Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2776

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-09-2021
Datum publicatie
07-09-2021
Zaaknummer
200.293.037_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht WWZ. is sprake van een door de werkgever gegeven ontslag op staande voet?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 2 september 2021

Zaaknummer : 200.293.037/01

Zaaknummer eerste aanleg : 8876382\ EJ VERZ 20-601

in de zaak in hoger beroep van:

[de werknemer] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [de werknemer] ,

advocaat: mr. A.P. van Knippenbergh te Best,

tegen

[de werkgever] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

geen advocaat gesteld.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 18 januari 2021.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 15 april 2021;

  • -

    een brief van 4 mei 2021 met het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg (via Skype) van 14 december 2020;

- de op 19 augustus 2021 gehouden mondelinge behandeling, waarbij [de werknemer] , bijgestaan door mr. Van Knippenbergh, is gehoord.

2.2.

Verweerster is bij aangetekende brief opgeroepen voor de mondelinge behandeling. Deze brief is op 19 mei 2021 bezorgd, zo blijkt uit de PostNL informatie. Verweerster heeft geen verweerschrift in hoger beroep ingediend en is niet op de mondelinge behandeling verschenen.

2.3.

Het hof heeft na de mondelinge behandeling een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken met uitzondering van de in eerste aanleg gedeponeerde usb-stick. Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven niet te beschikken over deze usb-stick. Mr. Van Knippenbergh heeft daarop verklaard deze niet aan het hof te hebben overgelegd omdat de overgelegde transcriptie dezelfde inhoud heeft als het op de usb-stick opgenomen telefoongesprek.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [de werknemer] , geboren op [geboortedatum] 1998, is op 16 september 2020 bij [de werkgever] BV in dienst getreden in de functie van Allround autobanden- en velgenmonteur op locatie. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor 24 uur per week voor de duur van 3,5 maand, te weten tot 31 december 2020. Het overeengekomen netto maandsalaris bedraagt € 1.200,00 exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten.

  2. [de werknemer] heeft op woensdag 16, vrijdag 18 en zaterdag 19 september 2020 voor [de werkgever] BV gewerkt, daarna niet meer.

  3. Op vrijdag 25 september 2020 hebben partijen, dit wil zeggen [de werknemer] en de heer [directeur] (hierna: [directeur] ), directeur van [de werkgever] BV, op de bedrijfslocatie van [de werkgever] BV in [plaats] , met elkaar gesproken.

  4. Via Whatsapp heeft [de werknemer] op 26 september 2020 [directeur] gevraagd wanneer hij zijn auto wilde overnemen en op 30 september 2020 wanneer hij zou uitbetalen.

  5. Op 1 oktober 2020 heeft [de werkgever] BV aan [de werknemer] een voorschotbedrag van € 150,00 betaald.

  6. Bij brief van 9 oktober 2020 heeft de advocaat van [de werknemer] aan [de werkgever] BV het volgende geschreven:

“(…) Op zaterdag 26 september 2020 heeft u cliënt verteld dat hij niet meer hoefde te komen werken. (…) Namens cliënt bericht ik u dat de arbeidsovereenkomst met hem niet tussentijds kan worden opgezegd zonder toestemming UWV of beschikking van de kantonrechter. Hiervan is geen sprake. Uw opzegging op 26 september 2020 is daarmee onrechtmatig c.q. onregelmatig en wordt door middel van dit schrijven vernietigd voor zover noodzakelijk. (…)

Op 9 oktober 2020 heeft [de werknemer] een bedrag van € 100,00 op zijn rekening gestort gekregen van [de werkgever] BV, onder vermelding van “voorschot afrekening”.

Op 12 oktober 2020 hebben partijen, [de werknemer] en [directeur] , telefonisch met elkaar gesproken. [de werknemer] heeft dit gesprek opgenomen.

Bij e-mail van 13 oktober 2020, 19:32 uur, heeft de advocaat van [de werknemer] aan [directeur] van [de werkgever] BV geschreven:

“Tijdens ons telefonisch onderhoud van vandaag bleek dat u zelf niet wist of u had opgezegd of ontslag op staande voet had verleend. Aan beide varianten ontbreekt echter iedere grond en zijn de formaliteiten niet in acht genomen. Gelet op de onregelmatige opzegging cq ontslag op staande voet en de toon van de gesprekken die u gisteren en vandaag met client voerde buiten mij om, deel ik u mede dat client aanspraak zal maken op gefixeerde schadevergoeding. Wedertewerkstelling blijkt niet mogelijk.

U gaf aan morgen een voorstel te willen doen. Ik wacht dat af.

(…)”

[de werkgever] BV heeft diezelfde dag, 20:01 uur, gereageerd op dit e-mailbericht, met een e-mail aan [de werknemer] . [directeur] schrijft:

“Op 25 september hebben we een goed evaluatie gesprek gehad over je eerste dagen die je alleen gewerkt had.

We hebben het gehad over de gemaakte schaden, flexibiliteit en ooit eens lange routes die afgemaakt moeten worden. Want we hadden elke dag discussies over uren/tijden.

Ik heb toen geprobeerd om voor beide partijen met wederzijds goedvinden tot ontbinding van het contract te komen. Over de elementen die we toen bespraken was akkoord en hadden we niet meer schriftelijk vastgelegd.

Afgelopen vrijdag hebben we een brief van je advocaat ontvangen dat je ontslagen bent, dat klopt niet, want het bovenstaande is het gesprek geweest van 25 september geweest waarbij de strekking is geweest met wederzijds goedvinden.

(…)

Maar als je eruit wil komen obv wederzijds goedvinden, dan wil je 4.000 of 3.000 euro om af te kopen. Zoals aangegeven ben ik daar niet mee akkoord en hou ik je nog in dienst en kun je gewoon komen werken.

Ik heb je dit ook aangegeven nu we definitief niet tot overeenstemming zijn gekomen en je morgen je dient te melden voor werk. Je bent hiermee akkoord gegaan en heb je afgelopen dagen ook zelf diverse keren voorgesteld.

Morgenvroeg verwachten we je om 8.30 uur te [plaats] en gaan in de ochtend verder inleren op de vestiging en wellicht in de middag een korte route met mij samen. (…)

De advocaat van [de werknemer] heeft hierop direct om 20:15 uur per e-mail aan [de werkgever] BV gereageerd met de mededeling dat de werkoproep is achterhaald met zijn eerdere mail en dat de werkoproep geen effect heeft.

Daarop heeft [de werkgever] BV om 23:48 uur die dag gereageerd per e-mail met de volgende inhoud:

“(…) Noch een ontslag op staande voet, noch een eenzijdige opzegging is uw cliënte mondeling of schriftelijk aangezegd! Uw cliënte heeft dit niet begrepen en U kan dit ook niet omdraaien, noch beiden bewijzen. (…)

Ik heb u in ons telefonisch onderhoud het volgende aangegeven:

- Op 18 september de tweede oproep werkdag dat uw cliënte veel schade heeft berokkend bij een klant zonder melding ervan te maken bij ons of bij de klant, hier niet is teruggekeerd na opdracht van ons en onenigheid was over de 3 werkdag uren bij een route zelf verknalt is, hebben wij met uw cliënte een evaluatiegesprek ingepland.

-Op 25 september hebben wij uw cliënte een evaluatiegesprek gehouden en is gesproken over ander geschikt werk binnen een andere organisatie van ons dat dan op een vaste locatie. Een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is mondeling een routingsvoorstel gedaan en toen akkoord bevonden, maar nog niet vastgelegd omdat we dat dan eerlijk tegelijkertijd doen. Daar waren we als verantwoord werkgever mee bezig en aan het inventariseren!”

In reactie op bovenstaand e-mailbericht heeft de advocaat van [de werknemer] op 14 oktober 2020 het volgende aan [de werkgever] BV geschreven:

“Dank voor uw onderstaand mailbericht. De inhoud hiervan is onjuist.

Ik heb van cliënt een audio-opname ontvangen van een telefoongesprek tussen u en hem op maandag 12 oktober 2020, 18.10 uur waarin u onomstotelijk meermaals bevestigt dat u ontslag op staande voet heeft verleend. Hierover kan aldus geen onduidelijkheid meer bestaan (…)”

Bij brief van 14 oktober 2020 heeft [de werkgever] BV schriftelijk aangezegd aan [de werknemer] dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen na 31 december 2020 niet wordt verlengd.

3.2.1.

In de onderhavige procedure heeft [de werknemer] de kantonrechter verzocht om [de werkgever] BV te veroordelen tot betaling van:

a) de gefixeerde schadevergoeding te vermeerderen met wettelijke rente,

b) de billijke vergoeding van € 1.000,-- bruto te vermeerderen met wettelijke rente,

c) met verstrekking van een bruto/netto-specificatie, op straffe van een dwangsom,

d) de buitengerechtelijke incassokosten volgens de staffel en

e) de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.2.

Aan dit verzoek heeft hij, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat er geen sprake was van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet en dat [de werkgever] BV ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

3.2.3.

[de werkgever] BV heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2.4.

Na een gehouden mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bij beschikking de verzoeken afgewezen omdat [de werknemer] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij op staande voet was ontslagen. [de werknemer] is in de proceskosten veroordeeld.

3.3.

[de werknemer] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen beschikking en tot het toewijzen van zijn gewijzigde verzoeken. Primair liggen de volgende verzoeken van [de werknemer] aan het hof voor:

  1. een verklaring voor recht dat het ontslag ten onrechte is verleend,

  2. een veroordeling van de werkgever tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding, gelijk aan het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst had behoren voort te duren, dan wel rechtsgeldig zou zijn geëindigd, zijnde 31 december 2020 inclusief de wettelijke verhoging en de wettelijke rente,

  3. een veroordeling van de werkgever tot betaling van de billijke vergoeding conform artikel 7:681 lid 1 sub a BW ter hoogte van € 1.000,00 bruto.

Subsidiair verzoekt [de werknemer] :

de werkgever te veroordelen tot betaling van een bedrag in goede justitie te bepalen,

de werkgever te veroordelen tot het verstrekken van schriftelijke en deugdelijke specificaties over de bedragen a t/m c op straffe van een dwangsom,

de werkgever te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten,

de werkgever te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over a en b,

de werkgever te veroordelen in de proceskosten in beide instanties, vermeerderd met wettelijke rente.

3.4.

Door middel van grief I betoogt [de werknemer] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat geen ontslag op staande voet is verleend. In grief II betoogt hij dat de kantonrechter ten onrechte het verzoek om een gefixeerde schadevergoeding heeft afgewezen en in grief III dat de kantonrechter ten onrechte zijn verzoek om een billijke vergoeding heeft afgewezen. Het hof zal de grieven in de door [de werknemer] aangegeven volgorde beoordelen.

I. Het ontslag op staande voet

3.5.

Tussen partijen staat vast dat zij in de eerste week van de arbeidsovereenkomst met elkaar hebben gesproken over de schade die bij een door [de werknemer] bezochte klant is ontstaan. [directeur] heeft [de werknemer] te kennen gegeven dat hij dit meteen bij de klant moest gaan oplossen. Dit heeft hij niet gedaan, naar zijn zeggen omdat [directeur] hem later heeft aangegeven dat hij de klant ook mocht bellen om af te spreken hoe en wanneer dit moest worden opgelost.

Vervolgens heeft [de werknemer] , zonder dat dit door [directeur] werd toegelicht, geen planning gekregen voor de woensdag en de vrijdag daaropvolgend. Hij heeft contact opgenomen met [directeur] en partijen hebben een afspraak gemaakt voor 25 september 2020 om de ontstane situatie met elkaar te bespreken. [directeur] heeft [de werknemer] toen gezegd dat hij niet meer hoefde te komen werken. [directeur] stelt dat hij erbij heeft aangegeven er samen te willen uitkomen in een volgend gesprek, bijvoorbeeld door ander werk aan te bieden of met wederzijds goedvinden uit elkaar te gaan. [de werknemer] heeft dit betwist terwijl uit het verdere vastgestelde verloop van de feiten ook niet blijkt dat [directeur] contact met [de werknemer] heeft opgenomen om een volgend gesprek te plannen. [de werkgever] BV laat vervolgens niets van zich horen. Haar stelling dat er nog een nader gesprek zou volgen, komt dan ook in rechte niet vast te staan.

3.6.

De vraag die voorligt, is hoe de mededeling: “Je hoeft niet meer te komen werken” moet worden uitgelegd. De betekenis ervan moet worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het hof neemt in de beoordeling de volgende feiten en omstandigheden mee.

3.6.1.

De aanleiding voor de mededeling - je hoeft niet meer te komen werken - was dat er schade was ontstaan bij een klant tijdens werk van [de werknemer] . Na deze mededeling ontvangt [de werknemer] geen nader bericht van [de werkgever] BV. Hij wordt niet uitgenodigd voor een volgend gesprek. Hij ontvangt geen loonstrookje over de maand september en evenmin het bijbehorende salaris. Hem wordt ook niet medegedeeld dat sprake is van bijvoorbeeld een op non actiefstelling of een schorsing (al dan niet met behoud van loon).

3.6.2.

Op de brief van zijn advocaat van 9 oktober 2020, waarin deze vermeldt uit te gaan van een opzegging, reageert [de werkgever] BV aanvankelijk evenmin. Zo ontvangt de advocaat niet het bericht dat ten onrechte wordt uitgegaan van een ontslag. Wel ontvangt [de werknemer] op die dag een bedrag van € 100,00 op zijn rekening, afkomstig van [de werkgever] BV, onder vermelding van “voorschot afrekening”. Het gebruikte woord “afrekening” lijkt te wijzen op een gegeven ontslag.

3.6.3.

Op 12 oktober 2020 belt [directeur] met [de werknemer] . De stelling van [de werkgever] BV (ingenomen in het verweerschrift in eerste aanleg, onder 4) dat het opnemen van dit telefoongesprek een mogelijk vooropgezet plan is om een bevestiging van de werkgever te krijgen dan wel de werkgever iets in de mond te leggen, is betwist en niet onderbouwd. Het is niet [de werknemer] die telefonisch contact met [directeur] opneemt maar [directeur] die met [de werknemer] belt. [de werknemer] heeft bovendien onbetwist aangegeven dat zijn telefoon ieder gesprek opneemt dat met zijn smartphone gevoerd wordt. Het telefoongesprek is dan ook niet met het gestelde specifieke doel opgenomen.

[directeur] zegt in het gesprek dat [de werknemer] twee keer een dag voor hem zwaar kapot heeft gemaakt en werkweigering heeft gedaan en dat dat de reden is waarom hij niet meer met hem verder gaat. Vervolgens geeft hij aan dat [de werknemer] zelf ontslag kan nemen of dat het een ontslag op staande voet is. Even later zegt hij:

“En alles blijft om het even en het zal gewoon ontslag op staande voet blijven. En dan kan jij ertegen in gaan met jouw advocaat.”

en weer even later:

“We hebben jou ontslagen op basis van twee dagen die je zelf hebt verkloot en dan is het aan jou om met jouw advocaat te bewijzen dat dat niet zo is.”

3.6.4.

Het hof concludeert dat de betreffende mededeling - je hoeft niet meer te komen werken - zo moet worden uitgelegd dat [de werkgever] BV hiermee [de werknemer] op staande voet heeft ontslagen. [de werknemer] heeft dit onder de gegeven omstandigheden zo mogen begrijpen. Op grond van artikel 3:35 BW kan [de werkgever] BV dan geen beroep doen op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil.

Grief I slaagt. De primair verzochte verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet ten onrechte is verleend, zal worden toegewezen nu gesteld noch gebleken is dat er een dringende reden aan dit ontslag ten grondslag ligt.

Aan het vorenstaande doet niet af dat [de werkgever] BV in haar e-mail van 13 oktober 2020 om 23:48 uur aan [de werknemer] te kennen geeft hem de volgende ochtend om 8.30 uur op het werk te verwachten (zie r.o. 3.1. onder l). Het ontslag op staande voet is op 25 september 2020 gegeven en kan niet zonder instemming van [de werknemer] worden ingetrokken. [de werknemer] , althans zijn advocaat namens hem, heeft voorafgaande aan voormelde e-mail van 13 oktober 2020 duidelijk te kennen gegeven niet in te stemmen met een intrekking: [de werknemer] maakte op dat moment aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding nu een wedertewerkstelling op grond van, onder meer de gebruikte toon van [directeur] , niet (meer) mogelijk bleek te zijn (zie r.o. 3.1. onder i).

II. De gefixeerde schadevergoeding

3.7.

Als gevolg van dit door [de werkgever] BV gegeven ontslag op staande voet is de arbeidsovereenkomst op 25 september 2020 geëindigd terwijl er geen dringende reden daarvoor is gegeven. [de werkgever] BV heeft de geldende opzegtermijn niet in acht genomen. Op grond van artikel 7:672 lid 11 BW is [de werkgever] BV daardoor aan [de werknemer] een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.

3.8.

De arbeidsovereenkomst kent in art. 5.2 een tussentijdse opzegmogelijkheid voor beide partijen met een opzegtermijn van 30 dagen. Op basis daarvan kan de gefixeerde schadevergoeding worden toegewezen. Het bedrag is niet gelijk aan het loon over de periode tot en met 31 december 2020. Voor zover dit is verzocht, wordt dit afgewezen.

De verzochte wettelijke verhoging hierover wijst het hof eveneens af, nu artikel 7:625 BW geen aanspraak geeft op een wettelijke verhoging over de gefixeerde schadevergoeding. De wettelijke rente over dit bedrag wijst het hof wel toe. De ingangsdatum is niet genoemd, maar op grond van het bepaalde in artikel 7:686a BW is de schadevergoeding verschuldigd vanaf 25 september 2020 en is deze datum de datum waarop de wettelijke rente verschuldigd is.

3.9.

Grief II slaagt en het verzochte is deels toewijsbaar.

III. De billijke vergoeding

3.10.

[de werknemer] verzoekt een billijke vergoeding ter hoogte van € 1.000,00 bruto. Ter onderbouwing verwijst hij naar het hem ten onrechte gegeven ontslag op staande voet. [de werkgever] BV heeft ernstig verwijtbaar gehandeld en de arbeidsrelatie is, mede als gevolg daarvan, ernstig verstoord. [de werknemer] wijst op de wijze waarop [de werkgever] BV met hem is omgegaan. Hij kreeg ineens geen planning meer, werd van de ene op de andere dag medegedeeld niet meer welkom te zijn, werd in onzekerheid gelaten met betrekking tot de consequenties ervan en bij navraag werden er steeds weer wisselende en intimiderende antwoorden gegeven. Een dergelijke handelwijze moet worden afgestraft, aldus [de werknemer] .

3.11.

Het hof stelt vast dat [de werkgever] BV ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Zij heeft [de werknemer] op staande voet ontslagen terwijl daarvoor geen dringende reden bestond. De hiervoor door [de werknemer] aangevoerde omstandigheden zijn in hoger beroep door [de werkgever] BV niet betwist en komen dan ook vast te staan.

Het hof is van oordeel dat het verzochte bedrag van € 1.000,-- bruto een passende compensatie hiervoor is, ondanks het feit dat er sprake was van een kort dienstverband.

Slotconclusie

3.12.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en de primaire verzoeken toewijzen zoals hiervoor overwogen. Het hof komt daarmee niet toe aan hetgeen subsidiair is verzocht, hetgeen tijdens de mondelinge behandeling ook aan [de werknemer] is voorgehouden.

3.13.

Het hof zal [de werkgever] BV, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking;

en rechtdoende:

verklaart voor recht dat het ontslag ten onrechte is verleend,

veroordeelt [de werkgever] BV tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding, gelijk aan het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst had behoren voort te duren te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van 25 september 2020 tot de dag van volledige voldoening;

veroordeelt [de werkgever] BV tot betaling van de billijke vergoeding conform artikel 7:681 lid 1 sub a BW ter hoogte van € 1.000,00 bruto;

veroordeelt [de werkgever] BV in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [de werknemer] op € 83,00 aan griffierecht en op € 420,00 aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 338,00 aan griffierecht en op € 1.574,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart de hiervoor uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M.H. Schoenmakers, P.P.M. Rousseau en A.C. van Campen en is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2021.