Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2634

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
07-09-2021
Zaaknummer
200.296.424_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 26 augustus 2021

Zaaknummer : 200.296.424/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/289494 / JE RK 21-446

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.J.M. Dreessen,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).

Deze zaak gaat over de uithuisplaatsing van de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- [de moeder] (hierna te noemen: de moeder).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 25 maart 2021, op schrift gesteld op

8 april 2021.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 juni 2021, heeft de vader verzocht het hoger beroep gegrond te verklaren, voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te vernietigen, althans af te wijzen, met bepaling dat [minderjarige] binnen 24 uur na de beschikking van het hof dan wel binnen een termijn die het hof redelijk acht door de GI terug bij de vader dient te worden geplaatst en met veroordeling van de GI tot betaling van de proceskosten van de vader in hoger beroep.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 augustus 2021, heeft de GI verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, dan wel dit hoger beroep af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader (telefonisch), bijgestaan door mr. J.B.G. Gelissen, die waarnam voor

mr. Dreessen;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .

2.3.1.

De raad is, met kennisgeving vooraf d.d. 22 juli 2021, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. Ook de moeder is niet verschenen.

2.3.2.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.

Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en hij heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden telefonisch met de voorzitter gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 25 maart 2021;

  • -

    de brief van de moeder van 17 augustus 2021;

  • -

    de door de advocaat van de vader tijdens de mondelinge behandeling overgelegde pleitnotitie.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 25 juli 2019 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 28 augustus 2021.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank machtiging verleend aan de GI om [minderjarige] met ingang van 25 maart 2021 tot 28 augustus 2021 uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

[minderjarige] verblijft op basis van die machtiging sinds 4 juni 2021 bij [instelling] te [plaats] (groep [groep] ).

3.4.

De vader kan zich met deze beschikking niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Standpunten

3.5.

De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat - het volgende aan.

Het verweerschrift en de bijgevoegde producties vormen een onduidelijke en onsamenhangende puzzel. Er wordt verwezen naar niet meegezonden producties en de wel overgelegde producties liggen niet op volgorde. Verder heeft de GI verzuimd om bij het verzoek tot verlenging van de huidige machtiging de rechtbank op de hoogte te brengen van deze hoger beroepsprocedure en is aan de vader en aan het hof geen exemplaar van het verzoekschrift tot verlenging verstrekt. De vader is van mening dat de GI hierdoor in strijd handelt met een behoorlijke procesvoering en hij verzoekt het hof hieraan de gevolgen te verbinden die hij geraden acht.

Verder betwist de vader dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is om hem uit huis te plaatsen. Het ging met [minderjarige] in de thuissituatie bij de vader veel beter dan voorheen. Hij besteedde zijn tijd nuttig door mee te werken op de boerderij van de vader van zijn vriendin. Hij kon gaan werken in een telefoonwinkel. Hij had gebroken met slechte vrienden en er waren al een hele tijd geen politiecontacten meer geweest. Daar komt bij dat [instelling] geen geschikte plek is voor [minderjarige] . Men slaagt er daar niet in om tot [minderjarige] door te dringen en hem tot meewerken te bewegen. [minderjarige] krijgt nu geen behandeling of therapie en geen onderwijs. Het gaat niet goed met [minderjarige] . Van een doordacht plan om [minderjarige] bij [instelling] te plaatsen is geen sprake geweest. Het heeft bijna een jaar geduurd voordat [minderjarige] uiteindelijk feitelijk uit huis is geplaatst. Dit doet twijfels rijzen over de noodzaak van de uithuisplaatsing.

De vader heeft hulp nooit afgewezen en hij wil alle nodige hulp en behandeling voor [minderjarige] accepteren. Op school werd [minderjarige] gepest en geslagen. De vader heeft hierover contact gehad met school, maar school heeft dit niet opgepakt. Als [minderjarige] niet meer naar school wil, vindt de vader dat hij moet gaan werken. Een nieuwe IQ-test is nodig. Ook [broer] en [zus] , de broer en zus van [minderjarige] , hebben hun school niet afgemaakt, maar zijn aan het werk gegaan. Met hen gaat het goed. Ook voor [minderjarige] kan het zo lopen.

Verder is het niet in het belang van [minderjarige] dat hij zo ver weg van huis is geplaatst. De vader heeft longproblemen en is niet in staat lang te reizen. De band tussen de vader en [minderjarige] wordt hierdoor ernstig tekort gedaan. Dit is in strijd met artikel 1:262 lid 3 BW en artikel 9 lid 3 IVRK. De uithuisplaatsing van [minderjarige] is ook in strijd met artikel 8 EVRM en met de artikelen 3, 5, 6 en 18 IVRK. Aan de ouders is onvoldoende hulp geboden bij de opvoeding van [minderjarige] en de uithuisplaatsing is schadelijk voor zijn ontwikkeling.

De vader wil niet in gesprek met [instelling] . Hij wil dat [minderjarige] naar huis komt.

3.6.

De moeder heeft schriftelijk laten weten dat zij achter het standpunt van de vader staat.

3.7.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - kort samengevat - het volgende aan.

Uithuisplaatsing van [minderjarige] in een instelling zoals [instelling] , met een duidelijke structuur en met duidelijke grenzen en regels, is nodig om [minderjarige] veilig te laten opgroeien. De ouders konden [minderjarige] dit niet bieden. Hij accepteerde thuis geen gezag en deed weinig. De ouders stimuleerden [minderjarige] niet om naar school te gaan en het is maar zeer de vraag of zij hem zover hadden kunnen krijgen om te gaan werken. [minderjarige] kan bij [instelling] naar school. Eventueel kan [instelling] met [minderjarige] ook kijken naar een dagbesteding. De GI had wel degelijk een plan van aanpak, maar het heeft lang geduurd voordat er een geschikte plek voor [minderjarige] is gevonden. In de tussentijd heeft [minderjarige] als noodoplossing bij de vader verbleven.

Aan de ouders is voldoende hulp aangeboden om de situatie van [minderjarige] te verbeteren. Zij hebben hier echter nauwelijks gebruik van gemaakt.

Door onvoldoende medewerking van [minderjarige] en de ouders is de behandeling bij [instelling] nog niet van de grond gekomen. De ouders en [minderjarige] weigeren de zorgovereenkomst met [instelling] te tekenen. Ook voor een nieuwe IQ-test is toestemming van de ouders nodig. De GI is van plan om zo nodig de rechtbank om vervangende toestemming te vragen. [minderjarige] is zeer beïnvloedbaar. Een andere houding van de ouders zal [minderjarige] stimuleren om bij [instelling] in beweging te komen.

De GI acht het van belang dat [minderjarige] en de vader contact met elkaar houden. Voordat er naar bezoekafspraken kan worden gekeken, moeten er echter eerst duidelijke afspraken tussen de ouders en [instelling] worden gemaakt en moeten hulpverleningsdoelen worden opgesteld.

Oordeel van het hof

3.8.1.

Aan de opmerkingen van de advocaat van de vader over het verweerschrift en de bijgevoegde producties gaat het hof voorbij omdat de advocaat, ondanks de door hem gestelde tekortkomingen, in staat is geweest, zoals het hof heeft geconstateerd, om tijdens de mondelinge behandeling inhoudelijk op het verweerschrift te reageren. Ook de overige door de advocaat van de vader gestelde onregelmatigheden aan de zijde van de GI, wat daar ook van zij, zijn voor het hof geen aanleiding om hieraan enig gevolg te verbinden, nu niet of onvoldoende gebleken is dat de advocaat daardoor in zijn procesvoering is belemmerd.

3.8.2.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.3.

Het hof is van oordeel dat hiervan sprake is en overweegt daartoe het volgende.

[minderjarige] is onder toezicht gesteld van de GI, omdat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] is een gesloten jongen en hij liet op school grensoverschrijdend gedrag zien, terwijl de school vanwege het ontbreken van contact en samenwerking met de ouders, die geen betrokkenheid toonden, de zorgen over [minderjarige] moeilijk met hen kon delen. Verder ontbrak het [minderjarige] aan een passende vrijetijdsbesteding, die kon bijdragen aan de opbouw van zijn sociale vaardigheden en contacten. De ouders beschikken over beperkte pedagogische inzichten, waardoor het [minderjarige] heeft ontbroken aan duidelijkheid en structuur in de opvoedsituatie. De ouders waren ook onvoldoende in staat om bij de ontwikkelingsbehoefte van [minderjarige] aan te sluiten en hem te stimuleren. [minderjarige] accepteerde geen gezag en ging zijn eigen gang; zo ging hij al geruime tijd niet meer naar school.

Voor de ouders is professionele hulpverlening en opvoedingsondersteuning voor [minderjarige] noodzakelijk, zodat zij inzicht krijgen in zijn gedrag en leren om dit adequaat bij te sturen.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk was om hem uit huis te plaatsen in een instelling. Het was de GI na vele pogingen eindelijk gelukt om voor [minderjarige] een geschikte behandelgroep, bij [instelling] in [plaats] , te vinden. De ouders waren op dat moment nog steeds niet in staat om [minderjarige] een veilige opvoedsituatie te bieden. Zij konden [minderjarige] niet motiveren om naar school te gaan of te gaan werken. De hulpverlening aan de ouders en [minderjarige] kwam niet of nauwelijks van de grond, doordat de ouders moeilijk bereikbaar waren en de hulpverlening afhielden. Sinds oktober 2020 ging [minderjarige] niet meer naar school. Hij had ook geen doordeweekse dagbesteding. [minderjarige] stond stil in zijn ontwikkeling. Dat er al enige tijd geen sprake meer was geweest van politiecontacten is op zich positief, maar doet aan het voorgaande onvoldoende af. Een instelling als [instelling] kan [minderjarige] de noodzakelijke stabiliteit, structuur en stimulans bieden en hem een veilige opvoedsituatie waarborgen. Dat de broer en de zus van [minderjarige] – zoals de vader stelt– eveneens vroegtijdig van school zijn gegaan en zich daarna toch goed hebben ontwikkeld, brengt geen verandering in het oordeel van het hof. Bij ieder kind ligt de situatie weer anders. [minderjarige] is een kind met zijn eigen mogelijkheden en beperkingen.

Sinds 4 juni 2021 is [minderjarige] geplaatst in behandelgroep [groep] van [instelling] . Hij kan daar ook naar school. Tot nu toe is de behandeling van [minderjarige] nog niet of nauwelijks van de grond gekomen. Dit komt omdat het de behandelaars van [instelling] door de afhoudende opstelling van [minderjarige] en ouders nog niet is gelukt om met hen in contact te komen. Daardoor is er nog geen zorgovereenkomst ondertekend en zijn hulpverleningsdoelen nog niet opgesteld. De advocaat van de vader heeft beëindiging van de uithuisplaatsing bepleit, omdat deze onder de huidige omstandigheden geen toegevoegde waarde heeft. Het hof ziet dit anders. Het hof is van oordeel dat de behandeling van [minderjarige] bij [instelling] nog niet de kans heeft gehad om te slagen. In het belang van [minderjarige] moeten de ouders een andere boodschap uitstralen naar [minderjarige] . [minderjarige] is zeer beïnvloedbaar. De ouders staan op dit moment niet achter de uithuisplaatsing van [minderjarige] bij [instelling] , waardoor [minderjarige] zich niet lijkt te kunnen binden aan de behandelgroep. Daardoor komen behandeling, therapie en onderwijs niet van de grond en zit [minderjarige] nu in een impasse, hetgeen niet in zijn belang is. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling laten weten dat zij indien deze situatie zo blijft, aan de rechtbank vervangende toestemming voor de behandeling van [minderjarige] zal vragen. Het hof acht de uithuisplaatsing van [minderjarige] op dit moment nog steeds noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De huidige impasse is niet aan de GI te wijten, maar moet wel zo kort mogelijk duren. Het hof gaat er verder van uit dat zodra dit mogelijk is de GI aandacht zal hebben voor fysieke bezoekcontacten tussen de vader en [minderjarige] .

Met het voorgaande is ook gegeven dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] niet in strijd is met de door de advocaat genoemde internationale bepalingen.

De grieven van de vader slagen dus niet. Dit betekent dat ook zijn verzoeken om [minderjarige] weer terug thuis te plaatsen en de GI in de proceskosten in hoger beroep te veroordelen zullen worden afgewezen.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de beschikking waarvan beroep zal bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van

25 maart 2021, op schrift gesteld op 8 april 2021;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, A.M. Bossink en

A.J.F. Manders en is op 26 augustus 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.