Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2777

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
200.294.812_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling

Verzoek GI ex artikel 1:265g lid 1 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 265g
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 2 september 2021

Zaaknummer : 200.294.812/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/381380 / JE RK 21-95

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.V. de Nooijer,

tegen

Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de GI.

Deze zaak gaat over:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ;

- [minderjarige 2], op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] , wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.M. van Riessen.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 23 februari 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 mei 2021, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - het verzoek van de GI tot wijziging van de omgangsregeling af te wijzen en alsnog een deskundige ex artikel 810 Rv te benoemen, kosten rechtens.

2.1.1.

Bij brief van 15 juli 2021 heeft de moeder haar verzoek aangevuld en tevens verzocht om een bijzondere curator ex artikel 1:250 BW voor de kinderen te benoemen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 juni 2021, heeft de vader verzocht het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 juli 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder (via videobelverbinding), bijgestaan door mr. De Nooijer;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Van Riessen;

  • -

    mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] namens de GI.

2.3.1.

De raad heeft het hof voorafgaand aan de mondelinge behandeling bericht niet aanwezig te zullen zijn.

2.3.2.

Het hof heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V8-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 24 juni 2021;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 12 juli 2021;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 15 juli 2021;

  • -

    de brief met bijlagen van de GI d.d. 15 juli 2021.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is geboren:

- [minderjarige 1] , op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .

Uit het - door echtscheiding ontbonden - huwelijk van de moeder en de vader is geboren:

- [minderjarige 2] , op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

De vader heeft [minderjarige 1] erkend. De kinderen hebben sinds 15 februari 2018 het hoofdverblijf bij de vader, waar zij al eerder, sinds juni 2017, verbleven.

3.2.

De kinderen staan sinds 6 juni 2017 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 17 augustus 2021.

3.3.

Bij beschikking van 15 augustus 2019 is er een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen en de moeder kortgezegd eenmaal per drie weken contact met elkaar hebben gedurende 1,5 tot 2 uur, afwisselend in de omgeving van de vader en de omgeving van de moeder. Deze regeling is door het hof bekrachtigd bij beschikking van 25 april 2019.

3.4.

Bij beschikking van 20 februari 2020 is het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en is bepaald dat de vader voortaan met het eenhoofdig gezag over de kinderen is belast. Het hof heeft deze beslissing bij beschikking van 10 juni 2021 bekrachtigd.

3.5.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank

de beschikking van 15 augustus 2018 gewijzigd en een omgangsregeling vastgesteld waarbij de moeder en de kinderen eenmaal per twee maanden voor de duur van 1,5 uur contact met elkaar hebben op neutraal terrein in de omgeving van de kinderen, met dien verstande dat er, afhankelijk van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , één of twee keer per jaar een omgangsmoment in [woonplaats moeder] kan plaatsvinden.

3.6.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.7.

De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan.

Het verzoek van de GI is ten onrechte toegewezen en ten onrechte is de rechtbank voorbij gegaan aan het verzoek van de moeder om een deskundige te benoemen.

Afgelopen anderhalf jaar hebben de kinderen en de moeder elkaar extreem weinig gezien. Tussen 7 augustus 2019 en 7 oktober 2020 is er geen contact geweest. Vervolgens hebben er drie omgangsmomenten plaatsgevonden. Vanaf 16 december 2019 tot 6 mei 2020 is er evenmin contact geweest. Op 6 mei 2020 heeft er een videobelmoment tussen de moeder en [minderjarige 1] plaatsgevonden. Sinds december 2020 heeft de moeder geen contact meer met [minderjarige 2] gehad. Dit is heel zwaar voor haar. Zij begrijpt niet waar de weerstand van [minderjarige 2] voor het videobellen vandaan komt en waarom dit niet van de grond komt.

Het is voor de moeder vanwege haar fysieke toestand bijna onmogelijk om te reizen. Bovendien is zij nog niet gevaccineerd. De moeder is bang dat zij steeds meer buiten spel komt te staan.

De moeder verzoekt om een persoonlijkheidsonderzoek bij haarzelf, de vader en de kinderen. De moeder heeft in het verleden geprobeerd om een persoonlijkheidsonderzoek te laten verrichten, maar vanuit de GI heeft zij hierin geen medewerking ervaren. Ongeacht de uitkomst van het onderzoek zal het onderzoek een positief effect hebben. De moeder heeft zichzelf aangemeld voor traumabehandeling. Ze is daarnaast graag bereid om de communicatie met de vader te verbeteren en met hem in gesprek te gaan.

Ten slotte verzoekt de moeder om een bijzondere curator te benoemen ten behoeve van de kinderen, omdat zij vreest dat de belangen van de GI en de belangen van de kinderen niet met elkaar overeenkomen.

3.8.

De GI voert - kort samengevat - het volgende aan.

De GI onderschrijft het standpunt van de moeder dat er contact tussen de kinderen en de moeder dient te zijn. Hoe langer het contact uitblijft, hoe lastiger het wordt om het contact te herstellen.

Het is daarbij wel zaak dat het belang van de kinderen voorop blijft staan. Het verzoek tot wijziging van de omgangsregeling is ingediend omdat het niet goed ging met de kinderen.

De kinderen laten heftig gedrag zien en het is niet duidelijk waar hun reacties vandaan komen.

Het is positief dat [minderjarige 1] en de moeder een fijn omgangsmoment hebben gehad.

[minderjarige 1] heeft eerder aangegeven dat zij één keer per twee maanden contact met de moeder wil, maar niet te vaak in [woonplaats moeder] . Het afreizen naar de moeder vergt veel van de kinderen. Het is spannend en vermoeiend. De GI beseft ook dat het reizen voor de moeder lastig is, maar het is haar toch gelukt om een paar keer naar [plaats] te komen. Wanneer de moeder verhinderd is, kan er een videobelmoment worden ingepland. De GI blijft hierop inzetten, ondanks de weerstand van [minderjarige 2] . Hopelijk kan de speltherapie hierin helpend zijn.

3.9.

De vader voert - kort samengevat - het volgende aan.

De moeder miskent de impact die de omgang op de kinderen heeft en de psychologische en emotionele problematiek waarmee de kinderen te kampen hebben. Er zijn veel zorgen over de kinderen. De schade die de kinderen hebben is voor een groot deel opgelopen in de periode dat zij nog bij de moeder woonden. Elk omgangsmoment zorgt voor een terugslag. Het beeld dat [minderjarige 2] over zichzelf en anderen heeft moet herstellen. Wil de hulpverlening effectief zijn, dan moeten de kinderen niet steeds door een contactmoment op een achterstand worden gezet, temeer nu de hulpverlening lijkt aan te slaan.

De moeder kan op verschillende manieren contact onderhouden, bijvoorbeeld door het sturen van een kaart. Het is ook aan haar om in de kinderen te investeren, ook voor wat betreft het reizen.

De kinderen zijn voldoende onderzocht en het is duidelijk welke problematiek er speelt. Het is niet in hun belang om hen opnieuw bloot te stellen aan weer een onderzoek. Het is aan de moeder zelf te wijten dat er bij haar nog geen persoonlijkheidsonderzoek heeft plaatsgevonden.

De vader beaamt dat [minderjarige 1] een fijn contact met de moeder in [woonplaats moeder] heeft gehad en dat het waarschijnlijk voor haar geen beletsel vormt om vaker naar [woonplaats moeder] af te reizen.

De vader weet niet waar de weerstand van [minderjarige 2] vandaan komt. [minderjarige 2] heeft geen duidelijke reden genoemd, maar heeft er moeite mee om dingen onder woorden te brengen.

De vader staat er voor open om (opnieuw) met de moeder in gesprek te gaan.

3.10.

Het hof overweegt het volgende.

3.10.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

3.10.2.

Alhoewel de huidige omgangsregeling zeer beperkt is ziet het hof op dit moment geen mogelijkheden om een meer uitgebreide regeling vast te stellen.

Bij [minderjarige 2] wordt nog veel weerstand ervaren om het contact met de moeder aan te gaan - ook ten aanzien van het videobellen - en bij [minderjarige 1] is wel een positieve ontwikkeling gaande, maar het hof acht het nog te vroeg om daaraan de nodige conclusies te verbinden.

De kinderen hebben een belast verleden en kampen met forse problematiek, zodat er zorgvuldig moet worden gekeken welke regeling het beste bij hun ontwikkeling past.

3.10.3.

Het hof benadrukt echter wel dat de huidige regeling als een minimale omgangsregeling wordt gezien en dat, zodra het belang van de kinderen dit toestaat, een uitbreiding van deze regeling (zowel in frequentie als in de duur van de contactmomenten) voorop dient te staan.

De focus van de GI dient te liggen op het herstel van het contact tussen de kinderen en de moeder, waarbij er wordt toegewerkt naar een fijn en goed contact op regelmatige basis.

Het is zowel aan de GI als aan de ouders om zich hiervoor tot het uiterste in te spannen en ervoor te zorgen dat de kinderen met beide ouders onbelast contact kunnen hebben. Hoe meer tijd er verstrijkt, hoe groter de drempel voor [minderjarige 2] zal zijn om het contact met de moeder weer aan te gaan, hetgeen door de GI ook wordt beaamd.

Daarbij dienen de GI en de vader er ook rekening mee te houden dat het reizen voor de moeder zeer belastend is en dat waar dat mogelijk is de omgang in [woonplaats moeder] dient plaats te vinden. In ieder geval geldt voor [minderjarige 1] dat, indien de positieve ontwikkeling die bij haar is gezien zich voortzet, er geen beletsel is dat zij wat vaker naar [woonplaats moeder] afreist dan de huidige één à twee keer per jaar. Het hof geeft daarbij aan de GI mee dat de GI ook organisaties zoals Humanitas kan inschakelen om [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] te begeleiden, waardoor het mogelijk eenvoudiger is om de omgang tot stand te brengen en waarbij bijvoorbeeld ook de weekenden hiertoe kunnen worden benut.

3.10.4.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide ouders uitdrukkelijk uitgesproken dat zij aan hun communicatie willen gaan werken en (opnieuw) het gesprek met elkaar willen aangaan, hetgeen het hof positief acht.

Aan de GI wordt derhalve verder uitdrukkelijk meegegeven, gelet ook op de doelstellingen zoals deze uit de ots-rapportage d.d. 13 januari 2021 volgen, om (alsnog) in te zetten op een vorm van ouderschapsreorganisatie of andere hulpverlening, teneinde ouders in staat te stellen “hun onderlinge conflicten op een (geweldloze) wijze op te lossen en zonder problemen met elkaar te communiceren over de kinderen”. Het hof ziet geen noodzaak om daar een voorwaarde zoals een verplicht persoonlijkheidsonderzoek aan te koppelen.

3.10.5.

Het hof ziet geen aanleiding om een deskundigenonderzoek te gelasten. Nog daargelaten dat een dergelijk onderzoek op grond van artikel 810a lid 2 Rv slechts in zaken betreffende een ondertoezichtstelling of beëindiging van het gezag kan worden verzocht, acht het hof een dergelijk onderzoek te belastend voor de kinderen en derhalve in strijd met hun belang.

Verder is het hof van oordeel er ook thans geen concrete omstandigheden zijn die maken dat tot benoeming van een bijzondere curator zou moeten worden overgegaan. Het hof heeft geen reden om er aan te twijfelen dat de belangen van de minderjarige door de GI voldoende gewaarborgd worden. Er is inmiddels voldoende hulpverlening rondom de kinderen betrokken, zodat er voor de kinderen voldoende ruimte is om hun stem kenbaar te maken en bovendien is tijdens de mondelinge behandeling voldoende gebleken dat de GI zich inspant om het contact tussen de moeder en de kinderen op structurele basis tot stand te brengen.

3.11.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 23 februari 2021, nader uitgewerkt bij beschikking van 12 maart 2021;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en A.M. van Riemsdijk en is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2021 door
mr. P.P.M. van Reijsen in tegenwoordigheid van de griffier.