Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2639

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
07-09-2021
Zaaknummer
200.287.511_01 en 200.295.320_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijf

Zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 26 augustus 2021

Zaaknummers: 200.287.511/01 en 200.295.320/01

Zaaknummers eerste aanleg: C/03/279261 / FA RK 20-2241 en

C/03/285128 / FA RK 20-4293

in de zaak in hoger beroep 200.287.511/01:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: voorheen mr. C.C.J. Aarts, thans mr. L. Stam,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.A.N.H. Theeuwen-Verkoeijen.

en in de zaak in hoger beroep van 200.295.320/01

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in principaal hoger beroep,

tevens verweerder in incidenteel hoger beroep,

advocaat: voorheen mr. C.C.J. Aarts, thans mr. L. Stam,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal hoger beroep,

tevens verzoekster in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. R.A.N.H. Theeuwen-Verkoeijen.

Deze zaken gaan over [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg in beide zaken

In zaak 200.287.511/01

1.1.

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 25 september 2020.

In zaak 200.295.320/01

1.2.

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 5 maart 2021.

2 Het geding in hoger beroep in beide zaken

In zaak 200.287.511/01

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen bij de griffie op 23 december 2020, heeft de vader verzocht voormelde beschikking van 25 september 2020 te vernietigen en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder verbetering of aanvulling van de gronden:

- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader zal zijn;

- de contactregeling te wijzigen in die zin dat [minderjarige] van zondag 17.00 uur tot vrijdag 17.00 uur bij de vader verblijft en alle weekenden bij de moeder, waarbij de moeder [minderjarige] op zondag naar de vader brengt en de vader [minderjarige] op vrijdag naar de moeder brengt en ten aanzien van de vakanties te bepalen dat [minderjarige] bij de moeder verblijft in de verdeling 4,5 dag per week bij de moeder en 2,5 dag per week bij de vader, mits deze vakantieperiodes binnen de vakanties van de peuterspeelzaal in [woonplaats vader] zijn en de moeder zelf vakantie heeft, met uitzondering van de zomervakantie die evenredig wordt verdeeld tussen de ouders, alsmede te bepalen dat [minderjarige] ieder jaar op Tweede Paasdag, Tweede Pinksterdag en Hemelvaartsdag bij de moeder zal verblijven,

kosten rechtens.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen bij de griffie op 15 juni 2021, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans zijn verzoeken af te wijzen als rechtens ongegrond en/of onbewezen.

2.3.

Het hof heeft daarnaast kennisgenomen van:

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van de vader, ingekomen op 11 januari 2021;

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder, ingekomen op 22 juni 2021;

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van de vader, ingekomen op 28 juni 2021.

In zaak 200.295.320/01

2.4.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen bij de griffie op 4 juni 2021, heeft de vader verzocht voormelde beschikking van 5 maart 2021 te vernietigen voor wat betreft de schoolvakantieregeling met uitzondering van de kerst- en zomervakantie, de feestdagenregeling en de beslissing dat [minderjarige] buiten de aanwezigheid van de partners wordt overgedragen, en alsnog rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- een bijzondere curator te benoemen teneinde te onderzoeken welk gezinssysteem voor [minderjarige] het meest past en aldaar haar hoofdverblijf te bepalen en te bepalen dat [minderjarige] daar naar de basisschool gaat en mocht dat bij de vader zijn hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op basisschool [basisschool 1] te [woonplaats vader] ;

- een contactregeling vast te stellen inhoudende:

- primair dat [minderjarige] drie van de vier weekenden bij de moeder verblijft vanaf vrijdagmiddag na school tot en met maandagochtend voor school, waarbij de moeder [minderjarige] op vrijdag uit school haalt en [minderjarige] op maandag naar school brengt, een verdeling van de studiedagen en eventueel compensatie in de vakanties, en de feestdagen om en om te verdelen, waarbij de verjaardag van [minderjarige] en sinterklaas wordt gevierd bij de ouder waar zij haar hoofdverblijf niet heeft, en dat [minderjarige] bij de vader verblijft op de verjaardag van [halfzusje] ;

- subsidiair dat [minderjarige] drie weekenden bij de moeder verblijft vanaf vrijdagmiddag na school tot en met maandagochtend voor school, waarbij de moeder [minderjarige] op vrijdag uit school haalt en [minderjarige] op maandag naar school brengt, en het vierde weekend van vrijdag na school tot zaterdag 17.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] op school ophaalt en de vader [minderjarige] bij de moeder ophaalt, een verdeling van de studiedagen en eventueel compensatie in de vakanties, en de feestdagen om en om te verdelen, waarbij de verjaardag van [minderjarige] en sinterklaas wordt gevierd bij de ouder waar zij haar hoofdverblijf niet heeft, en dat [minderjarige] bij de vader verblijft op de verjaardag van [halfzusje] ;

- welke primaire of subsidiaire regeling in spiegelbeeld ook voor de vader geldt indien het hof de verleende vervangende toestemming voor inschrijving op de Jenaplan basisschool [basisschool 2] te [woonplaats moeder] bekrachtigt.

2.5.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen bij de griffie op 13 juli 2021, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans zijn verzoeken af te wijzen als rechtens ongegrond en/of onbewezen.

Tevens heeft de moeder incidenteel hoger beroep ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen en verzocht:

- de bestreden beschikking van 5 maart 2021 te bekrachtigen ten aanzien van de bepaling dat de ouders tijdens de uitvoering van de contactregeling in beginsel de overdracht van [minderjarige] dienen te verzorgen buiten aanwezigheid van hun partners en daarbij te bepalen dat de vader een dwangsom dient te betalen aan de moeder van € 100,-- per keer met een maximum van € 5.000,-- voor iedere keer dat de vader de beschikking van het hof op dit onderdeel overtreedt;

- te bepalen dat de tijd dat [minderjarige] van huis wisselt tijdens de vakanties, met uitzondering van de zomervakantie, telkens op vrijdag om 17.00 uur zal zijn;

- te bepalen dat de tijd dat [minderjarige] van huis wisselt tijdens de zomervakanties telkens op vrijdag om 17.00 uur of op zondag om 17.00 uur zal zijn, waarbij zoveel mogelijk aansluiting dient te worden gezocht bij het verblijf van [minderjarige] op grond van de reguliere zorgregeling;

- te bepalen dat de contactregeling tijdens de zomervakantie van 2021 als volgt zal zijn: [minderjarige] is van vrijdag 23 juli 2021 om 17.00 uur tot en met zondag 25 juli 2021 om 17.00 uur volgens de reguliere regeling bij de vader en vervolgens is [minderjarige] vanaf 25 juli 2021 drie weken aaneengesloten bij de moeder tot zondag 15 augustus 2021 om 17.00 uur waarna de moeder [minderjarige] naar de vader zal brengen en zij drie weken aaneengesloten bij de vader zal verblijven tot zondag 5 september 2021 om, bij uitzondering, 16.00 uur;

- te bepalen dat [minderjarige] met Oud en Nieuw 2022 vanaf 31 december om 12.00 uur bij de moeder zal verblijven;

- te bepalen dat de inhoud van het onder productie 7 bij het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep overgelegde document [afspraken met betrekking tot medische aangelegenheden en spullen [minderjarige] ] integraal in de beschikking wordt opgenomen en daarbij te bepalen dat beide partijen zich hieraan met ingang van de datum van de beschikking dienen te houden,

kosten rechtens.

2.6.

Bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep, ingekomen bij de griffie op 16 juli 2021, heeft de vader verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alle verzoeken van de moeder af te wijzen, dan wel ongegrond te verklaren.

2.7.

Het hof heeft daarnaast kennisgenomen van:

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van de vader, ingekomen op 15 juni 2021;

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder, ingekomen op 22 juni 2021;

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van de vader, ingekomen op 28 juni 2021.

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van de vader, ingekomen op 1 juli 2021;

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van de vader, ingekomen op 9 juli 2021;

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder, ingekomen op 14 juli 2021;

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder, ingekomen op 16 juli 2021.

In beide zaken

2.8.

Gelet op de onderlinge samenhang van de onder nummers 200.287.511/01 en 200.295.320/01 bij de griffie ingeschreven zaken, heeft het hof de zaken gezamenlijk behandeld en wordt in beide zaken in deze beschikking beslist.

2.9.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 juli 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Stam;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Theeuwen-Verkoeijen;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .

3 De beoordeling

In beide zaken

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit de relatie van partijen is op [geboortedatum] 2017 [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

3.2.

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling in een kort geding procedure op 18 april 2018 afspraken gemaakt over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de contactregeling. Zij zijn overeengekomen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder zal zijn en zij zijn een contactregeling overeengekomen inhoudende dat [minderjarige] bij de vader verblijft de ene week van vrijdag om 17.30 uur tot dinsdag om 17.00 uur en de andere week van zondag om 17.00 uur tot dinsdag 17.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt naar de moeder.

3.3.

[minderjarige] staat vanaf 15 januari 2020 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 15 januari 2022.

3.4.

Bij voormelde (bestreden) – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 25 september 2020, heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, aan de moeder toestemming verleend, ter vervanging van de toestemming van de vader, om [minderjarige] in te schrijven bij kinderdagverblijf en peuterspeelzaal [kinderdagverblijf en peuterspeelzaal] te [woonplaats moeder] . Voorts heeft de rechtbank het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen en zijn verzoek tot wijziging van de contactregeling, afgewezen.

In zaak 200.295.320/01

3.5.

Bij voormelde bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 5 maart 2021, heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang:

- aan de moeder vervangende toestemming, ter vervanging van die van de vader, verleend voor het inschrijven van [minderjarige] bij de Openbare Jenaplan Basisschool [basisschool 2] te [woonplaats moeder] met ingang van schooljaar 2021-2022;

- een contactregeling vastgesteld inhoudende dat [minderjarige] vanaf het moment dat zij naar de basisschool gaat bij de vader verblijft eenmaal per veertien dagen van vrijdag een uur nadat de school uit is tot zondag 17.00 uur, vanaf 2021 in de oneven weken en vanaf 2027 in de even weken, alsmede wekelijks van dinsdagmiddag tot woensdagmiddag, waarbij de vader [minderjarige] op dinsdag op school ophaalt en woensdag naar school brengt, dan wel om 13.00 uur naar de moeder terugbrengt;

- een verdeling van de vakanties, feestdagen en nader aangeduide dagen vastgesteld vanaf september 2021 zoals in die beschikking is weergegeven;

- bepaald dat de ouders tijdens de uitvoering van de contactregeling in beginsel de overdracht van [minderjarige] dienen te verzorgen buiten aanwezigheid van hun partners.

In zaak 200.287.511/01

3.6.

De vader kan zich met de bestreden beschikking van 25 september 2020 gedeeltelijk niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.7.

De vader voert in het beroepschrift, samengevat, het volgende aan.

Het hoofdverblijf van [minderjarige] moet bij de vader worden bepaald. De vader heeft hiertoe allerlei feiten en omstandigheden aangevoerd en de moeder heeft niets aangevoerd. Al deze argumenten zijn door de rechtbank gepasseerd zodat een doelredenering lijkt te zijn gevolgd. Partijen zijn in het kader van een kort geding procedure inderdaad overeengekomen dat [minderjarige] zou worden ingeschreven op het adres van de moeder, maar dit betrof een puur administratieve inschrijving waaraan geen waarde kan worden gehecht. De moeder zou hierdoor een hoger kindgebonden budget ontvangen. Feitelijk is sprake van een gelijke verdeling van de zorg. Een wijzing van het hoofdverblijf betekent geen fundamentele of ingrijpende verandering voor [minderjarige] . De (gezins)situatie bij de vader is stabieler en beter voor [minderjarige] dan bij de moeder. De vader en zijn partner zijn flexibeler qua werksituatie. De vader kan zijn werk zo inrichten dat hij er altijd is als [minderjarige] thuis is, zeker in combinatie met zijn partner. Het is allerminst gebruikelijk dat werkende ouders externe kinderopvang regelen als de andere ouder thuis is om voor het kind te zorgen. De vader en zijn partner hebben een groter sociaal netwerk dan de moeder. [minderjarige] gaat al bijna anderhalf jaar naar de peuterspeelzaal in [woonplaats vader] en zij ontwikkelt zich daar goed. Het is in strijd met het belang van [minderjarige] dat zij op twee groepen in [woonplaats moeder] is ingeschreven zodat de moeder kan werken. Het is belangrijk dat [minderjarige] een band kan opbouwen met haar halfzusje [halfzusje] (geboren op [geboortedatum] 2021) en ook dit vormt een zwaarwegend argument om het hoofdverblijf te wijzigen.

De vader heeft niet verzocht de contactregeling enkel te wijzigen als het hoofdverblijf wijzigt. Ook als het hoofdverblijf bij de moeder blijft, kan [minderjarige] feitelijk in overwegende mate bij de vader verblijven. De komst van [halfzusje] vormt hiervoor een zwaarwegend argument. De duurzame affectieve relatie tussen [minderjarige] en [halfzusje] is een fundament in de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] heeft het recht om samen op te groeien in een liefdevol gezinsleven en een veilige omgeving. Ook met haar familie in [woonplaats vader] heeft zij een hele hechte band. Het netwerk van de moeder bestaat enkel uit haar vader en haar zus. Dat [minderjarige] doordeweeks minder bij de moeder kan verblijven wordt in de voorgestelde regeling ruimschoots gecompenseerd door een uitgebreide weekendregeling en een andere verdeling van de vakantieperiodes. De moeder heeft moeite om zich in [minderjarige] te verplaatsen en haar ouderrol te nemen. Zij wil alleen via haar advocaat met de vader communiceren, waardoor de vader zich zorgen maakt over het verbeteren van de onderlinge verstandhouding en communicatie.

Het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving op de peuterspeelzaal in [woonplaats moeder] moet worden afgewezen. Het is niet wenselijk dat [minderjarige] vier dagdelen per week naar de peuterspeelzaal gaat op twee verschillende plekken. De vader heeft meerdere malen te kennen gegeven dat als de moeder vanwege haar werksituatie opvang nodig heeft, hij hiervoor kan zorgen. Hij kan [minderjarige] fulltime opvangen. De moeder blijft de vader structureel uitsluiten van beslissingen met betrekking tot [minderjarige] . [minderjarige] gaat blijkbaar niet op donderdag en vrijdag naar de opvang, maar op woensdag, terwijl de vader dan beschikbaar is. Het is onbegrijpelijk dat externe opvang belangrijker wordt gevonden dan dat [minderjarige] door de vader wordt verzorgd. De vader zorgt feitelijk meer voor [minderjarige] dan de moeder, die haar op woensdag en vrijdag deels naar de opvangt brengt. Het is voor de ontwikkeling van [minderjarige] beter om bij een ouder te verblijven als de andere ouder moet werken. Het verzoek van de moeder is alleen ingegeven vanuit de gedachte dat zij opvang nodig heeft. Over voorbereiding op school of pedagogische argumenten spreekt de moeder niet. De peuterspeelzaal bij de moeder ligt niet in de buurt van de basisschool.

3.8.

De moeder voert in het verweerschrift, samengevat, het volgende aan.

Het belang van [minderjarige] brengt niet mee dat haar hoofdverblijf bij de vader moet zijn. Het is belangrijk dat zij haar huidige stabiele woonsituatie behoudt. [minderjarige] heeft vanaf haar geboorte haar hoofdverblijf bij de moeder. Zij brengt meer tijd door bij de moeder dan bij de vader. Van een structurele regeling waarin [minderjarige] evenveel bij beide ouders verblijft is geen sprake. De moeder heeft haar werktijden zo geregeld dat zij thuis is als [minderjarige] uit school komt. De vader werkt fulltime en bij de vader zal [minderjarige] doordeweeks door anderen dan de ouders moeten worden opgevangen. De vader heeft zich nimmer verzet tegen het hoofdverblijf bij de moeder en nooit wijziging verzocht vanwege zorgen over het verblijf van [minderjarige] bij de moeder. Over het functioneren van de moeder zijn geen zorgen. De moeder biedt [minderjarige] alles wat zij nodig heeft. De vader wil het feit dat de moeder hulp heeft (gehad) en zich daarbij kwetsbaar opstelt tegen haar gebruiken. Bij de moeder woont [minderjarige] in een (samengesteld) gezin met de partner van de moeder en zijn zoon. De vader heeft sinds de geboorte van [minderjarige] al meerdere partners gehad die direct en intensief zijn betrokken bij [minderjarige] en de (slechte) verhouding tussen de ouders. De komst [halfzusje] kan niet van doorslaggevende betekenis zijn voor een wijziging van het hoofdverblijf. De moeder zal het contact met [halfzusje] vanzelfsprekend stimuleren en de contactregeling biedt meer dan voldoende ruimte voor contact tussen de vader en zijn gezin. De moeder vreest dat zij grotendeels verstoken zal blijven van informatie en aan de zijlijn komt te staan als [minderjarige] het hoofdverblijf bij de vader krijgt. De vader blijft de moeder diskwalificeren en hij lijkt weinig vertrouwen te hebben in de moeder als opvoeder van [minderjarige] .

Het verzoek van de vader tot wijziging van de contactregeling is terecht afgewezen. Het is absoluut onlogisch en niet gebruikelijk dat een kind zijn hoofdverblijf bij de ene ouder heeft maar het grootste gedeelte van de tijd bij de andere ouder doorbrengt. Zodra [minderjarige] naar school gaat kan de contactregeling niet meer worden uitgevoerd. De moeder is gekomen tot een uitgebreidere regeling. De vader heeft geen belang meer bij zijn verzoek nu de rechtbank zich bij voormelde beschikking van 5 maart 2021 inhoudelijk over de contactregeling heeft uitgesproken. De door de vader verzochte regeling bevat te veel onduidelijkheden waardoor deze door het gebrek aan communicatie tussen partijen niet uitvoerbaar is. De pogingen van de moeder om afspraken te maken over de wisselmomenten tijdens de zomervakantie worden door de vader slechts gedeeltelijk beantwoord. De vader komt voormelde beschikking van 5 maart 2021 niet volledig na. Zijn partner is geregeld bij de overdracht aanwezig en de vader heeft een eigen schrift gemaakt.

Voor de moeder is opvang noodzakelijk vanwege haar werk. Tijdens de procedure in eerste aanleg is zij van baan gewisseld waardoor haar werkdagen zijn gewijzigd. De vader wist dat [minderjarige] naar een gastouder ging voordat hij haar bij de peuterspeelzaal in [woonplaats vader] aanmeldde en hij heeft de dagdelen uitgebreid van één naar twee. Op dat moment vond de vader het verblijf van [minderjarige] op meerdere plekken geen probleem. Het is geen doen om tijdens de dagdelen dat de moeder werkt telkens op en neer te reizen van [geboorteplaats] naar [woonplaats vader] en bovendien heeft de vader op geen enkele wijze geconcretiseerd hoe zijn werkweek er precies uit ziet. Vanaf de start van de contactregeling is [minderjarige] op maandag steeds de hele dag bij oma vaderszijde verbleven. De vraag is welk belang de vader nog heeft bij zijn verzoek. Zodra [minderjarige] naar school gaat zal het bezoeken van de peuterspeelzaal en het kinderdagverblijf in [woonplaats moeder] niet meer aan de orde zijn omdat de moeder enkel tijdens schooltijden werkt.

In zaak 200.295.320/01

3.9.

Partijen kunnen zich met de bestreden beschikking van 5 maart 2021 deels niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.10.

De vader voert in het beroepschrift en in het verweerschrift in incidenteel hoger beroep, samengevat, het volgende aan.

Er is onvoldoende onderzocht bij wie [minderjarige] het meest op haar plek is om te starten met de basisschool. Hiervoor moet een bijzondere curator worden benoemd. Het is in het belang van de ontwikkeling van [minderjarige] dat zij in [woonplaats vader] naar school gaat en daar doordeweeks opgroeit. Vanaf de geboorte van [minderjarige] hebben de ouders evenveel zorg voor haar gehad. Er moet niet alleen naar de reguliere regeling, maar ook naar de verdeling van de vakanties worden gekeken. De vader voelt zich niet gezien als vader. Het is belangrijk dat [minderjarige] een fijne en stabiele jeugd kan krijgen. De moeder heeft regelmatig last van emotionele buien waardoor een constructieve communicatie onmogelijk is, zo blijkt ook uit rapporten van de raad, de GI en Rubicon. Bij de vader kan [minderjarige] in een compleet gezin opgroeien terwijl zij bij de moeder, zoals het er nu uitziet, als enig kind opgroeit. Bij de vader heeft [minderjarige] haar zusje [halfzusje] waar zij dol op is en op basis van het co-ouderschap zijn zij minimaal de helft van de tijd bij elkaar. Nu worden zij uit elkaar gerukt, waar beide kinderen last van zullen hebben. De vader en zijn partner krijgen waarschijnlijk nog een kindje waardoor [minderjarige] nog meer buiten de boot zal gaan vallen. Zowel de vader als zijn partner zijn zeer goed in staat [minderjarige] te ondersteunen en te begeleiden op school. De vader en zijn partner kunnen [minderjarige] elke dag naar school brengen en haar ophalen. De school is veel dichterbij dan de school van de moeder. In [woonplaats vader] zijn de schooltijden veel meer gestructureerd dan in [woonplaats moeder] en is [minderjarige] op vrijdagmiddag al om 12.30 uur uit. De school in [woonplaats moeder] is pas om 15.00 uur uit waardoor er veel quality-time voor de vader met zijn gezin verloren zou gaan. [minderjarige] zit bij de vader op een voorloper voor de zwemles en het is belangrijk dat zij zo snel mogelijk haar zwemdiploma haalt.

Het is niet in het belang van [minderjarige] dat zij van een uitgebreide contactregeling terugvalt op een zeer beperkte regeling. De dinsdag is zonder overleg vastgesteld. Voor het dansen op woensdagmiddag schrijft de moeder [minderjarige] steeds opnieuw in en deze cursus stopt zodra [minderjarige] naar de basisschool gaat.

[minderjarige] zou een week extra vakantie moeten hebben met de ouder waar zij het hoofdverblijf niet heeft. Volgens de moeder zorgen de overdrachten voor veel spanningen en het ophalen op school bij de vakantieregeling zal een de-escalerend effect kunnen hebben hetgeen in het belang van [minderjarige] is. In 2019 en 2020 is [minderjarige] met Oud en Nieuw bij de moeder geweest en in 2021 en 2022 is zij bij de vader. Indien de vastgestelde regeling wordt aangehouden kunnen [minderjarige] en [halfzusje] de komende jaren amper hun verjaardag en sinterklaas samen vieren. Er moet niet alleen naar het belang van [minderjarige] worden gekeken maar ook naar het belang van [minderjarige] en [halfzusje] samen.

Beide ouders hebben een partner. Het geeft een verkeerd signaal af indien de partner niet meer bij de overdracht aanwezig mag zijn. Hieraan een dwangsom verbinden is onwerkbaar. De partner van de vader moet zich in haar eigen woning vrijelijk kunnen bewegen, ook als de moeder [minderjarige] komt brengen. De vader zou de partner van de moeder graag willen ontmoeten.

De door de moeder overgelegde productie 7 moet niet worden aangehecht omdat dit juist voor meer discussie tussen partijen gaat zorgen. Daarbij kan de vader zich niet vinden in de door de moeder voorgestelde afspraken.

3.11.

De moeder voert in het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep, kort samengevat, het volgende aan.

[minderjarige] is drie jaar en van haar kan absoluut niet worden verwacht dat zij kan verwoorden of zelfs maar een mening kan uiten over hoe zij haar beide ouders beleeft. In ieder geval niet zodanig dat de bijzondere curator hierop een advies over het hoofdverblijf en de schoolkeuze kan baseren. Het is van belang dat [minderjarige] zich bij beide ouders goed voelt en dat ouders dit ook ondersteunen. Voorkomen moet worden dat zij in een loyaliteitsconflict terecht komt. Als het hoofdverblijf van [minderjarige] en de school die zij gaat bezoeken gewijzigd worden, vreest de moeder dat zij onjuiste of geen informatie zal krijgen, dat zij wordt buitengesloten bij te nemen beslissingen en dat zij weinig contact met [minderjarige] zal hebben. De betrokken instanties geven aan geen zorgen te hebben over moeders gesteldheid, functioneren of haar thuissituatie, maar de vader blijft stellen dat de moeder niet in staat is [minderjarige] te verzorgen. De partner van de vader neemt zeer actief deel aan de strijd en de diskwalificaties van de moeder. De vader blijft van mening dat de communicatieproblemen bij moeder liggen en kijkt daarbij niet naar zichzelf. Het hoofdverblijf betreft geen puur administratieve inschrijving. Niet valt in te zien dat [minderjarige] in [woonplaats vader] naar school zou moeten gaan als zij bij de moeder haar hoofdverblijf heeft. De moeder erkent dat de vader betrokken is, maar hoofdopvoeder of primaire verzorger is hij nooit geweest. Tot december 2018 had de moeder geen werk en had zij de volledige zorg voor [minderjarige] . De vader werkte fulltime en hij kon door zijn drukke baan vaak niet aangeven wanneer [minderjarige] bij hem kon zijn. Het kort geding is nodig geweest om een concrete contactregeling vastgesteld te krijgen. [minderjarige] heeft in beide woonplaatsen familie en een sociaal netwerk en de omvang hiervan doet er niet toe. De basisschool ligt wel in de woonwijk van de moeder. De school staat goed aangeschreven.

Zodra [minderjarige] naar school gaat is een wijziging van de contactregeling onvermijdelijk, vanwege de afstand tussen de huizen. Met de contactregeling vanaf september 2021 is er voldoende ruimte voor quality-time in het gezin van de vader. De contactregeling verschilt maar één dag ten opzichte van de oude regeling en de vakanties werden al bij helfte verdeeld. De vader heeft steeds betoogd dat hij [minderjarige] elke dag kan opvangen. Verder kan er nog telefonisch of via videobellen contact plaatsvinden. Om en om een weekend bij elke ouder, zoals al ruim drie jaar gebeurt, moet worden gecontinueerd zodat [minderjarige] een sociaal leven kan opbouwen. Het is in het belang van [minderjarige] dat er zo min mogelijk discussie kan ontstaan. Indien een studiedag op een vrijdag voor het contactweekend van de vader valt, kan het contactmoment al aanvangen op donderdag na school. Tijdens studiedagen die op andere dagen vallen, kan de zorg tussen de ouders worden verdeeld waarbij [minderjarige] dan om 8.00 uur kan worden opgehaald en om 18.00 uur wordt teruggebracht. De moeder is in principe niet tegen het jaarlijks bijwonen van de verjaardag van [halfzusje] , maar de afstand tussen partijen maakt dit lastig en de verjaardag kan ook op een andere dag worden gevierd. De dansles van [minderjarige] is sinds maart kleuterdans geworden.

Om discussies tussen partijen te voorkomen moeten de wisseltijden tijdens de vakanties worden vastgelegd. Partijen hebben nog geen overeenstemming bereikt over de verdeling van de aankomende zomervakantie. Het lijkt de moeder beter de doordeweekse overnachting bij de vader op 7 september 2021 geen doorgang vindt. De moeder wenst dat [minderjarige] met Oud en Nieuw 2022 vanaf 3l december om 12.00 uur bij haar zal verblijven, omdat [minderjarige] anders twee achtereenvolgende jaren de jaarwisseling bij de vader doorbrengt.

De aanwezigheid van de partners bij de overdracht is niet noodzakelijk. De partner van de vader neemt actief deel aan de strijd en de diskwalificaties van de moeder waardoor er escalaties hebben plaatsgevonden. De partner van de vader is ondanks de beslissing van de rechtbank nog steeds regelmatig bij de overdracht aanwezig. Daarom verzoekt de moeder hieraan een dwangsom te verbinden.

De moeder wil afspraken vastleggen over hoe te handelen bij noodgevallen en ziekte van [minderjarige] . Wat moeder betreft wordt de inhoud van productie 7 integraal in de beschikking

opgenomen.

In beide zaken

3.12.

De vader voert tijdens de mondelinge behandeling, in aanvulling op het voorgaande, samengevat, het volgende aan.

De vader heeft een nieuwe baan, waarbij hij voortaan op maandag en vrijdagmiddag vrij is. Hierdoor is het doordeweekse contactmoment van dinsdag op woensdag niet meer haalbaar. Verder weet hij nog niet op welke dagen hij thuis kan werken; zijn werktijd zal worden ingedeeld mede aan de hand van de vast te stellen contactregeling. De vader kan [minderjarige] altijd brengen naar en ophalen van school.

Er moet gekeken worden waar het hoofdverblijf voor [minderjarige] het beste is; daar is nooit onderzoek naar gedaan. Bij de vader zijn er omstandigheden waardoor het goed is dat [minderjarige] bij hem komt wonen. Die zijn er bij de moeder ook, maar de vader is niet helemaal bekend met de situatie van de moeder.

Het is haast onmogelijk om de partners er buiten te laten omdat de vader met zijn partner samenwoont. De partner van de vader bemoeit zich nergens mee bij de overdracht, maar zij loopt wel eens in de gang.

De vader weet niet of hij een beslissing van het hof, als die anders is dan hij hoopt, kan en zal accepteren. Dat zal mede afhangen van de motivering die daaraan ten grondslag ligt. Als die hem niet overtuigt, zal hij zich niet bij de beslissing neerleggen.

3.13.

De moeder voert tijdens de mondelinge behandeling, in aanvulling op het voorgaande, samengevat, het volgende aan.

De werktijden van de vader in zijn nieuwe baan zijn onduidelijk. De vader heeft aangegeven altijd beschikbaar te zijn voor [minderjarige] , maar dat lijkt nu niet het geval. De moeder werkt tijdens schooltijden en is na school beschikbaar voor [minderjarige] .

Van een administratieve hoofdverblijfplaats is geen sprake. Toen partijen hierover afspraken hebben gemaakt is tevens besproken dat de contactregeling te zijner tijd gewijzigd zou moeten worden. Over het hoofdverblijf bij de moeder zijn geen zorgen en dan is er geen reden om deze te wijzigen of een onderzoek te laten plaatsvinden.

Tijdens de overdracht is het niet nodig dat de partner van de vader op de gang loopt. Als de vader wil dat de strijd stopt, moet hij zich aan de beslissing van de rechtbank houden.

De moeder heeft nagedacht over de mogelijkheid dat het hoofdverblijf bij de vader wordt bepaald. Zij vindt dat een vreselijke gedachte, maar zal in dat geval alles op alles zetten om de omgang zo goed mogelijk te laten verlopen.

3.14.

De GI brengt tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende naar voren.

Met de rechtszaken is tussen de ouders een strijd losgebarsten, waardoor de GI op dit moment weinig kan betekenen. De GI kan geen knopen doorhakken op de punten die in geschil zijn tussen de ouders. De ouders discussiëren overal over, zelfs als de rechtbank beslissingen heeft genomen. Vanwege de rechtszaken is ook de ouderschapsreorganisatie stilgelegd. De GI hoopt in het belang van [minderjarige] dat de ouders de strijd los kunnen laten zodra er duidelijkheid is over het hoofdverblijf en dat zij dan verder kunnen met de ouderschapsreorganisatie.

3.15.

De raad brengt tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende naar voren.

De GI kan in deze situatie waarin een ouder doet wat hij wil, moeilijk wat betekenen. Er is heel hard hulpverlening nodig. De strijd houdt na deze procedure anders niet op maar gaat zich verplaatsen naar een ander onderwerp. De raad mist bij de vader een stuk zelfreflectie. Voor beide ouders geldt dat [minderjarige] nooit de volledig aanwezige dochter gaat zijn. Het grootste probleem van de vader is dat zijn leven met [minderjarige] er anders uit gaat zien dan hij had gewild en dat zijn leven nu wel met [halfzusje] is. Het gaat anders dan de vader had gewild en dat verlies moet hij loslaten. Het ongemak dat bij dat loslaten ontstaat is nodig om naar jezelf als ouder te kijken. De juridische procedures worden gevoerd omdat de vader weg wil blijven bij dat ongemakkelijke moment dat [minderjarige] gedeeld moet worden met in wezen een vreemd iemand. Dat verlies moet de vader eerst willen gaan dragen. Bij de moeder moet er bij de hulpverlening aandacht zijn voor het feit dat zij snel slachtofferschap ervaart waardoor zij gaat vechten en zij bijvoorbeeld bij het terugbrengen na de vakantie al over een uur een probleem maakt.

Als de ouders zo door blijven gaan, voorziet de raad problemen bij [minderjarige] . Zij gaat dan eerst één van de ouders afwijzen en over tien jaar de andere. Zij zal te zijner tijd zeggen dat zij wel ouders heeft, maar dat zij niet op hen kan vertrouwen. De ouders moeten zich echt neerleggen bij de beslissing van het hof omdat zij anders hun dochter op het spel zetten.

3.16.

Het hof overweegt het volgende.

In zaak 200.287.511/01

3.16.1.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vader aangegeven dat het hoger beroep tegen de bestreden beschikking van 25 september 2020 zich beperkt tot de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het hoofdverblijf. Gelet hierop behoeven de grieven van de vader voor zover deze zien op de contactregeling en de verleende vervangende toestemming voor inschrijving op het kinderdagverblijf en de peuterspeelzaal te [woonplaats moeder] geen nadere bespreking. Het hof wijst de betreffende verzoeken van de vader af.

Bijzondere curator

3.16.2.

Naar het oordeel van het hof behoeft de stem van [minderjarige] ten aanzien van het aan het hof voorliggende geschil met betrekking tot haar hoofdverblijfplaats mede gelet op haar nog zeer jonge leeftijd niet door de benoeming van een bijzondere curator te worden vertegenwoordigd. Dat verzoek van de vader zal worden afgewezen.

Hoofdverblijfplaats

3.16.3.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.16.4.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof – na eigen onderzoek en afweging – overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] wenselijk is dat zij haar hoofdverblijfplaats bij de moeder houdt. In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende.

Naar het hof is gebleken was de relatie van partijen reeds beëindigd op het moment dat [minderjarige] werd geboren en hebben partijen feitelijk nooit samengewoond. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 18 april 2018 in een tussen partijen aanhangig zijnde kort geding procedure zijn partijen in onderling overleg overeengekomen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder zal zijn. Op dat moment was de moeder al woonachtig in [woonplaats moeder] en de vader in [woonplaats vader] . [minderjarige] verbleef op dat moment feitelijk ook bij de moeder. De stelling van de vader dat sprake was van louter een administratieve hoofdverblijfplaats blijkt nergens uit en wordt ook niet ondersteund door de feitelijke situatie. Evenmin is gebleken van zorgen over het verblijf van [minderjarige] bij de moeder. Hetgeen de vader naar voren brengt in onderlinge samenhang bezien leidt ook niet anderszins tot het aannemen van contra-indicaties voor het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding en acht het hof het niet in het belang van [minderjarige] de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen.

In zaak 200.295.320/01

Vervangende toestemming inschrijving basisschool [woonplaats moeder] en [woonplaats vader]

3.16.5.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader bevestigd dat zijn verzoek om de aan de moeder verleende vervangende toestemming voor inschrijving op de Jenaplan basisschool [basisschool 2] te [woonplaats moeder] alsnog af te wijzen en zijn verzoek om hem vervangende toestemming te verlenen voor inschrijving van [minderjarige] op basisschool [basisschool 1] te [woonplaats vader] , slechts zijn gedaan voor het geval de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem wordt bepaald. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de hoofdverblijfplaats volgt dat deze verzoeken daarom geen bespreking meer behoeven. Het hof zal deze verzoeken van de vader afwijzen

Contactregeling

3.16.6.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een door de ouders onderling getroffen contactregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.16.7.

Nu [minderjarige] vanaf 6 september 2021 naar school gaat waardoor de tussen partijen overeengekomen contactregeling niet langer uitvoerbaar is, is sprake van gewijzigde omstandigheden die maken dat de tussen partijen overeengekomen contactregeling voor wijziging vatbaar is en beoordeeld moet worden welke regeling in het belang van [minderjarige] is.

3.16.8.

De vader verzoekt het spiegelbeeld van de door hem in het beroepschrift verzochte contactregeling vast te stellen indien de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder blijft, zo blijkt uit de toelichting van zijn advocaat tijdens de mondelinge behandeling. Hij verzoekt derhalve een regeling waarbij [minderjarige] drie van de vier weekenden bij hem verblijft, terwijl de moeder de om en om weekendregeling wil handhaven. Naar het hof is gebleken hebben partijen vanaf 18 april 2018 uitvoering gegeven aan de in de kort geding procedure overeengekomen contactregeling. Dit betrof een uitgebreidere regeling dan een reguliere weekendregeling en tevens een uitgebreidere regeling dan de thans bij de bestreden beschikking vastgestelde regeling. Weliswaar betekent de schoolgang van [minderjarige] dat niet langer uitvoering gegeven kan worden aan de tussen partijen in kort geding overeengekomen regeling, maar het hof acht het in het belang van [minderjarige] dat zij meer contact met de vader en zijn gezin heeft dan een weekend per veertien dagen. Aan de andere kant is het ook in het belang van [minderjarige] indien zij een weekend bij de moeder kan doorbrengen en het hof acht daarvoor één weekend in de vier weken onvoldoende. Gelet hierop acht het hof een cyclus van drie weken waarbij [minderjarige] het eerste weekend bij de moeder verblijft en vervolgens twee weekenden bij de vader, het meest wenselijk in het belang van [minderjarige] . Het omgangsweekend van de vader vangt aan op vrijdag direct uit school en eindigt maandag bij aanvang school. Hiermee worden eventuele spanningen bij een overdrachtsmoment bij één van de ouders thuis voorkomen. Bovendien blijft de vader op die manier betrokken bij school en verblijft [minderjarige] tijdens het omgangsweekend een nacht langer bij de vader. Dat [minderjarige] op maandagochtend voor school vanaf [woonplaats vader] naar [woonplaats moeder] moet worden gebracht ziet het hof niet als bezwaar. Zij hoeft hiervoor niet ongebruikelijk vroeg op te staan en kan eventueel nog slapen tijdens de autorit.

3.16.9.

Indien een studiedag op een vrijdag voor een omgangsweekend van de vader valt, vangt dit omgangsweekend aan – conform het voorstel van de moeder – op donderdag meteen vanuit school. Als een studiedag op een maandag aansluitend op een omgangsweekend van de vader valt, eindigt het omgangsweekend niet op maandag bij aanvang school maar op maandag om 15.00 uur en brengt de vader [minderjarige] naar de moeder. De moeder werkt op maandag tijdens schooltijd en de vader is op vrijdag vrij. De overige studiedagen, die derhalve niet op een vrijdag voor of maandag na een omgangsweekend van de vader vallen, worden – conform het voorstel van de moeder – in onderling overleg tussen partijen verdeeld, waarbij de vader [minderjarige] op de studiedagen dat zij bij hem verblijft om 8.00 uur bij de moeder ophaalt en haar om 18.00 uur terugbrengt.

3.16.10.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader aangegeven dat hij aan het doordeweekse contactmoment van dinsdag op woensdag geen uitvoering meer kan geven, omdat hij dan niet langer vrij is van zijn werk. Het hof acht het van belang dat er ook in de week waarin [minderjarige] het weekend bij de moeder verblijft, een contactmoment plaatsvindt tussen [minderjarige] en de vader. De vader is op maandag vrij. Gelet hierop bepaalt het hof dat er in de eerste week van de driewekelijkse cyclus op maandag tot dinsdag contact plaatsvindt tussen [minderjarige] en de vader, waarbij de vader haar op school ophaalt en haar op dinsdagochtend naar school brengt.

3.16.11.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen aangegeven dat de verdeling van de zomervakantie zoals door de moeder verzocht niet langer in geschil is, behoudens wat betreft het tijdstip van terugbrengen op 5 september 2021. De moeder wil dat [minderjarige] om 16.00 uur wordt teruggebracht omdat zij de volgende dag naar school gaat en zij om 19.00 uur naar bed gaat. De vader wil haar op het gebruikelijke tijdstip van 17.00 uur terugbrengen. Zoals het hof partijen tijdens de mondelinge behandeling al heeft voorgehouden beslist het hof dat de vader [minderjarige] op 5 september 2021 op het gebruikelijke tijdstip van 17.00 uur moet terugbrengen.

3.16.12.

In hetgeen partijen aanvoeren ziet het hof geen aanleiding om anders te beslissen dan de zeer gedetailleerde regeling die de rechtbank heeft vastgesteld ten aanzien van de overige vakanties, feestdagen en bijzondere dagen. Op haar verjaardag verblijft [minderjarige] bij de ouders bij wie zij op basis van de contactregeling verblijft en hetzelfde geldt ten aanzien van de sinterklaas en de verjaardag van [halfzusje] . Dit zijn dagen die ook op een andere dag gevierd kunnen worden. Weliswaar verblijft [minderjarige] twee achtereenvolgende jaren, in 2021 en 2022, bij de vader met Oud en Nieuw maar de vader heeft onweersproken naar voren gebracht dat [minderjarige] de afgelopen twee jaar, in 2019 en 2020, bij de moeder is geweest. Als overdrachtsmoment tijdens de vakanties geldt zondag om 17.00 uur.

3.16.13.

Het hof vertrouwt erop dat, zolang sprake is van deze moeizame verhouding tussen partijen, de partners van partijen in het belang van [minderjarige] bij de overdracht bij één van de ouders thuis buiten beeld blijven. Wel kan de partner van de vader [minderjarige] op school ophalen en haar naar school brengen indien de vader verhinderd is; er is dan immers geen overdrachtsmoment in aanwezigheid van de moeder. Het hof ziet op dit moment nog geen aanleiding om aan de aanwezigheid van de partner bij de overdracht thuis een dwangsom te verbinden. Het enkele feit dat de partner van de vader zich tijdens het overdrachtsmoment in de gang bevond, is hiervoor nu onvoldoende. Dat neemt niet weg dat het hof van de vader en diens partner verwacht dat zij in het belang van [minderjarige] ervoor zorgen, overeenkomstig de beslissing van de rechtbank en het hof, dat de partner niet aanwezig is bij een overdrachtsmoment, dus ook niet in de gang loopt. Naar het oordeel van het hof is dit heel gemakkelijk te voorkomen en daarmee laat men zien in het belang van [minderjarige] te handelen.

3.16.14.

Het verzoek van de moeder om het onder productie 7 bij het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep overgelegde document [afspraken met betrekking tot medische aangelegenheden en spullen [minderjarige] ] integraal in de beschikking op te nemen en te bepalen dat partijen zich hieraan met ingang van de datum van onderhavige beschikking dienen te houden wijst het hof af, reeds omdat partijen hierover geen overeenstemming hebben. Naar het hof is gebleken hebben beide ouders het beste voor met [minderjarige] . De ouders moeten in het belang van [minderjarige] op een constructieve wijze met elkaar gaan communiceren. Hiervoor zal in het kader van de ondertoezichtstelling hulpverlening ingezet gaan worden. Het hof gaat ervan uit dat partijen in dat kader ook tot afspraken zullen komen ten aanzien van medische aangelegenheden en de spullen van [minderjarige] .

3.17.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

Proceskosten

3.18.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie hebben gehad.

4 De beslissing

Het hof:

in zaak 200.287.511/01

wijst af het verzoek van de vader om de contactregeling te wijzigen en zijn verzoek de verleende vervangende toestemming voor inschrijving op de peuterspeelzaal alsnog af te wijzen;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 25 september 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte;

in zaak 200.295.320/01

op het principaal en incidenteel hoger beroep:

wijst af het verzoek van de vader om de aan de moeder verleende vervangende toestemming voor inschrijving van [minderjarige] op de Openbare Jenaplan Basisschool [basisschool 2] te [woonplaats moeder] alsnog af te wijzen en het verzoek van de vader hem vervangende toestemming te verlenen voor inschrijving van [minderjarige] op basisschool [basisschool 1] te [woonplaats vader] ;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 5 maart 2021, voor wat betreft de daarbij onder rechtsoverweging 7.2 vastgestelde contactregeling, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder met betrekking tot [minderjarige] een regeling vast conform de volgende driewekelijkse cyclus:

- in week 1 verblijft [minderjarige] het weekend bij de moeder;

- in week 2 en 3 verblijft [minderjarige] bij de vader, waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag uit school ophaalt en haar op maandag naar school brengt,

- welke cyclus aanvangt op maandag 6 september 2021, in die zin dat [minderjarige] het weekend 10 tot en met 12 september bij de moeder verblijft;

  • -

    waarbij [minderjarige] in week 1 van de cyclus bij de vader verblijft van maandag tot dinsdag, waarbij de vader [minderjarige] op maandag op school ophaalt en haar op dinsdag naar school brengt, met dien verstande dat dit contactmoment nog niet plaatsvindt van 6 op 7 september 2021;

  • -

    en waarbij het volgende geldt ten aanzien van studiedagen:

- indien een studiedag op vrijdag voor een omgangsweekend bij de vader valt, het omgangsweekend aanvangt op donderdag na school;

- indien een studiedag op maandag na een omgangsweekend bij de vader valt, het omgangsweekend eindigt op maandag om 15.00 uur;

- overige studiedagen worden tussen partijen in onderling overleg verdeeld, waarbij de vader op de studiedagen dat [minderjarige] bij hem verblijft haar om 8.00 uur bij de moeder ophaalt en haar om 18.00 uur terugbrengt;

bepaalt ten aanzien van de zomervakantie 2021 dat [minderjarige] van vrijdag 23 juli 2021 om 17.00 uur tot en met zondag 25 juli 2021 om 17.00 uur volgens de reguliere regeling bij de vader verblijft en vervolgens van 25 juli 2021 om 17.00 uur drie weken aaneengesloten bij de moeder, derhalve tot zondag 15 augustus 2021 om 17.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] op zondag 15 augustus 2021 naar de vader brengt en waarna [minderjarige] vervolgens drie weken aaneengesloten bij de vader verblijft tot zondag 5 september 2021 om 17.00 uur;

bepaalt dat het overdrachtsmoment tijdens de vakanties zondag 17.00 uur zal zijn;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte;

in beide zaken

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, E.L. Schaafsma-Beversluis en J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2021 door mr. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen in tegenwoordigheid van de griffier.