Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2787

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-09-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
200.275.233_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:11031
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Vordering tot afgifte van bankafschriften uit 1993 en 1994 met het oog op het vaststellen van de omvang van een nalatenschap die in 1993 is opengevallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.275.233/01

arrest van 7 september 2021

in de zaak van

[appellante/dochter] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel,

verder: de dochter,

advocaat: mr. H.C. Egger-van Oppen te Vierlingsbeek,

tegen:

[geïntimeerde/vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het voorwaardelijk incidenteel appel,

verder: de vader,

advocaat: mr. A.F.Th.M. Heutink te Gennep,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 februari 2020 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen vonnis van 11 december 2019 tussen de dochter als eiseres en de vader als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/256921 / HA ZA 18-555)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van 20 februari 2020;

  • -

    de memorie van grieven van de dochter van 21 april 2020 met een productie en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in het voorwaardelijk incidenteel appel van de vader van 9 juni 2020;

  • -

    de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel van de dochter van 21 juli 2020 met een productie;

  • -

    de akte van de vader van 1 september 2020;

  • -

    de antwoordakte van 13 oktober 2020.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De beoordeling

In het principaal appel en in het voorwaardelijk incidenteel appel

De feiten

3.1

In overweging 2 van het vonnis van 11 december 2019 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten.

  1. De dochter is een van de vijf kinderen van de vader en van mevrouw [moeder] (hierna: de moeder). De moeder is overleden op [sterfdatum] 1993. In haar testament, opgemaakt op 24 januari 1983, is een ouderlijke boedelverdeling ex artikel 1167 BW (oud) opgenomen.

  2. Het testament bevat de verplichting voor de erfgenamen om een boedelbeschrijving op te maken. Ook is in het testament opgenomen dat bij (onder meer) vervreemding door de vader van onroerende goederen die bij overlijden aanwezig waren de overige erfgenamen het recht hebben om van de vader te vorderen zekerheid te stellen voor hun vorderingen.

  3. Na het overlijden van de moeder is geen boedelbeschrijving opgemaakt. Op 13 januari 1994 is een verklaring van erfrecht opgemaakt.

  4. Naar aanleiding van de verkoop van de voormalige echtelijke woning in 2017 is tussen de dochter en de vader een geschil ontstaan over de hoogte van de vordering op de vader uit hoofde van haar aandeel in de nalatenschap van de moeder.

  5. Bij brief van 5 oktober 2018 heeft de advocaat van de vader aan de advocaat van de dochter laten weten dat het totale vermogen ten behoeve van de boedelwaardering op datum overlijden volgens hem ƒ 55.464,45 bedroeg en dat 1/6e deel daarvan neerkomt op € 2.098,-, waarop in mindering strekt wat erfgenamen in legaat hebben verkregen. In deze brief wordt voorgesteld de nalatenschap van de moeder af te wikkelen door middel van een vaststellingsovereenkomst met betaling door de vader van € 2.000,- per erfgenaam. Dit voorstel is niet aanvaard.

De procedure in eerste aanleg

3.2

Bij dagvaarding van 5 november 2018 heeft de dochter de onderhavige procedure tegen de vader aanhangig gemaakt. Hierin stelde de dochter dat de vader vanwege de verkoop van de voormalige echtelijke woning op grond van het testament zekerheid dient te stellen en dat alsnog een boedelbeschrijving van de nalatenschap van haar moeder opgesteld moet worden. Daarvoor zijn gegevens nodig die door de vader verstrekt moeten worden, maar die weigert zijn medewerking, aldus de dochter. Bij dagvaarding vorderde de dochter, samengevat, veroordeling van de vader tot afgifte van kopieën van bankafschriften uit 1993 en 1994, belastingaangiften en aanslagen over 1993 en 1994 en van een boedelbeschrijving met bewijsstukken van in de dagvaarding vermelde boedelbestanddelen, op verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de vader in de kosten.

3.3

De vader heeft bij conclusie van antwoord de vorderingen van de dochter bestreden en daarbij onder overlegging van producties een aantal gegevens over de nalatenschap van de moeder verstrekt.

3.4

De rechtbank heeft een comparitie van partijen bepaald, die op 20 mei 2019 heeft plaatsgevonden. In het proces-verbaal van de comparitie is onder meer het volgende vermeld: “Partijen komen overeen dat er een mediationgesprek zal volgen onder begeleiding van mediator [mediator] te [vestigingsplaats mediator] . Voorts zal eiseres inzage krijgen in de bankafschriften.”

3.5

De mediation heeft niet geleid tot een beëindiging van het geschil. De advocaat van de dochter heeft bij de advocaat van de vader inzage gekregen in bankafschriften over 1993 en 1994, maar volgens haar toen geen kopieën mogen maken. Volgens de vader heeft zij wel kopieën gemaakt. De dochter heeft bij akte van 9 oktober 2019 haar eis verminderd tot afgifte van kopieën van bankafschriften uit 1993 en 1994.

3.6

Bij vonnis van 11 december 2019 heeft de rechtbank in het midden gelaten of de advocaat van de dochter bij de inzage van bankafschriften daarvan al dan niet kopieën heeft gemaakt en geoordeeld dat de dochter aanspraak heeft op kopieën van bankafschriften van de bankrekeningen van haar ouders ter vaststelling van het saldo daarvan op de sterfdatum. Voor afgifte van kopieën van bankafschriften over geheel 1993 en 1994 zag de rechtbank geen aanleiding. De vader is veroordeeld om kopieën te verstrekken van de bankafschriften van alle (gemeenschappelijke) bankrekeningen van de vader en moeder te verstrekken over de periode op (of rond) de sterfdatum [sterfdatum] 1993, op verbeurte van een dwangsom, met compensatie van de proceskosten en met afwijzing van het meer of anders gevorderde.

De omvang van het hoger beroep

3.7

De dochter heeft tegen het vonnis van 11 december 2019 een grief aangevoerd, haar eis gewijzigd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en tot veroordeling van de vader om kopieën af te geven van alle in het dossier van zijn advocaat aanwezige bankafschriften van de lopende rekening met nr. [bankrekening] en de spaarrekening met nr. [spaarrekening] bij de Rabobank over 1993 en 1994, op verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de vader in de kosten van beide instanties.

3.8

Voor zover de eiswijziging van de dochter in hoger beroep niet als vermindering van eis moet worden gezien heeft te gelden dat de vader er geen processueel bezwaar tegen heeft aangevoerd en dat ook het hof deze niet ontoelaatbaar acht, zodat in het hierna volgende van de aldus gewijzigde eis zal worden uitgegaan. De vorderingen die de dochter in eerste aanleg heeft ingesteld en daarin deels heeft gehandhaafd, zijn nu niet langer aan de orde. Het gaat in dit hoger beroep alleen nog om de vordering zoals hiervoor in rechtsoverweging 3.7 weergegeven.

3.9

De vader heeft de grief van de dochter en haar vordering, zoals in hoger beroep gewijzigd, bestreden. De informatie over de saldi per overlijdensdatum is volgens de vader reeds bij conclusie van antwoord verstrekt. Hij stelt zich verder op het standpunt dat de dochter niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden in haar vorderingen op grond van verjaring dan wel rechtsverwerking. De rechtbank heeft dit standpunt volgens de vader ten onrechte buiten behandeling gelaten; het hof zal zijn stellingen op grond van de devolutieve werking van het appel in de beoordeling in hoger beroep moeten betrekken. Voor de zekerheid heeft de vader voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld.

3.10

Het incidenteel appel is voorwaardelijk ingesteld. Het hof leidt uit de motivering daarvoor af dat de voorwaarde voor dit incidenteel appel is gelegen in het slagen van het principaal appel.

De vordering van de dochter

3.11

De dochter baseert haar vordering op artikel 843a Rv en artikel 4:16 lid 4 BW. Het hof stelt over deze grondslagen het volgende voorop.

Artikel 843a lid 1 Rv luidt als volgt:

Hij die daarbij rechtmatig belang heeft, kan op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Onder bescheiden worden mede verstaan: op een gegevensdrager aangebrachte gegevens.

Voor een beroep op deze bepaling dient te zijn voldaan aan de cumulatieve vereisten die deze bepaling stelt (rechtmatig belang, bepaalde bescheiden, rechtsbetrekking).

Artikel 4:16 lid 4 BW, dat op 1 januari 2003 als onderdeel van de nieuwe regeling van de wettelijke verdeling in werking is getreden, luidt als volgt:

De echtgenoot en ieder kind hebben jegens elkaar recht op inzage in en afschrift van alle bescheiden en andere gegevensdragers, die zij voor de vaststelling van hun aanspraken behoeven. De daartoe strekkende inlichtingen worden door hen desverzocht verstrekt. Zij zijn jegens elkaar gehouden tot medewerking aan de verstrekking van inlichtingen door derden.

Dit artikel is van toepassing op een wettelijke verdeling in de zin van artikel 4:13 BW. In de nalatenschap van de moeder is evenwel geen sprake van een wettelijke verdeling, maar van een ouderlijke boedelverdeling als bedoeld in artikel 4:1167 BW (oud) die na de invoering van de artikelen 4:13 e.v. BW van kracht is gebleven (artikelen 79 en 127 Ow NBW). De informatieaanspraak van een erfgenaam in die situatie verschilt echter niet wezenlijk van het bepaalde in artikel 4:16 lid 4 BW dat geldt bij een wettelijke verdeling van een nalatenschap, zodat het hof ervan uitgaat dat de dochter het oog heeft op analoge toepassing van artikel 4:16 lid 4 BW.

3.12

De achtergrond van het beroep van de dochter op deze bepalingen is gelegen in de door haar gewenste boedelbeschrijving en zekerheidstelling in verband met de verkoop van de voormalige echtelijke woning. Deze bepalingen bieden een grondslag voor een ruime informatieverstrekking, maar deze is niet onbegrensd. Het recht op informatie tussen partijen strekt bij dit doel niet verder dan wat nodig is voor het opstellen van de boedelbeschrijving van de nalatenschap van de moeder en de vaststelling van de na de ouderlijke boedelverdeling resterende vordering van de dochter op de vader als langstlevende echtgenoot.

3.13

Bij de beoordeling van de vraag of de vordering van de dochter, zoals deze thans nog aan de orde is, bij toepassing van deze maatstaf toewijsbaar is, neemt het hof het volgende in aanmerking. Bij de comparitie van partijen in eerste aanleg hebben partijen afgesproken dat inzage zou worden verstrekt in de bankafschriften. Die afspraak is nagekomen doordat aan de advocaat van de dochter inzage is verstrekt in de bankafschriften waarover (de advocaat van) de vader beschikte. Iets anders is in ieder geval niet gesteld of gebleken. In het vonnis van de rechtbank is de vader veroordeeld tot het verstrekken van de bankafschriften van alle (gemeenschappelijke) bankrekeningen van de vader en moeder over de periode op (of rond) de sterfdatum [sterfdatum] 1993. Gesteld noch gebleken is dat de vader daar niet aan heeft voldaan (voor zover hij dat niet al had gedaan). Met betrekking tot de rekeningen waar de vordering van de dochter nu alleen nog betrekking op heeft, rekening nr. [bankrekening] en spaarrekening nr. [spaarrekening] , heeft de vader bij conclusie van antwoord in eerste aanleg afschriften overgelegd uit de periode rond het overlijden van de moeder (producties 11-13). De dochter heeft naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat met behulp van de haar inmiddels verstrekte informatie over genoemde bankrekeningen (wat betreft de saldi ervan onmiddellijk na het overlijden van de moeder) geen realistische boedelbeschrijving van de nalatenschap kan worden opgesteld, terwijl daarin wel de grond voor haar vordering is gelegen.

3.14

De dochter heeft gesteld dat uit de inzage in de afschriften op 27 juni 2019 is gebleken dat de vader op 7 maart 1994 een schade-uitkering van € 3.402,75 (bedoeld zal zijn: ƒ 3.402,75) heeft ontvangen en op 17 maart 1994 een bedrag van € 20.500,- (bedoeld zal zijn: ƒ 20.500,-) in contanten heeft opgenomen. Om te begrijpen hoe het 25 jaar geleden precies zat wil zij de afschriften zelf bekijken. Verder stelt zij dat uit door de vader verstrekte bankafschriften blijkt dat tussen 20 oktober 1993 en 5 november 1993 in totaal ƒ 1.750,- van de rekening is opgenomen. Zij wil weten waar dat geld gebleven is. De omstandigheid dat de dochter de behoefte voelt persoonlijk inzicht te verkrijgen in mutaties op de bankrekeningen in 1993 en 1994 en de bestemming van gelden die van de rekeningen zijn opgenomen, is onvoldoende voor toewijsbaarheid van haar vordering zoals deze in hoger beroep aan de orde is. Afschriften die betrekking hebben op de relevante datum heeft zij inmiddels ontvangen en concrete aanwijzingen dat het ontvangen van verdere afschriften (naast de inzage erin) van belang is voor de vaststelling van de omvang van de nalatenschap zijn niet voorhanden.

Conclusie

3.15

Een en ander leidt tot de slotsom dat de vordering van de dochter in hoger beroep niet voor toewijzing in aanmerking komt, zodat haar grief wordt verworpen. Dit betekent dat de voorwaarde voor het incidenteel appel niet is vervuld zodat dit geen bespreking behoeft en een beslissing op de proceskosten in het incidenteel appel achterwege kan blijven. Het vonnis van 11 december 2019 zal worden bekrachtigd. De proceskosten in het principaal appel zullen tussen partijen worden gecompenseerd, gelet op hun familierelatie.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 11 december 2019, waarvan beroep;

compenseert de proceskosten in het principaal appel, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in het principaal appel meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.S. Frakes, J.H.M. van Erp en B.A. Meulenbroek en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 september 2021.

griffier rolraadsheer