Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2592

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-08-2021
Datum publicatie
31-08-2021
Zaaknummer
200.289.258_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Draagkrachtgrief man slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.289.258/01

zaaknummer rechtbank : C/01/347451 / FA RK 19-2835

beschikking van de meervoudige kamer van 19 augustus 2021

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat voorheen mr. W. Kolmans te Eindhoven, thans zonder advocaat,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.J. Geuze te Best.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 november 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 29 januari 2021 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 11 november 2020.

2.2.

De vrouw heeft op 8 maart 2021 een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 12 juli 2021 plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man;

- de vrouw, bijgestaan door mr. Geuze.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- het V2-formulier ingediend op 29 juni 2021, waarbij mr. W. Kolmans zich als advocaat van de man heeft onttrokken;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 29 juni 2021 met bijlagen, ingekomen op 29 juni 2021;

- de ter mondelinge behandeling in hoger beroep door de man, met toestemming van de vrouw, overgelegde financiële stukken, bestaande uit: vier betaalspecificaties van het UWV inzake de WIA-uitkering van de man en de jaaropgave 2020 van het UWV.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

3.3.

Partijen zijn de ouders van:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ).

De man heeft [minderjarige] erkend.

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.4.

Bij beschikking van 9 februari 2018 heeft de rechtbank Oost-Brabant, voor zover thans van belang, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 1 december 2017 bepaald op een bedrag van € 25,- per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, voornoemde beschikking van rechtbank Oost-Brabant van 9 februari 2018, voor wat betreft de daarbij vastgestelde kinderalimentatie gewijzigd, in die zin, dat de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 11 november 2020 nader is bepaald op een bedrag van € 194,- per maand.

4.2.

De grief van de man ziet op de draagkracht van de man en op de door de rechtbank ten onrechte gewijzigde kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] .

4.2.1.

De man verzoekt in hoger beroep om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het inleidend verzoek van de vrouw wordt afgewezen, kosten rechtens.

4.3.

De vrouw verzoekt in hoger beroep het verzoek van de man in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

Wijziging van omstandigheden

5.1.

In hoger beroep is niet in geschil dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die een onderzoek rechtvaardigt naar de vraag of de alimentatie moet worden gewijzigd als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

Ingangsdatum wijziging van de kinderalimentatie

5.2.

De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de wijziging van de kinderalimen-tatie, zijnde 11 november 2020, is in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof deze datum eveneens als uitgangspunt voor de beoordeling neemt.

Hoogte behoefte van [minderjarige]

5.3.

Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat de behoefte van [minderjarige] per 1 januari 2019 € 234,21 per maand bedraagt.

De naar analogie van artikel 1:402a lid 1 BW geïndexeerde behoefte van [minderjarige] bedraagt per 1 januari 2020 € 240,07 per maand en per 1 januari 2021 € 247,27 per maand.

Draagkracht man

5.4.

De draagkracht van de man is in hoger beroep in geschil.

5.5.

Het hof stelt voorop dat de bestreden beschikking waarbij de door de man te betalen kinderalimentatie is gewijzigd naar een bedrag van € 194,- per maand, gelet op de feiten en omstandigheden op dat moment, niet onbegrijpelijk is. De man had immers in de procedure in eerste aanleg onvoldoende (financiële) stukken in het geding gebracht en (mede daardoor) heeft hij de door de vrouw gestelde draagkracht onvoldoende gemotiveerd betwist. Verder bleek uit de stukken die de man wel in het geding had gebracht, zijnde een aantal facturen van het klusbedrijf van de man, dat de man in een aantal weken tijd een aanzienlijk inkomen had gegenereerd. Onder die omstandigheden heeft de rechtbank aan de man een bepaalde verdiencapaciteit toegekend en is de rechtbank tot een wijziging van de door de man te betalen kinderalimentatie gekomen.

5.6.

Ter mondelinge behandeling in hoger beroep is echter gebleken dat de man, ondanks de door hem verrichte werkzaamheden als ZZP-er, altijd arbeidsongeschikt is gebleven, wat overigens door de vrouw thans niet langer meer wordt betwist. De man heeft onweersproken verklaard dat hij op eigen initiatief wilde proberen om weer te gaan werken. In 2019 en in 2020 heeft de man als ZZP-er een aantal klussen verricht voor diverse opdrachtgevers. Tijdens deze werkzaamheden is echter gebleken dat de man, vanwege zijn medische toestand, niet in staat was om te werken. Aan de man is daarom met terugwerkende kracht met ingang van 1 maart 2020, wederom een WIA-uitkering toegekend. Na de afgifte van de bestreden beschikking op 11 november 2020 heeft de man dan ook niet meer als ZZP-er gewerkt. De man heeft verder onweersproken verklaard dat hij sindsdien een aantal keren in het ziekenhuis opgenomen is geweest en dat er thans wordt onderzocht of de man epilepsie heeft. De man kampt namelijk met aanvallen die mogelijk op epilepsie wijzen. Verder is er bij de man operatief een “hartkastje” ingebracht om te onderzoeken of er iets mis is met zijn hart. Ter mondelinge behandeling heeft de vrouw erkend dat de man ook tijdens de affectieve relatie van partijen kampte met deze aanvallen en dat het erop lijkt dat die aanvallen in de afgelopen periode zijn verergerd.

5.7.

Gelet op genoemde feiten en omstandigheden is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de man niet in staat is om, naast zijn WIA-uitkering, werkzaamheden te verrichten. Dit betekent dat het hof bij de bepaling van de draagkracht van de man uitgaat van het huidige inkomen van de man. Uit de door de man ter mondelinge behandeling overgelegde betaalspecificaties van het UWV en de jaaropgave 2020 van het UWV volgt dat de man een WIA-uitkering van € 1.348,50 bruto per maand, oftewel € 1.085,75 netto per maand ontvangt (exclusief 8% vakantietoeslag). Het hof houdt -gelet op de hoogte van het inkomen van de man- conform de aanbeveling in het Rapport Alimentatienormen rekening met de minimumdraagkracht van € 25,- per maand. Van bijzondere redenen om van genoemde aanbeveling af te wijken is het hof niet gebleken.

5.8.

Het hof concludeert dan ook dat er geen sprake is van een situatie dat de uitspraak van 9 februari 2018 niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Er is geen grond voor wijziging van die uitspraak. Het hof zal daarom het inleidend verzoek van de vrouw tot wijziging van de kinderalimentatie alsnog afwijzen. Het hoger beroep van de man slaagt.

5.9.

Het hof merkt voor de duidelijkheid ten behoeve van partijen op dat de bij beschikking van 9 februari 2018 door de rechtbank Oost-Brabant vastgestelde kinderalimentatie van € 25,- per maand in stand blijft, zodat de man aan de vrouw het bedrag uit deze beschikking moet blijven betalen.

Terugbetaling

5.10.

Ter mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man verklaard en de vrouw bevestigd dat hij, ook na de afgifte van de bestreden beschikking, altijd de oorspronkelijke kinderalimentatie van € 25,- per maand aan de vrouw is blijven betalen. Hierdoor ontstaat er door de vernietiging van de bestreden beschikking voor de vrouw geen terugbetalingsver-plichting.

6 De slotsom

6.1.

Gelet op het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en beslissen als hierna onder 7 vermeld.

6.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep – gelet op de aard van de procedure – compenseren.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 november 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,

en opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af het inleidende verzoek van de vrouw tot wijziging van de door de man te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, E.P. de Beij en E.M.C. Dumoulin en is op 19 augustus 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.