Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2609

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
25-08-2021
Zaaknummer
20-002756-20
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2020:9579, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor mensenhandel en oplichting. Het hof overweegt dat de slachtoffers, op dat moment twee minderjarigen, terwijl 1 van hen de vriendin van verdachte was, in de bewezenverklaarde periode gedurende een tijdsbestek van ruim 2,5 maanden door de verdachte en zijn medeverdachte seksueel zijn uitgebuit door hen prostitutiewerkzaamheden te laten verrichten. Dit is op zichzelf staand een zeer ernstig feit waarbij de verdachte en zijn medeverdachte geen enkele rekening hebben gehouden met de geestelijke integriteit en de nadelige gevolgen die dit soort feiten voor de slachtoffers hebben. Tevens hebben de verdachte en medeverdachte, samen met de slachtoffer de potentiële klanten van de seksafspraken opgelicht. Hierbij hebben de vier op een zeer geraffineerde wijze samengewerkt. Zo werden de klanten vooraf gescreend door foto’s van de klanten te vragen om te bezien of deze klanten niet te groot en/of te sterk dan wel sneller waren dan de slachtoffers. Vervolgens maakten de slachtoffers met deze klanten afspraken voor een zogeheten ‘cardate’ waarbij ze de klanten naar een door de verdachten uitgekozen plek stuurden alwaar ze zonder het verrichten van de afgesproken diensten met het geld ervandoor gingen. De nietsvermoedende klanten waren het doelwit omdat zij volgens de verdachte toch niet naar de politie zouden gaan nu zij immers afspraken met minderjarige meiden voor seks. Dit alles neemt het hof de verdachte kwalijk. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 358 dagen waarvan 179 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijk deel verbindt het hof bijzondere voorwaarden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 273
Wetboek van Strafrecht 326
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002756-20

Uitspraak : 25 augustus 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zitting houdende te Maastricht, van 8 december 2020, in de strafzaak met parketnummer 03-702774-19 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1995,

wonende te [adres 1].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘mensenhandel, terwijl het in artikel 273f, eerste lid onder 8 omschreven feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de persoon ten aanzien van wie het feit wordt gepleegd de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, meermalen gepleegd’ (feit 1) en ‘medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd’ (feit 2), de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met daarbij de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een contactverbod. Voorts heeft de rechtbank de vordering benadeelde partij tot een bedrag van € 155,74, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toegewezen. Tot slot heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij begroot op €36,-.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep ten aanzien van de vrijspraak van de onder feit 2. tenlastegelegde handelingen jegens [slachtoffer 3]

Tegen het vonnis is bij akte van 9 december 2020 onbeperkt hoger beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de verdachte partieel vrijgesproken van het onder feit 2. impliciet cumulatief tenlastegelegde, namelijk voor zover de daarin verweten gedragingen zien op oplichting, al dan niet in vereniging, van [slachtoffer 3].

Het hof is, met de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat dit een beschermde vrijspraak betreft.

Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak van oplichting, al dan niet in vereniging, van [slachtoffer 3] als onder feit 2. ten laste gelegd.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.

Namens de verdachte is vrijspraak bepleit voor de verweten oplichtingshandelingen jegens [slachtoffer 4] als ten laste gelegd onder feit 2. Voor het overige is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover thans in hoger beroep aan de orde, tenlastegelegd dat:

1.

hij, meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 december 2018 tot en met 28 mei 2019 in de gemeente Kerkrade en/of de gemeente Brunssum althans in Limburg, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van die/een ander of anderen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , met en/of voor een derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt (sub 8), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (telkens)

- een (aanzienlijk) gedeelte van de verdiensten van de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ontvangen;

2.

hij, meermalen, althans eenmaal in of omstreeks de periode van 1 december 2018 tot en met 28 mei 2019 in de gemeente Kerkrade en/of de gemeente Meerssen en/of de gemeente Maastricht, althans in Limburg, in elk geval (telkens) in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 4] en/of nog onbekend gebleven perso(o)n(en) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een hoeveelheid geld,

hebbende verdachte en/of zijn medeverdachte(n) zich (telkens) als (een) sekswerker voorgedaan en/of met die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 4] en/of nog onbekend gebleven perso(on)n(en) een seksafspraak gemaakt en/of geld in ontvangst genomen en/of (vervolgens) de afgesproken seksuele diensten niet verleend.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiële vrijspraak van het tenlastegelegde feit

Het hof is met de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte in vereniging, dan wel alleen, [slachtoffer 4] heeft opgelicht. Naar het oordeel van het hof kunnen de door [slachtoffer 4] omschreven handelingen niet worden aangemerkt als oplichtingshandelingen. Dat de verdachte en zijn mededaders verklaard hebben dat [slachtoffer 4] een van de opgelichte personen is geweest, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om de door de aangever omschreven handelingen aan te merken als oplichting.

Het hof is van oordeel dat de verdachte van dit deel dan ook dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij:

1.
meermalen in de periode van 1 maart 2019 tot en met 28 mei 2019 in Limburg tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van anderen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , met een derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet hadden bereikt , immers hebben verdachte en zijn medeverdachte telkens een gedeelte van de verdiensten van de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ontvangen;

2.
meermalen in de periode van 1 maart 2019 tot en met 28 mei 2019 in Limburg tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 5] en nog onbekend gebleven personen heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten de afgifte van een hoeveelheid geld, hebbende verdachte en zijn medeverdachten zich telkens als sekswerker voorgedaan en met die [slachtoffer 5] en nog onbekend gebleven personen een seksafspraak gemaakt en geld in ontvangst genomen en vervolgens de afgesproken seksuele diensten niet verleend.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

mensenhandel, terwijl het in artikel 273f, eerste lid onder 8° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de persoon ten aanzien van wie het feit wordt gepleegd de leeftijd van achttienjaren nog niet heeft bereikt, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

De rechtbank heeft de verdachte ten aanzien van beide tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, en met aftrek van voorarrest en met oplegging van bijzondere voorwaarden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan de verdachte eenzelfde straf oplegt als die door de rechtbank is opgelegd.

De verdediging heeft verzocht om een onvoorwaardelijk straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest met eventueel een groot deel voorwaardelijk.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De strafbaarstelling van mensenhandel beoogt uitbuiting van personen te voorkomen en bescherming te bieden tegen de aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van individuele personen. Het hof overweegt hiertoe dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], op dat moment twee minderjarigen, terwijl 1 van hen de vriendin van verdachte was, in de bewezenverklaarde periode gedurende een tijdsbestek van ruim 2,5 maanden, van 1 maart 2019 tot 28 mei 2019, door de verdachte en zijn [medeverdachte] seksueel zijn uitgebuit door hen prostitutiewerkzaamheden te laten verrichten. De verdachte en zijn [medeverdachte] profiteerden mee van inkomsten die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] genereerden door het verrichten van seksuele handelingen. Dit is op zichzelf staand een zeer ernstig feit waarbij de verdachte en zijn medeverdachte geen enkele rekening hebben gehouden met de geestelijke integriteit en de nadelige gevolgen die dit soort feiten voor de slachtoffers hebben.

Tevens hebben de verdachte en [medeverdachte], samen met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de potentiële klanten van de seksafspraken opgelicht. Hierbij hebben de vier op een zeer geraffineerde wijze samengewerkt. Zo werden de klanten vooraf gescreend door foto’s van de klanten te vragen om te bezien of deze klanten niet te groot en/of te sterk dan wel sneller waren dan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Vervolgens maakten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met deze klanten afspraken voor een zogeheten ‘cardate’ waarbij ze de klanten naar een door de verdachten uitgekozen plek stuurden alwaar ze zonder het verrichten van de afgesproken diensten met het geld ervandoor gingen. De verdachte en [medeverdachte] stonden op veilige afstand en zorgden met een open verbinding ervoor dat ze konden ingrijpen indien nodig was. Ondanks deze open verbinding waren het [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] die de fysieke handelingen voor de oplichting verrichten en die daarbij gevaar liepen. Dit alles laat zien dat de verdachte er enkel op uit was om op een snelle en gemakkelijke manier geld te verdienen. De nietsvermoedende klanten waren het doelwit omdat zij volgens de verdachte toch niet naar de politie zouden gaan nu zij immers afspraken met minderjarige meiden voor seks. Dit alles neemt het hof de verdachte kwalijk.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof gelet op de inhoud van het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 juni 2021, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en voorts in aanmerking genomen de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof heeft verder acht geslagen op het voortgangsverslag van de reclassering d.d. 17 juli 2021 en het NIFP-rapport d.d. 20 april 2020. Hieruit volgt dat de verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een lichte stoornis in het gebruik van cannabis en antisociale kenmerken heeft. De verdachte heeft een licht verstandelijke beperking en functioneert op een laag begaafd niveau, en lijkt snel beïnvloedbaar. Hij houdt zich – met de nodige steun – aan de afspraken met de reclassering.

De reclassering ziet binnen het huidige toezicht voldoende aanknopingspunten voor het voortzetten daarvan en het verder verstevigen van de leefgebieden wonen, dagbesteding, middelengebruik en financiën. Hij heeft ondersteuning nodig om zijn goede intenties om te zetten in daden. Ondersteuning is nodig van een gespecialiseerd en doelgericht multidisciplinair team. De reclassering heeft daarom een aantal voorwaarden geformuleerd

of omschreven, die nodig zijn om de verdachte beter bestand te laten zijn tegen negatieve beïnvloeding (en naar het hof begrijpt: ter voorkoming van recidive).

Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de impact van het bewezenverklaarde op de slachtoffers en de persoon van de verdachte, zoals hiervoor omschreven, in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor lange duur met daarbij tevens een deels voorwaardelijke vrijheidsbeneming. De door de advocaat-generaal gevorderde straf acht het hof echter te zwaar. Het hof betrekt daarbij tevens nog dat de verdachte ter terechtzitting van het hof zijn verantwoordelijkheid volledig heeft genomen, openheid heeft gegeven en spijt heeft betuigd.

Het hof zal een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 358 dagen waarvan 179 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, en met aftrek van voorarrest. Voorts zal het hof aan het voorwaardelijke deel voorwaarden verbinden als door de reclassering eerder geadviseerd of omschreven, te weten een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling (mede voor zijn middelengebruik), begeleid wonen of maatschappelijke opvang, voorwaarden betreffende de dagbesteding, de financiën en het sociale netwerk. De verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd bereid verklaard zich te houden aan alle door het hof op te leggen voorwaarden.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof is van oordeel, dat, op grond van de ernst en aard van de feiten en gelet op de straffen die ook in andere, soortgelijke, zaken worden opgelegd, daarnaast een taakstraf van de duur als na te melden, dient te worden opgelegd.

Deze straffen doen recht aan de ernst van het feit, maar geven de verdachte tevens de mogelijkheid om – buiten detentie - hard te werken aan een positieve ontwikkeling en toekomst.

Opheffing van de voorlopige hechtenis

De verdachte is op 5 november 2019 in voorlopige hechtenis genomen en door de rechtbank Zeeland-West-Brabant is bij beslissing van 30 april 2020 met ingang van 1 mei 2021 voor onbepaalde tijd uit de voorlopige hechtenis geschorst. Tot het moment van de schorsing heeft de verdachte in totaal 179 dagen in voorlopige hechtenis uitgezeten. Gelet op het feit dat het hof aan de verdachte een gevangenisstraf oplegt voor de duur van 358 dagen waarvan 179 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en nu de verdachte het opgelegde onvoorwaardelijke deel van de opgelegde straf reeds heeft uitgezeten, zal het hof het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis en mitsdien de voorlopige hechtenis met ingang van 25 augustus 2021, de dag van het eindarrest, opheffen Deze beslissing zal apart worden geminuteerd.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

De benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 276,74 te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering valt uiteen in de volgende posten:

a. € 150,00 aan afgedragen geld voor de niet geleverde diensten

b. € 5,74 aan reiskosten

c. € 121,00 aan advocaatkosten

De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep de vordering tot een bedrag van € 155,74 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente toegewezen. Voorts heeft de rechtbank een bedrag van € 36,- toegewezen aan proceskosten.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.

Oordeel hof

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Ad a.

Op basis van de stukken in het dossier kan het hof genoegzaam vaststellen dat de benadeelde partij aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] een bedrag van € 150,- heeft gegeven voor de afgesproken diensten. Voorts blijkt genoegzaam dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] dit bedrag hebben ingenomen en zijn weggerend zonder daarvoor de afgesproken diensten te verlenen. Het hof stelt vast dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten samen met een ander of anderen heeft gepleegd. Nu de verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde partij aansprakelijk voor de totale materiële schade van € 150,-.

Ad b.

Het hof is van oordeel dat de gevorderde reiskosten à € 5,74 in direct verband staan met het bewezenverklaarde feit en dusdoende voor toewijzing in aanmerking komen.

Ad c.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat bij de gevorderde materiële schade tevens zijn opgenomen de advocaatkosten, begroot op € 121,-. Gelet op de geldende jurisprudentie dienen deze advocaatkosten te gelden als proceskosten.

Ingevolge artikel 532 Sv (592a Sv oud) dient de rechter in zijn uitspraak te beslissen over de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Een redelijke uitleg van artikel 532 Sv brengt mee dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. In civiele procedures wordt doorgaans bij de begroting van de proceskosten een zogenoemd liquidatietarief gehanteerd, zoals neergelegd in 'Liquidatarief kanton’ of 'Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven'. Deze tarieven zijn geen recht in de zin van artikel 79 RO, maar slechts een de rechter niet bindende richtlijn. Een dergelijke richtlijn leent zich bovendien niet steeds voor directe toepassing op door de gemachtigde verrichte werkzaamheden ten behoeve van de benadeelde partij die zich in het strafproces heeft gevoegd (vgl. HR 28-05-2019, ECLI:NL:HR:2019:793).

Indien de proceskosten zouden worden begroot op het door de gemachtigde gevorderde bedrag zou dit tot een onredelijk hoge veroordeling in de proceskosten leiden.

Nu de onderhavige vordering van zeer eenvoudige aard is, zal het hof de proceskosten berekenen volgens het liquidatietarief. Voor de berekening van de proceskosten in zal worden uitgegaan van het kantontarief. Dit betekent dat de proceskosten worden begroot op een bedrag van € 36,- ('Liquidatietarief, kanton (2019), één punten à € 36,- voor het indienen van het voegingsformulier). Dit betekent dat de proceskosten zullen worden toegewezen tot een bedrag van € 36,-.

Op grond van het voorgaande zal het hof toewijzen € 155,74 ter zake materiële schade voor welk bedrag de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is.

Het toe te wijzen bedrag van € 155,74 schadevergoeding zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente. De aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade en de immateriële schade wordt bepaald op 29 april 2019.

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij wordt aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij zijnde € 36,-.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het [slachtoffer 5] is toegebracht tot een bedrag van € 155,74. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 273f en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen van de rechtbank ter zake van de onder feit 2 tenlastegelegde oplichting van [slachtoffer 3];

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 358 (driehonderdachtenvijftig) dagen;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 179 (honderdnegenenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde

  • -

    dat de veroordeelde zich binnen drie werkdagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij Reclassering Nederland, [adres 2] ([telefoonnummer]) en hij blijft zich hierna gedurende de proeftijd melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

  • -

    dat de veroordeelde meewerkt aan het vinden en behouden van een dagbesteding, het regelen van zijn financiën en het realiseren van een steunend sociaal netwerk;

  • -

    dat de veroordeelde meewerkt aan een ambulante behandeling (mede voor zijn middelengebruik) door een door de reclassering te bepalen zorgverlener. Deze behandeling duurt de gehele proeftijd of zolang de reclassering dat nodig vindt en de veroordeelde moet zich houden aan de huisregels en aanwijzingen van de zorgverlener;

  • -

    dat de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verblijft bij een, door de reclassering te bepalen, instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang die is gespecialiseerd in mensen met een verstandelijke problematiek. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt en de veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma van de instelling, die in overleg met de reclassering zijn opgesteld;

  • -

    dat het de veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met de heer [medeverdachte], geboren op [geboortedatum 2] in [geboorteplaats 2]. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.

geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 155,74 (honderdvijfenvijftig euro en vierenzeventig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2019 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 36,00 (zesendertig euro);

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5], ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 155,74 (honderdvijfenvijftig euro en vierenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2019 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 3 (drie) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;

heft op de voorlopige hechtenis die reeds bij beslissing van dit gerechtshof van 25 februari 2021 met ingang van 26 februari 2021 was geschorst, welke beslissing afzonderlijk is geminuteerd.

Aldus gewezen door:

mr. B. Stapert, voorzitter,

mr. J.F. Dekking en mr. D.A.E.M. Hulskes, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,

en op 25 augustus 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. D.A.E.M. Hulskes is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.