Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:270

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-01-2021
Datum publicatie
12-02-2021
Zaaknummer
200.285.558_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot leggen conservatoir beslag op onroerende zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht

Uitspraak: 28 januari 2021

Zaaknummer: 200.285.558/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/283633 / KG RK 20-681

in de zaak in hoger beroep van

[appellant 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [appellant 1] ,

en

[appellant 2] ,

wonende te [woonplaats] (Groothertogdom Luxemburg),

hierna te noemen: [appellant 2] ,

appellanten,

advocaat voor beiden: mr. W.G.M.M. van Montfort te Heerlen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 oktober 2020, waarin het verzoek van [appellant 1] en [appellant 2] strekkende tot het leggen van conservatoir beslag (op onroerende zaken) is afgewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 november 2020, hebben [appellant 1] en [appellant 2] het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen, het hoger beroep gegrond te verklaren en te beslissen dat aan hen alsnog verlof zal worden verleend tot het leggen van conservatoir beslag op een 21-tal onroerende zaken zoals onder punt 23 van het beroepschrift opgesomd, kosten rechtens.

2.2.

De mondelinge behandeling in hoger beroep was door het hof bepaald op 16 december 2020. Bij faxbericht van 15 december 2020 heeft mr. van Montfort het hof bericht deze zitting vanwege onvoorziene omstandigheden niet te kunnen bijwonen en het hof voorts verzocht de zaak schriftelijk af te wikkelen. De op 16 december 2020 geplande mondelinge behandeling is daarmee komen te vervallen.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen [appellant 1] en [betrokkene] , hierna te noemen: [betrokkene] bestaat een geschil over de uitleg van een tussen hen gesloten overeenkomst en in het verlengde daarvan over de nakoming van die overeenkomst door [betrokkene] In een procedure hierover - waarin bijna € 100.000,= wordt gevorderd - heeft [appellant 1] zich op het standpunt gesteld dat een hoofdsom van € 75.000,-- alsnog door [betrokkene] , dient te worden voldaan omdat hij geen betalingen meer aan [appellant 1] heeft verricht. In eerste aanleg is [appellant 1] in het ongelijk gesteld. [appellant 1] heeft hoger beroep ingesteld.

Verder wordt gesteld dat [appellant 1] aan [appellant 2] een vorderingsrecht heeft gecedeerd, inhoudende dat de invorderingskosten uit hoofde van de overeenkomst van geldlening van [betrokkene] aan [appellant 2] zijn gecedeerd. In een procedure hierover tegen [betrokkene] is [appellant 2] in het ongelijk gesteld. [appellant 2] is daarvan in hoger beroep gegaan.

3.2.

Bij verzoekschrift, zoals door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, op 13 oktober 2020 ontvangen, hebben [appellant 1] en [appellant 2] aan de voorzieningenrechter van voornoemde rechtbank verzocht om ter verzekering van verhaal ten aanzien van de vordering welke zij stellen te hebben op [betrokkene] , ex artikel 725 Rechtsvordering (Rv) beslag te mogen leggen op een aantal onroerende zaken die [betrokkene] in eigendom toebehoren. Voornoemde voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen en daartoe, kortgezegd, overwogen dat niet gebleken is dat de door [appellant 1] en [appellant 2] gestelde vordering op [betrokkene] summierlijk deugdelijk is.

3.3.

[appellant 1] en [appellant 2] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen. Zij hebben daarbij in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De voorzieningenrechter verwijst in de beschikking waarvan beroep slechts naar een tweetal uitspraken (het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 23 maart 2016, gewezen tussen [appellant 1] en [betrokkene] , en het proces-verbaal houdende een mondelinge uitspraak van dezelfde rechtbank van 21 augustus 2019) in de zaak tussen [appellant 2] en [betrokkene] zonder dat daar verder enige motivering aan wordt gewijd, aldus [appellant 1] en [appellant 2] . Er is derhalve sprake van een motiveringsgebrek; voor [appellant 1] en [appellant 2] is immers volstrekt onduidelijk gebleven wat nu de overwegingen van de voorzieningenrechter zijn geweest om tot een afwijzing van het verzoek te komen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter eveneens verzuimd om melding te maken van het feit dat tegen de twee genoemde uitspraken hoger beroep is ingesteld en er daarom geen sprake is van in kracht van gewijsde gegane uitspraken. Deze uitspraken kunnen dan ook niet gelden als uitgangspunt voor een afwijzing van het gevorderde conservatoir beslag. Er is derhalve sprake van een feitelijke en/of juridische kennelijke misslag. Bovendien is gebleken dat de tenuitvoerlegging van de beslissing onherroepelijk financiële gevolgen voor [appellant 1] en [appellant 2] heeft. Er is sprake van een restitutierisico. [appellant 1] en [appellant 2] stellen dat onder de omstandigheden van het geval het belang van [appellant 1] en [appellant 2] bij het behoud van de bestaande toestand totdat in het hoger beroep beslist is zwaarder zou dienen te wegen dan het belang van [betrokkene] bij de tenuitvoerlegging van het vonnis.

3.4.

Het hof overweegt als volgt.

3.5.

In deze zaak gaat het erom of verlof kan worden verleend voor het leggen van conservatoir beslag op (21) onroerende zaken als verzocht.

3.6.

Het hof stelt voorop bij de beoordeling van dat verzoek in aanmerking te nemen dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat voor een vooralsnog niet vaststaande vordering verhaal mogelijk zal zijn ingeval de vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen.

3.7.

Daarbij dient evenwel te worden beoordeeld of de gestelde, vooralsnog niet vaststaande, vordering summierlijk deugdelijk is.

Daarvan is in dit geval naar het oordeel van het hof geen sprake, omdat de daarvoor vereiste voldoende plausibele, consistente en juridisch logische onderbouwing van de vermeende vordering in het betoog van [appellant 1] en [appellant 2] ontbreekt. Zo ontbreekt het naar het oordeel van het hof - naast de enkel gestelde lineaire betaling door [betrokkene] - aan een (verdere) toereikende toelichting op de door [appellant 1] gestelde, van de tekst van de overeenkomst tussen [appellant 1] en [betrokkene] afwijkende, bedoeling van partijen.

Hoewel van na te noemen uitspraken hoger beroep is ingesteld, zodat enkel de inhoud ervan niet beslissend mag zijn voor de onderhavige beoordeling van het al dan niet verlenen van beslagverlof door het hof, wordt door het hof als omstandigheid meegewogen (vergelijk HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:599) hetgeen door de rechter in eerste aanleg is overwogen en beslist in het vonnis van 23 maart 2016 van de rechtbank Midden-Nederland (C/16/354458 / HA ZA 13-762) en in het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van voornoemde rechtbank van 21 augustus 2019 (NL 19.5916). De rechtbank is in de eerste van die uitspraken (na onder meer [appellant 1] in de gelegenheid te hebben gesteld tot bewijs van zijn stellingen, welk bewijs niet geleverd is geacht) - kort gezegd - tot het oordeel gekomen dat sprake is van een geldleningsovereenkomst – derhalve geen rendementsovereenkomst - tussen [appellant 1] en [betrokkene] , dat [betrokkene] door het staken van zijn betalingen aan [appellant 1] niet in verzuim is gekomen en niet tekortgeschoten is in de nakoming van die geldleningsovereenkomst, en dat [appellant 1] sr. (na verrekening met een vordering van [betrokkene] op [appellant 1] ) geen opeisbare vordering had. Rekening houdend met deze omstandigheden ligt het op de weg van [appellant 1] en [appellant 2] om hun vermeende vorderingen in het kader van het onderhavige verzoek extra te verduidelijken. Daarin zijn zij naar het oordeel van het hof niet geslaagd.

Hierbij komt dat de aanspraken van [appellant 2] volledig afhankelijk zijn van het slagen van de vorderingen van [appellant 1] .

Daarbij acht het hof de wijze waarop (de onderbouwing van) vordering van [appellant 1] in aanvulling op de originele vordering, kortgezegd bestaande uit ‘het belegd vermogen’ en ‘de achterstallige termijnen’ inclusief rente en kosten, is geformuleerd dermate ondoorgrondelijk opgebouwd dat de (eventuele) gegrondheid van die vordering daaruit geenszins kan worden herleid. Zo worden de grondslag en omvang van de door [appellant 1] en [appellant 2] in aanvulling op de originele vordering (inclusief rente en kosten) onder andere opgevoerde boete, onrechtmatige verrijking en toekomstige schade (punt 15 van het beroepschrift) niet, althans naar het oordeel van het hof in ontoereikende mate uiteengezet of op een deugdelijke wijze cijfermatig onderbouwd.

Ook is de begroting van de vordering van [appellant 2] in het verzoek (op € 475.000,-) onvoldoende aannemelijk gemaakt bij een beloop aan gestelde invorderingskosten van € 67.000,-.

3.8.

Voorts oordeelt het hof, anders dan door [appellant 1] en [appellant 2] betoogd, dat (summiere) afweging van de wederzijdse belangen in dit geval uitvalt in het voordeel van [betrokkene] [appellant 1] en [appellant 2] hebben bij beroepschrift betoogd dat de belangenafweging aan de hand van alle omstandigheden van het geval zodanig dient uit te vallen dat het belang van [appellant 1] en [appellant 2] bij het behoud van de bestaande toestand, totdat in het hoger beroep beslist is, zwaarder dient te wegen dan het belang van [betrokkene] bij de tenuitvoerlegging

van het vonnis. [appellant 1] en [appellant 2] stellen dat hun belang erin is gelegen dat het vermogen waar het geschil omdraait een aanvulling is op de uitkering uit hoofde van de Algemene Ouderdomswet welke door [appellant 1] wordt genoten en dat er sprake zou zijn van een restitutierisico. [appellant 1] en [appellant 2] hebben verzuimd dit risico, meer in het bijzonder de kans hierop en de mogelijke omvang hiervan, nader toe te lichten dan wel te onderbouwen. Daar staat tegenover dat de aard en omvang van het door [appellant 1] en [appellant 2] verzochte conservatoire beslag een enorme financiële impact op [betrokkene] zou (kunnen) hebben. Het betreft immers een (verzocht) conservatoir beslag op een 21 tal onroerende zaken (zoals weergegeven onder punt 15 van het beroepschrift). Niet alleen staat de financiële schade welke als gevolg van een conservatoir beslag op al deze panden door [betrokkene] -die, voor zover bij het hof bekend, doet in investeringen in onroerend goed- zou worden geleden niet in verhouding tot de gestelde, relatief beperkte hoofdsom van de vorderingen van [appellant 1] en [appellant 2] .Het hof is tevens van oordeel dat, gelet op de inhoud van de overgelegde stukken, niet zonder meer kan worden aangenomen dat [appellant 1] en [appellant 2] in staat zullen zijn deze schade van [betrokkene] binnen afzienbare tijd te compenseren indien hun vordering in de hoofdzaak definitief zal worden afgewezen en zij op grond daarvan voor de voornoemde financiële schade aan de zijde van [betrokkene] – bij toegestane beslaglegging – aansprakelijk zouden zijn.

3.9.

Gelet op het vorengaande acht het hof het verzoek tot het verlenen van verlof voor het leggen van conservatoir beslag onvoldoende gegrond en zal het hof de beschikking waarvan beroep dan ook bekrachtigen.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, R.R.M. de Moor en T. van der Valk en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2021.