 1 bevat bezwaren van [appellante] tegen de gang van zaken bij de voorzieningenrechter. Wat daarvan zij, de bezwaren kunnen niet afdoen aan de toewijsbaarheid van de vordering van [geïntimeerde] . Het hof behoeft de bezwaren dus niet te bespreken.

5.19.

Ten overvloede merkt het hof op dat uit de uitspraak van de Hoge Raad van 6 maart 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ3458, rov. 4.4) volgt dat de rechter buiten een getuigenverhoor of een daarmee op één lijn te stellen situatie geen verklaring behoort af te leggen met betrekking tot de betekenis van een vaststellingsovereenkomst, die is neergelegd in het proces-verbaal van een onder zijn leiding plaatsgevonden mondelinge behandeling.

Formulering vordering

5.20.

In grief 9 heeft [appellante] bezwaren vermeld tegen de formulering van de gevorderde voorlopige voorziening en de gevorderde dwangsommen.

5.21.

Het hof behoeft deze bezwaren niet meer te bespreken, omdat deze niet meer van belang zijn. De levering heeft immers plaatsgevonden en er zijn geen dwangsommen verbeurd. Het is bovendien niet gebleken dat de formulering van de vordering of het dictum tot executieproblemen heeft geleid.

Proceskosten eerste aanleg

5.22.

Met grief 10 verzet [appellante] zich tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg.

5.23.

Het hof vindt het gerechtvaardigd om de proceskosten van de eerste aanleg te compenseren, zodat partijen hun eigen kosten dragen. Partijen hadden over en weer op onderdelen ongelijk. Aan [appellante] kan worden toegegeven dat ten tijde van de uitspraak van het bestreden vonnis de koopprijs van het appartementsrecht nog niet was vastgesteld op de afgesproken wijze. Daar staat tegenover dat [appellante] ten onrechte het standpunt innam dat er ook andere redenen waren om zich tegen de levering te verzetten en dat de levering niet vóór de oplevering van het gebouw behoefde plaats te vinden, zoals blijkt uit de pleitaantekeningen van haar advocaat. De grief slaagt dus ten dele.

Slot

5.24.

Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, behoeft het hof niet te bespreken. Er zijn immers geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht of te bewijzen aangeboden, die tot een andere beslissing kunnen leiden. Het hof gaat om die reden ook voorbij aan het bewijsaanbod van [appellante] , daargelaten dat een kort geding zich niet leent voor bewijslevering.

5.25.

De slotsom is dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd, behalve wat betreft de proceskostenveroordeling. Op dat onderdeel zal het hof het vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Proceskosten

5.26.

De proceskosten van het hoger beroep komen ten laste van [appellante] , omdat zij grotendeels in het ongelijk is gesteld. Het hof stelt de proceskosten tot heden aan de zijde van [geïntimeerde] als volgt vast:

- griffierecht € 332,00

- salaris advocaat € 1.671,00 (tarief II, 1,5 punt)

totaal € 2.003,00

5.27.

De nakosten stelt het hof vast, zoals hierna in de uitspraak wordt vermeld.

6 De uitspraak

Het hof:

6.1.

bekrachtigt het bestreden vonnis, behalve wat betreft de in 4.2 vermelde proceskostenveroordeling;

6.2.

vernietigt het bestreden vonnis op dat onderdeel en, opnieuw rechtdoende,

6.3.

compenseert de proceskosten van de eerste aanleg in die zin dat partijen hun eigen kosten dragen;

6.4.

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op:

- € 2.003,00 tot heden voor het hoger beroep,

- € 163,00 aan nasalaris advocaat zonder betekening van dit arrest of € 248,00 vermeerderd met de explootkosten bij betekening van dit arrest,

indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

6.5.

verklaart dit arrest zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, L.S. Frakes en R.W. Karskens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 september 2021.

griffier rolraadsheer