Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2621

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-08-2021
Datum publicatie
22-09-2021
Zaaknummer
200.292.690_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

contactverbod

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer 200.292.690/01

arrest van 24 augustus 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de vader,

advocaat: mr. J.W. Weehuizen te 's-Hertogenbosch,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de moeder,

advocaat: mr. A.H.A.C. Waals te Helmond,

op het bij exploot van dagvaarding van 24 maart 2021 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 25 februari 2021, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant gewezen tussen de vader als gedaagde en de moeder als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/367321 / KG ZA 21-49)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de rolbeslissing van het hof van 20 april 2021, waarin het hof de vader heeft verzocht zich in de Memorie van Grieven ook uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met één productie;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens houdende vermeerdering/wijziging van eis, met producties;

Vervolgens hebben beide partijen arrest gevraagd.

Het hof heeft een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Partijen hebben een relatie gehad en zijn op 2 april 2013 een geregistreerd partnerschap aangegaan.

3.1.2.

Op 23 augustus 2016 is de zoon van partijen, [zoon] (hierna te noemen [zoon] ) geboren.

2.1.3.

In maart 2020 is de relatie tussen de partijen geëindigd.

2.1.4.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 12 mei 2020 (C/01/357193 / FA RK 20-1449) heeft de rechtbank Oost-Brabant, voor zover thans van belang – naar aanleiding van een verzoekschrift van de moeder, bij wijze van voorlopige voorziening, [zoon] aan de moeder toevertrouwd.

2.1.5.

In de periode van augustus 2020 tot (in ieder geval) de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 12 februari 2021, heeft de moeder bijna dagelijks e-mailberichten van de vader ontvangen. In eerste aanleg heeft de moeder meerdere e-mailberichten van de vader overgelegd. Hieruit blijkt een zeer beledigende en bedreigende toon richting de moeder.

2.1.6.

Naar aanleiding van een door de vader ingediend verzoekschrift tot wijziging van de eerder getroffen voorlopige voorzieningen heeft de rechtbank Oost-Brabant bij beschikking van 10 september 2020 het volgende bepaald (voor zover thans van belang):

  • -

    de vader is gerechtigd tot contact met [zoon] gedurende één dag per week van 10.00 uur tot 18.00 uur onder begeleiding van een door partijen in onderling overleg te benaderen derde;

  • -

    er wordt een onderzoek tot door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) bevolen ter beantwoording van de vragen welke verdeling van de zorg – en opvoedingstaken door de ouders het meest tegemoet komt aan de belangen van [zoon] , en hoe de zorgregeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven moet worden.

2.1.7.

De raad heeft rapport en advies uitgebracht op 4 januari 2021. De raad heeft een verzoek tot ondertoezichtstelling van [zoon] ingediend dat op 1 februari 2021 is behandeld door de rechtbank Oost-Brabant. Met ingang van 1 februari 2021 staat [zoon] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant (hierna: de GI).

De vader is van die beslissing in hoger beroep gegaan. Op 23 juni 2021 heeft de vader het hoger beroep ingetrokken.

2.1.8.

In het kader van de ondertoezichtstelling hebben de ouders met de gezinsvoogd afspraken gemaakt over de communicatie aangaande [zoon] : de vader mag [zoon] eenmaal in de twee weken mailen met betrekking tot [zoon] ; de moeder informeert de vader eenmaal in de drie weken per mail over [zoon] .

2.1.9.

Sinds 4 mei 2021 is er eenmaal per week begeleid contact tussen de vader en [zoon] , gedurende anderhalf uur bij ViaNeo.

3.2.

In de onderhavige procedure heeft de moeder – voor zover thans van belang – gevorderd dat de vader wordt verboden om gedurende een jaar na betekening van het te wijzen vonnis in welke vorm dan ook contact op te nemen met de moeder op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere overtreding, tot een maximum van € 20.000,-, dan wel te bepalen dat dit vonnis uitvoerbaar is bij lijfsdwang, in die zin dat de moeder de vader bij iedere overtreding van het contactverbod voor 24 uur in gijzeling kan doen stellen.

3.3.

In het bestreden vonnis van 25 februari 2021 heeft de voorzieningenrechter – voor zover thans van belang – onder 5.1., 5.2. en 5.6.:

  • -

    de vader verboden om gedurende een jaar na betekening van het vonnis, contact op te nemen met de moeder, en haar via telefoon, sms en/of whatsapp of per e-mail, of in welke vorm dan ook te benaderen. Dit verbod geldt niet voor contacten die de vader met de moeder heeft via zijn advocaat of via hulpverleners, en met dien verstande dat het de vader is toegestaan om – conform de met de gezinsvoogd gemaakte afspraken – éénmaal per drie weken aan de moeder een e-mailbericht over [zoon] te sturen;

  • -

    de vader veroordeeld om aan de moeder een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere keer dat hij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet;

  • -

    het vonnis, voor zover thans van belang, in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De voorzieningenrechter heeft het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.4.

De vader heeft in hoger beroep één grief aangevoerd.

De vader heeft in de memorie van grieven geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis voor zover het de beslissingen onder 5.1., 5.2. en 5.6. betreft en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van de moeder, met compensatie van de proceskosten.

De vader voert in zijn grief aan dat de gespannen verstandhouding tussen de ouders in ieder geval mede zijn veroorzaakt door de handelwijze van de moeder. Zij heeft [zoon] zonder goede reden weggehouden bij de vader. Dit heeft tot frustratie geleid bij de vader. Hij heeft de moeder nooit fysiek agressief bejegend of geprobeerd te intimideren. De moeder woont op een geheim adres en de vader kan haar derhalve ook niet benaderen. Het belang bij de dwangsommen ontbreekt derhalve.

De vader werkt mee aan de begeleide omgangsregeling en hij probeert te werken aan de gespannen verhouding met de moeder. De dwangsommen werken in dat verband contraproductief. De vader is van mening dat het in het belang van [zoon] is dat hij na verloop van tijd weer een normaal en ongestoord contact met de vader heeft.

3.5.

De moeder heeft geconcludeerd tot:

  • -

    bekrachtiging van het beroepen vonnis, voor zover in hoger beroep bestreden en het contactverbod te verlengen tot één jaar na betekening van het in dezen te wijzen arrest;

  • -

    niet-ontvankelijkverklaring van de vader in zijn vorderingen in hoger beroep, althans afwijzing van deze vorderingen;

  • -

    veroordeling van de vader in de kosten van beide instanties.

De moeder heeft in haar memorie van antwoord de stellingen van de vader gemotiveerd betwist.

Zij betwist dat zij het handelen van de vader zelf veroorzaakt heeft. De moeder houdt zich aan de opdracht van de raad en de gezinsvoogd en verleent haar medewerking aan de begeleide omgang met de vader.

Na het wijzen van het vonnis in kort geding is de vader doorgegaan met versturen van e-mailberichten aan de moeder, haar partner en derden uit het netwerk van de moeder. Ook volgens de gezinsvoogd is het versturen van deze e-mailberichten niet conform de communicatieafspraken. De moeder legt daarvan bewijzen over. Er zijn ten minste zes overtredingen gepleegd. De moeder is overgegaan tot incassering van de verbeurde dwangsommen. Het op de bankrekening van de vader gelegde beslag heeft geen doel getroffen.

De moeder heeft op 14 januari 2021 bij de politie melding gedaan van stalking door de vader. Op 14 januari 2021 heeft de moeder een aanzegging wederrechtelijke belaging gezonden, die door de vader op 15 januari 2021 in ontvangst is genomen.

De gezinsvoogd heeft op 9 maart 2021 een schriftelijke aanwijzing aan de vader gegeven wegens het niet nakomen van de communicatieafspraken. Aangezien de vader de communicatieafspraken bleef schenden, heeft de GI op 28 april 2021 een verzoek bekrachtiging schriftelijke aanwijzing bij de rechtbank ingediend.

De vader handelt nog altijd onrechtmatig jegens de moeder, hetgeen bij haar en [zoon] voor onrust zorgt. De vader lapt iedere beslissing van de rechtbank aan zijn laars en houdt zich niet aan de met de gezinsvoogd gemaakte communicatieafspraken.

3.6.

Het hof oordeelt als volgt.

Ontvankelijkheid

3.6.1.

Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat de vader ontvankelijk is in zijn vorderingen in hoger beroep. Het hof stelt ook na een ambtshalve beoordeling van de ontvankelijkheid vast dat, gezien het (aangepaste) petitum in de memorie van grieven, de vader kan worden ontvangen in zijn vordering in hoger beroep.

Principaal hoger beroep

3.6.2.

Het hof is evenals de rechtbank in het bestreden vonnis en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na een eigen onderzoek en waardering overneemt, van oordeel dat er voldoende aanleiding is de vader een contactverbod op te leggen.

De grief faalt reeds op grond van het feit dat, ondanks het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van de voorzieningenrechter, de vader zich niet heeft gehouden aan het daarin opgenomen contactverbod en dwangsommen heeft verbeurd. Ook heeft de vader de met de gezinsvoogd gemaakte communicatieafspraken naast zich neergelegd, ondanks de daartoe gegeven schriftelijke aanwijzing.

De vader blijft (op intimiderende wijze) contact zoeken met de moeder via e-mailberichten, ook via derden in het netwerk van de moeder. Dat de vader niet bekend is met het woonadres van de moeder doet niet ter zake, aangezien hij, zoals ten tijde van de procedure in eerste aanleg, het contact zoekt door voortdurend e-mailberichten te versturen.

Incidenteel hoger beroep

3.6.3.

Uit het petitum in de memorie van antwoord maakt het hof op dat de moeder haar eis in hoger beroep heeft vermeerderd c.q. aangevuld, in die zin dat zij in hoger beroep een verlenging van de termijn van het contactverbod vordert.

Het hof zal deze vordering afwijzen. Het hof ziet onder de huidige omstandigheden, zoals blijkt uit de stukken van het geding in hoger beroep, geen aanleiding om te oordelen dat de thans resterende termijn (tot 3 maart 2022) nu verlengd dient te worden.

3.6.4.

Tevens ziet het hof onvoldoende aanleiding om af te wijken van het in familiezaken gehanteerde uitgangpunt dat proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De vordering van de moeder om de vader in de proceskosten te veroordelen zal derhalve eveneens worden afgewezen.

3.7.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing van het hof.

4 De uitspraak

Het hof:

in het principaal en incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 25 februari 2021;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M. Bossink, H. van Winkel en H.J.M. van Arkel-van Gasselt en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 augustus 2021.

griffier rolraadsheer