Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:275

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-02-2021
Datum publicatie
03-02-2021
Zaaknummer
200.252.801_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst voor de duur van een project. Werkgever deelt bij brief mee dat het project eindigt, en daarmee ook de arbeidsovereenkomst. Werknemer vordert loondoorbetaling.

Het hof gaat er veronderstellenderwijs vanuit dat de projectclausule niet rechtsgeldig is omdat de einddatum niet objectief bepaalbaar is. De arbeidsovereenkomst is dan niet van rechtswege geëindigd, maar geldt voor onbepaalde tijd.

De werknemer heeft de brief van de werkgever evenwel moeten opvatten, en ook daadwerkelijk opgevat, als een opzegging van de arbeidsovereenkomst. De werknemer had tegen die opzegging kunnen ageren door indiening van een verzoekschrift (art. 7:681 BW), maar de werknemer heeft dat niet gedaan, althans niet binnen de vervaltermijn van art. 7:686a lid 4. De opzegging is daarom onaantastbaar geworden. De vordering is niet toewijsbaar.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 681
Burgerlijk Wetboek Boek 7 686a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0153
XpertHR.nl 2021-20005283
RAR 2021/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.252.801/01

arrest van 2 februari 2021

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. M.J. Rubberg te Echt,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: [geïntimeerde 1] ,

2. de vennootschap naar buitenlands recht

[geïntimeerde 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] , kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

hierna: [geïntimeerde 2] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. I.R. Köhne te Voorburg,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 4 juni 2019 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 6266122, rolnummer 17-7722, gewezen vonnis van 13 september 2018 tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als gedaagden.

8 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het bestreden vonnis, alsmede naar het daaraan voorafgegane tussenvonnis van 9 november 2017 waarbij een comparitie van partijen is gelast.

9 Het geding in hoger beroep

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 4 juni 2019 waarin het hof heeft geconstateerd dat de appeldagvaarding tijdig aan [geïntimeerde 2] is betekend;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

10 De vaststaande feiten

Tegen de vaststelling van de feiten door de kantonrechter in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.12 van het bestreden zijn geen grieven gericht, noch is daartegen anderszins bezwaar gemaakt, met dien verstande dat in rechtsoverweging 2.7 van het vonnis per abuis een onjuiste datum is vermeld. Met inachtneming daarvan vormen die feiten ook voor het hof het uitgangspunt. Het gaat in dit geding om het volgende.

10.1.

[appellante] is op 13 september 2016 een overeenkomst, getiteld 'arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van een project', aangegaan met [geïntimeerde 1] . Bij de totstandkoming van de overeenkomst waren vier partijen betrokken: [geïntimeerde 1] als werkgever, [geïntimeerde 2] als cliënt van [geïntimeerde 1] , [besloten vennootschap] B.V. (hierna: [inlener] ) als inlener en [appellante] als werknemer.

10.2.

[werknemer] was feitelijk met ingang van 1 juli 2016 bij [inlener] werkzaam in de functie van Teamleider binnen het 'project' Planning & Logistics. De werving en plaatsing van

[werknemer] werd verricht door [client van werkgever] . [client van werkgever] heeft [werkgever] gevraagd namens haar een arbeidsovereenkomst te sluiten met [werknemer] . [werkgever] verzorgde de salarisbetalingen aan [werknemer] .

10.3.

In de 'arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van een project' tussen [werknemer] en [werkgever] is onder meer het navolgende opgenomen:

"Overwegende dat:

  • -

    Werkgever [ [werkgever] , toevoeging hof] werkzaamheden verricht en diensten verleent, waarbij Werkgever zich ten doel heeft gesteld om voor zijn opdrachtgever, hierna te noemen: 'Client' [ [client van werkgever] ] op het gebied van onder andere inlenersaansprakelijkheid, arbeidsrechtelijke aansprakelijkheid en aansprakelijkheden op het gebied van het sociale zekerheidsrecht, alles in de ruimste zin des woords, voor zover mogelijk preventieve maatregelen te treffen, strekkende tot bescherming van zijn Cliënt op deze gebieden.

  • -

    Cliënt onder meer werknemers en zelfstandigen detacheert bij diverse inlenende bedrijven, hierna te noemen: 'Inlener' [i.c. [inlener] ]

  • -

    Cliënt onder meer werknemers (van derden) en/of zelfstandigen wil inzetten ten behoeve van het uitvoeren van haar werkzaamheden bij Inlener middels een overeenkomst van opdracht. De werving en selectie van die medewerkers en/of zelfstandigen geschiedt door Cliënt. (...)

  • -

    Werknemer heeft een specifieke deskundigheid die niet of nauwelijks is te vinden op de Nederlandse arbeidsmarkt. Noch binnen de organisatie van Werkgever, cliënt of Inlener zijn er personen die toezicht kunnen houden op de werkzaamheden of leiding kunnen geven aan de Werknemer . Werknemer heeft bij de uitoefening van zijn werkzaamheden een bijzonder grote zelfstandigheid.

  • -

    Client en Inlener om bedrijfsorganisatorische redenen niet direct met zelfstandigen (...) zaken wensen te doen.

(…)

Cliënt Werkgever heeft verzocht om namens haar een arbeidsovereenkomst te sluiten met Werknemer die werkzaamheden gaat uitvoeren ten bate van de Cliënt en/of Inlener.

(…)

  • -

    Werkgever werknemer wenst aan te nemen als werknemer uitsluitend om tijdelijk - te weten voor de duur van het Project - gedetacheerd te worden bij Cliënt of Inlener om de diensten te leveren in overeenstemming met de bepalingen van de overeenkomst tussen de Werkgever en Cliënt en/of met de bepalingen van de overeenkomst tussen Cliënt en Inlener.

  • -

    Werknemer en Werkgever, met inachtneming van de onderstaande voorwaarden, een arbeidsovereenkomst voor de duur van het Project zoals gespecificeerd in het Schema willen sluiten.

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

(...)

1. Aanvang en duur van de arbeidsovereenkomst

1.1 (…)

Werknemer treedt bij Werkgever in dienst in de functie zoals vermeld in het Schema. De arbeidsovereenkomst vangt aan op de datum indiensttreding zoals vermeld in het Schema en wordt aangegaan voor bepaalde tijd welke wordt bepaald door c.q. afhankelijk is van de duur van het Project zoals vermeld in het Schema.

(...)

1.4

De arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege zodra (de werkzaamheden zoals beschreven in) het Project is/zijn voltooid en/of afgerond. De overeenkomst eindigt derhalve op die datum zonder dat opzegging, aanzegging of enige andere handeling of kennisgeving behoeft plaats te vinden. De aanzegverplichting conform artikel 7:668 BW is niet van toepassing daar bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst schriftelijk is overeengekomen dat deze eindigt op een tijdstip dat niet op een kalenderdatum is gesteld.

1.5

De Cliënt en/of Inlener is leidend in het vaststellen van de bepaling van de einddatum van het Project.

(...)

3. Einde arbeidsovereenkomst

3.1

De arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege en zal met onmiddellijke ingang en zonder verplichtingen voor Werkgever eindigen in één van de volgende gevallen:

naar goeddunken van Werkgever op enig moment tijdens de proefperiode;

bij de beëindiging van het Project zoals omschreven in het Schema;

bij de beëindiging van de overeenkomst en of deelovereenkomst tussen de Cliënt en Werkgever om welke reden dan ook;

wanneer Cliënt/Inlener het ontslag of verwijdering van Werknemer van het Project verlangt naar aanleiding van een daad, nalatigheid of gebrek van Werknemer;

(…)

7. Arbeids- en bedrijfsregels

(...)

7.2

Werknemer zal de werkzaamheden voor het Project uitvoeren zoals beschreven in het Schema en volgens de aanwijzingen van cliënt. (...)

(...)

Schema bijzondere bepalingen en voorwaarden met betrekking tot de arbeidsovereenkomst

(…)

Projectomschrijving:

Planning and Logistics

Het project wordt gedefinieerd als de diensten uitgevoerd door Werknemer op de locatie van Inlener conform de overeenkomst tussen Werkgever en Cliënt. Het project zoals overeengekomen met Cliënt zal beginnen op de datum vermeld in clausule 1.1 van de overeenkomst en zal eindigen op de datum bepaald door Cliënt of zoals anderszins is bepaald in de overeenkomst, dan wel op het moment waarop de overeenkomst van opdracht tussen Cliënt en Werkgever eindigt.

In het geval dat Cliënt een gedetailleerde omschrijving van het project heeft verschaft aan de projectdienst van Werkgever, zal Werkgever een kopie daarvan bij dit schema voegen.

(...)

De tijdelijke versterking van de flexibele schil met betrekking tot productie and installatie diensten voor rekening van de opdrachtgever/afnemer van de diensten.

De Werknemer treedt in de rol van Teamleider binnen het Planning & Logistics project. In dit project is de Werknemer verantwoordelijk voor de coördinatie werkzaamheden.

(...)

Voltooiing Project:

De arbeidsovereenkomst is voor de duur van het project.

Het project moet als voltooid worden beschouwd:

  • -

    Op elk moment dat de opdrachtgever/afnemer van de diensten de werkgever kennis heeft gegeven dat de tijdelijke versterking van de flexibele schil tot/ op zijn einde is gekomen.

  • -

    Op elk moment dat de opdrachtgever/afnemer van de diensten de werkgever op de hoogte heeft gesteld dat de resultaten zijn bereikt.

  • -

    Op elk moment dat de opdrachtgever/afnemer van de diensten de werkgever op de hoogte heeft gesteld dat het project tot een einde is gekomen.

(,,,)".

10.4.

Op 23 november 2016 vond een meeting plaats bij [inlener] . [werknemer] had deze uitnodiging ruim van tevoren afgewezen, maar diende deze meeting volgens het management van [inlener] toch bij te wonen. Dit werd haar in de middag van 22 november 2016 medegedeeld. [werknemer] heeft ervoor gekozen deze meeting aan zich voorbij te laten gaan.

10.5.

Op 28 november 2016 heeft [werknemer] een gesprek gehad met haar direct leidinggevende, [leidinggevende] .

10.6.

Diezelfde middag heeft [werknemer] zich ziekgemeld vanwege de druk vanuit het werk, griep en hoofdpijnklachten. Zij werd op 29 december 2016 gezien door een Arboarts.

Deze oordeelde dat er sprake was van werk-gerelateerde klachten, niet van ziekte of gebrek vanuit een medische aandoening. [werknemer] heeft zich op 14 februari 2017 per e-mail beter gemeld.

10.7.

Bij brief van 13 december 2016 schrijft [werkgever] aan [werknemer] het volgende:

"We herewith wish to inform you that your contract of employment for a fixed period of time, i.e. the duration of the project, between you and [werkgever] has been, pursuant to the clauses I and 2 of your contract of employment, terminated automatically by operation of law on 31-12-2016.

The client, as mentioned in your schedule, has terminated its contract with [werkgever] from which follows automatically that the project for the duration whereof you have entered into a contract of employment with [werkgever] has come to an end.

The client had been informed by her supplier [inlener] that the project has come to an end. (...) "

10.8.

[werknemer] heeft [werkgever] bij dagvaarding van 24 maart 2017 in kort geding gedagvaard en loondoorbetaling gevorderd.

10.9.

Bij brief van 28 maart 2017 schrijft [werkgever] aan [werknemer] :

"Op uw verzoek is op 24 maart 2017 een kort gedingdagvaarding aan cliënt betekend. Daarin stelt u zich op het standpunt dat u een arbeidsovereenkomst (uitzendovereenkomst) bent aangegaan met [client van werkgever] (…), en dat tussen u en cliënte een overeenkomst sui generis geldt (…). Indien en voor zover zulks juist mocht zijn (en tussen cliënten en u thans nog een overeenkomst sui generis mocht gelden), is dat een overeenkomst die opzegbaar is. Hierdoor wordt die gestelde overeenkomst sui generis met onmiddellijke ingang, althans subsidiair tegen de rechtens eerst mogelijke datum, opgezegd."

10.10.

Bij vonnis in kort geding van 1 mei 2017 heeft de voorzieningenrechter de vordering van [werknemer] afgewezen.

11 Het geschil en de beoordeling in eerste aanleg

11.1.

[werknemer] vordert hoofdelijke veroordeling van [werkgever] en [client van werkgever] om aan haar het maandelijkse brutoloon (door) te betalen, vanaf 1 januari 2017 tot 14 februari 2017 ten bedrage van € 3.172,07 inclusief vakantietoeslag en vanaf 14 februari 2017 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd ten bedrage van € 4.531,52 inclusief vakantietoeslag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente.

[werknemer] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd, verkort weergegeven, dat de omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst is ondertekend namens [werkgever] , er niet aan afdoet dat zij materieel een arbeidsovereenkomst heeft met [client van werkgever] . [werknemer] is door [client van werkgever] ter beschikking gesteld van [inlener] om krachtens een door [inlener] aan [client van werkgever] verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van [inlener] . [werkgever] is een payrollbedrijf en heeft alleen de arbeidsovereenkomst en de salarisbetalingen verzorgd. Met [werkgever] heeft geen gezagsverhouding bestaan.

[werknemer] stelt zich op het standpunt dat de projectclausule zoals verwoord in de artikelen 1.1, 1.5, 3.1 en het Schema, niet rechtsgeldig is, omdat uit de clausule niet blijkt wat het project inhoudt en wat het tijdelijke karakter ervan is en omdat het einde van het project, en daarmee de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, (mogelijk) afhankelijk is gemaakt van de wil van [client van werkgever] , hetgeen niet rechtsgeldig is. Bovendien is het project feitelijk niet beëindigd; na 31 december 2016 heeft iemand anders de werkzaamheden van [werknemer] voortgezet.

Het gevolg van het ontbreken van een rechtsgeldige projectclausule is dat er geen bepaalde tijd is overeengekomen en dat er daarom sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [werknemer] heeft recht op doorbetaling van haar loon totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd. [client van werkgever] als materieel werkgever en [werkgever] als formeel werkgever zijn daarvoor beide aansprakelijk, aldus [werknemer] .

11.2.

[werkgever] en [client van werkgever] hebben verweer gevoerd tegen de vordering.

11.3.

De kantonrechter heeft, voor zover in hoger beroep relevant, [werknemer] gevolgd in haar standpunt dat geen sprake is van een rechtsgeldige projectclausule. De arbeidsovereenkomst is volgens de kantonrechter dan ook niet van rechtswege geëindigd, maar moet worden geacht voor onbepaalde tijd te zijn aangegaan.

De brief van [werkgever] van 13 december 2016 moet volgens de kantonrechter evenwel worden gekwalificeerd als een opzegging van de (voor onbepaalde tijd aangegane) arbeidsovereenkomst tegen 1 januari 2017. [werknemer] had tegen die opzegging kunnen ageren door op de voet van artikel 7:681 BW bij de kantonrechter een verzoekschrift in te dienen, maar [werknemer] heeft dat niet gedaan, althans niet binnen de in artikel 7:686a lid 4 BW bepaalde vervaltermijn (twee maanden tegen de dag waartegen is opgezegd). Dat betekent volgens de kantonrechter dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst onaantastbaar is geworden.

De kantonrechter heeft de vordering van [werknemer] afgewezen.

12 De motivering van de beslissing in hoger beroep

12.1.

[werknemer] heeft één grief aangevoerd en concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vordering.

12.2.

De grief van [werknemer] is gericht tegen rechtsoverweging 4.6 van het bestreden vonnis. Die overweging luidt: "Naar het oordeel van de kantonrechter is de strekking van de brief van 13 december 2016, in samenhang met de begeleidende e-mail, duidelijk: [werkgever] ging uit van het einde van het dienstverband. [werkgever] verkeerde op dat moment weliswaar ten onrechte in de veronderstelling dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege was geëindigd, maar die onjuiste veronderstelling doet niet af aan de bedoeling van [werkgever] . De stelling van [werknemer] dat de wil van [werkgever] er niet op was gericht het dienstverband met [werknemer] te beëindigen, blijkt niet uit de overgelegde stukken. (…)"

[werknemer] voert in hoger beroep primair aan dat [werkgever] de arbeidsovereenkomst niet heeft kunnen opzeggen omdat [werkgever] niet de (materieel) werkgever is van [werknemer] , maar in feite alleen de salarisadministrateur. De bevoegdheid om de arbeidsovereenkomst op te zeggen kwam alleen [client van werkgever] toe, de materieel werkgever, maar de wil van [client van werkgever] om dat te doen blijkt niet uit de brief van 13 december 2016.

Subsidiair voert [werknemer] aan dat de brief van 13 december 2016 slechts een mededeling als bedoeld in artikel 7:668 lid 1 BW betreft en geen opzegging behelst. In de brief wordt slechts geconstateerd dat het project is geëindigd en dat daarom ook de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt. Van de wil van [werkgever] en/of [client van werkgever] om de arbeidsovereenkomst op te zeggen blijkt niet uit de brief.

12.3.

Naar het oordeel van het hof heeft [werkgever] , die de arbeidsovereenkomst met [werknemer] is aangegaan, als formeel werkgever ook de bevoegdheid om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Als het zo zou zijn dat [werkgever] de overeenkomst is aangegaan namens [client van werkgever] als materieel werkgever, dan moet het ervoor worden gehouden dat [werkgever] de arbeidsovereenkomst namens [client van werkgever] heeft kunnen opzeggen.

Overigens heeft [werknemer] zich pas in dit hoger beroep op het standpunt gesteld dat niet [werkgever] maar alleen [client van werkgever] de arbeidsovereenkomst heeft kunnen opzeggen.

Het primaire standpunt van [werknemer] wordt verworpen.

12.4.

De vraag of de mededeling in de brief van [werkgever] van13 december 2016 al dan niet (ook) als een opzegging kwalificeert, moet worden beantwoord aan de hand van de artikelen 3:33 en 3:35 BW (de wilsvertrouwensleer). Het gaat dan om de vraag wat [werkgever] met de brief tot uitdrukking heeft willen brengen en hoe [werknemer] dat heeft mogen opvatten. Bij die beantwoording zijn alle omstandigheden van het geval van belang.

12.5.

Het hof stelt het volgende voorop. Partijen zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was aangegaan en dat deze zou eindigen op een tijdstip dat niet op een kalenderdatum is gesteld. In een geval waarin wel een bepaalde einddatum is overeengekomen, is ingevolge art 7:668 lid 2, aanhef en onder a, BW vereist dat de werkgever de werknemer schriftelijk informeert uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt. Weliswaar moet bij de behandeling van de grief ervan worden uitgegaan dat de projectclausule niet voldoet aan de eisen die daaraan gesteld plegen te worden, maar gezien de benaming van de overeenkomst (arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van een project) en diverse uitdrukkelijke bepalingen in de arbeidsovereenkomst was het voor alle betrokkenen bij het aangaan de arbeidsovereenkomst duidelijk dat de arbeidsovereenkomst de strekking had dat [werknemer] niet voor onbepaalde tijd, maar slechts voor een beperkte periode, namelijk voor de duur van het project, werkzaamheden voor [inlener] ging verrichten. Niet is gebleken dat [werknemer] vóór de brief van 13 december 2016 de projectclausule ter discussie heeft gesteld. Op grond hiervan valt al moeilijk in te zien dat de mededeling in de brief van 13 december 2016 zou moeten worden gezien als een aanzegging in de zin van art 7:668 lid 1 BW, omdat een dergelijke situatie, te weten een overeenkomst voor bepaalde tijd die op een bepaalde kalenderdatum zou eindigen, niet aan de orde was.

12.6.

Het hof overweegt verder dat in de brief van 13 december 2016 zonder meer duidelijk wordt gemaakt dat [inlener] het project heeft beëindigd en dat [werknemer] wordt medegedeeld dat om die reden tevens de arbeidsovereenkomst met [werknemer] eindigt en wel op de 31e van die maand. Met de ontvangst van de brief werd het [werknemer] duidelijk dat en op welk moment [werkgever] de arbeidsovereenkomst wilde laten eindigen.

12.7.

Uit de brief blijkt de niet mis te verstane wil van [werkgever] om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. [werknemer] heeft die mededeling naar het oordeel van het hof moeten opvatten als een opzegging van de arbeidsovereenkomst.

[werknemer] heeft de brief van 13 december 2016 ook daadwerkelijk opgevat als een opzegging. Bij e-mail van dezelfde dag reageert [werknemer] : "Conform de door ons overeengekomen arbeidsovereenkomst kan deze opgezegd worden (…)". Dat [werknemer] in het vervolg van haar e-mail uiteenzet dat en waarom volgens haar de wettelijke opzegtermijn niet in acht is genomen en er op dat moment een opzegverbod geldt vanwege haar arbeidsongeschiktheid, doet er niet aan af dat [werknemer] de brief kennelijk als een - zij het volgens haar ongeldige - opzegging beschouwt.

Bij e-mail van 16 december 2016 deelt [werknemer] [werkgever] verder mee: "(…) In de huidige situatie zal opzegging geen stand kunnen houden en zal een vernietiging van de opzegging voorhanden liggen. Derhalve bent u gehouden om de wettelijke opzegtermijn van 1 maand te hanteren". Ook hieruit blijkt dat [werknemer] in de veronderstelling verkeerde dat de arbeidsovereenkomst was opgezegd en dat zij de brief in die zin heeft opgevat.

Nadien heeft (de advocaat van) [werknemer] zich op het standpunt gesteld dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, namelijk bij e-mail aan [werkgever] van 14 februari 2017. In die e-mail schrijft haar advocaat, na een uiteenzetting waarom de projectclausule niet rechtsgeldig is en er zijns inziens dus sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd: "Deze arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is niet rechtsgeldig opgezegd. De arbeidsovereenkomst duurt aldus voort en cliënte heeft recht op loondoorbetaling". Dat [werknemer] de brief van 13 december 2016 heeft opgevat als een opzegging, zoals uit haar e-mails onmiskenbaar blijkt, wordt in deze e-mail niet bestreden.

12.8.

Anders dan [werknemer] heeft aangevoerd is de werknemersbescherming niet in het geding geweest. De ratio van de vervaltermijn van twee maanden is gelegen in de wens van de wetgever om in geval van discussie over de rechtsgeldigheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst snel rechtszekerheid te scheppen. In deze zaak is vanaf 13 december 2016 discussie ontstaan over de rechtsgeldigheid van de opzegging, zoals ook blijkt uit de hiervoor weergegeven e-mails van [werknemer] . Ook toen [werknemer] zich op het standpunt stelde dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gold, in ieder geval op 14 februari 2017 toen nog tijdig een verzoekschrift tot vernietiging van de opzegging kon worden ingediend, had [werknemer] zich kunnen en moeten afvragen wat de implicaties waren van de brief van 13 december 2016, temeer omdat [werknemer] [werkgever] eerder te kennen had gegeven de brief als een - vernietigbare - opzegging te beschouwen.

Gezien het voorgaande faalt ook het subsidiaire standpunt van [werknemer] .

13 De slotsom

13.1.

De grief faalt. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen.

13.2.

Het hof zal [werknemer] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep veroordelen. Die kosten worden begroot op:

- griffierecht € 726,00

- salaris advocaat € 1.114,00

De kosten van de antwoordakte van geïntimeerden van 16 april 2019 worden op nihil begroot.

14 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Eindhoven (rechtbank Oost-Brabant) van 13 september 2018;

veroordeelt [werknemer] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [werkgever] en [client van werkgever] begroot op € 726,00 voor griffierecht en op € 1.114,00 voor salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, O.G.H. Milar en A. van Zanten-Baris en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 februari 2021.

griffier rolraadsheer