Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2591

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-08-2021
Datum publicatie
27-08-2021
Zaaknummer
200.288.641_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats bekrachtigen bij vader en kleine aanpassing in zorgregeling zodat de moeder in de zomermaanden de dochter twee van de drie weekenden bij zich heeft en in de overige maanden om het weekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 19 augustus 2021

Zaaknummer: 200.288.641/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/373508 FA RK 20-3135

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.E. de Wal,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- Stichting Jeugdbescherming Brabant,

locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost Nederland,

locatie: [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

In het kort

Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .

[minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vader en een zorgregeling met de moeder waarbij zij eenmaal in de twee weken van donderdagmiddag tot maandagmorgen bij de moeder verblijft. De moeder wil dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij haar krijgt of, als het hof dat verzoek niet toewijst, dat de zorgregeling wordt aangepast.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 13 oktober 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 januari 2021, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

primair; de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder zal zijn;

subsidiair; dat de zorgregeling aldus wordt gewijzigd:

  • -

    dat [minderjarige] bij de moeder is van vrijdag na schooltijd tot maandagochtend voor schooltijd, waarbij de moeder [minderjarige] ophaalt van school en haar maandagochtend weer naar school brengt, in een schema dat [minderjarige] twee weekenden achter elkaar bij de moeder en vervolgens een weekend bij de vader zal zijn, en verder de helft van de vakanties;

  • -

    dat in de weekenden dat [minderjarige] bij de vader verblijft, er contact met de moeder is via de telefoon, waarbij de datum en het tijdstip in overleg tussen partijen overeen dient te worden gekomen, waarbij rekening wordt gehouden met hetgeen haalbaar is voor [minderjarige] .

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 16 maart 2021, heeft de GI verzocht het primaire verzoek van de moeder ten aanzien van de wijziging van het hoofdverblijf af te wijzen en de bestreden beschikking op dit punt in stand te laten. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de moeder om de zorgregeling te wijzigen, refereert de GI zich aan het oordeel van het hof.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juli 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de vader;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief van de raad van 4 februari 2021 waarin de raad aangeeft niet over recente rapportages te beschikken;

  • -

    het V-formulier van de advocaat van de moeder van 3 juli 2021 met bijlagen;

  • -

    het tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep door de GI overgelegde zorgplan van [organisatie 1] ( [betrokkene] ) en het overzicht van de ‘stand van zaken’ van de GI.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben tot 2014 een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is geboren:

- [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige]), op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .

De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

De moeder heeft twee nieuwe kinderen ( [(half)zusje 1] en [(half)zusje 2] ) gekregen uit haar huidige relatie en zij is van [woonplaats vader] verhuisd naar [woonplaats moeder] om met haar partner samen te wonen.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 9 maart 2017 onafgebroken onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 7 september 2021.

3.3.

Bij beschikking van 5 december 2017 heeft de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader bepaald. Het hoger beroep dat de moeder hiertegen heeft ingesteld, is door het hof op 21 februari 2019 afgewezen.

3.4.

Het hof heeft bij genoemde beschikking van 21 februari 2019 de volgende zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] vastgesteld:

  • -

    eenmaal per twee weken van donderdag na schooltijd tot maandagochtend voor schooltijd, waarbij de moeder [minderjarige] ophaalt van school en haar maandagochtend weer naar school brengt, alsmede de helft van de vakanties;

  • -

    in de weekenden dat [minderjarige] bij de vader verblijft, via de telefoon, waarbij de datum en het tijdstip in overleg tussen partijen overeen dient te worden gekomen, waarbij rekening wordt gehouden met hetgeen haalbaar is voor [minderjarige] ;

Procedure bij de rechtbank

3.5.1.

De moeder heeft de rechtbank verzocht te bepalen:

dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij haar krijgt, waarbij zij doordeweeks bij de moeder is en in [woonplaats] naar school zal gaan;

dat [minderjarige] daarnaast een weekend bij de vader zal verblijven van vrijdagmiddag tot zondagavond waarbij [minderjarige] dan twee weekenden achter elkaar bij de vader en vervolgens een weekend bij de moeder zal zijn, alsmede helft van de vakanties;

dat er in de weekenden dat [minderjarige] bij de vader verblijft, contact is met de moeder via de telefoon, waarbij de datum en het tijdstip in overleg tussen partijen overeen dient te worden gekomen, waarbij rekening wordt gehouden met hetgeen haalbaar is voor [minderjarige] .

Subsidiair heeft de moeder verzocht te bepalen:

dat [minderjarige] bij haar verblijft van vrijdag na schooltijd tot maandagochtend voor schooltijd, waarbij de moeder [minderjarige] ophaalt van school en haar maandagochtend weer naar school brengt in een schema dat [minderjarige] twee weekenden achter elkaar bij de moeder zal zijn en de helft van de vakanties;

dat er in de weekenden dat [minderjarige] bij de vader verblijft, contact is met de moeder via de telefoon, waarbij de datum en het tijdstip in overleg tussen partijen overeen dient te worden gekomen, waarbij rekening wordt gehouden met hetgeen haalbaar is voor [minderjarige] .

3.5.2.

Bij de bestreden beschikking, heeft de rechtbank de verzoeken van de moeder afgewezen.

Procedure bij het hof

3.6.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Het hof zal eerst een oordeel geven over de hoofdverblijfplaats (in 3.7) en daarna beslissen over de zorgregeling (in 3.8.)

o HOOFDVERBLIJFPLAATS

3.7.1.

De standpunten van alle betrokken luiden, samengevat, als volgt.

3.7.2.

De moeder: twee jaar na de beschikking van het hof is er nog steeds niets concreets in gang gezet ten aanzien van de problematiek van de vader. De speltherapie voor [minderjarige] is weer niet voortgezet. De GI kijkt niet naar de bevindingen van de speltherapeute en de vader wordt niet gehouden aan de verplichtingen die hem zijn opgelegd. Het hof en de rechtbank schrijven dat ze vertrouwen op de GI, die vervolgens aangeeft geen opdracht in de beschikkingen te lezen. [minderjarige] vertoont totaal aangepast gedrag en kan zich, als de situatie zo voortduurt, nooit ontwikkelen tot een evenwichtige en zelfbewuste volwassene.

[minderjarige] heeft aangegeven dat ze liever bij de moeder naar school wil, maar dat ze daar niet naar toe kan, omdat de vader dit niet goed vindt en hij dan alleen is. [minderjarige] heeft op deze school al eerder twee weken onderwijs gehad.

De moeder schrikt van het zorgplan van [betrokkene] van [organisatie 1] . Alles lijkt goed te gaan met [minderjarige] als je dat verslag leest, maar dat is niet zo. De moeder maakt zich zorgen dat niemand lijkt te kijken naar wat er met [minderjarige] aan de hand is. [minderjarige] had een goede band met de speltherapeute van Sterk Huis. De speltherapeut en haar bevindingen zijn helemaal terzijde geschoven.

3.7.3.

De vader: [minderjarige] moet haar hoofdverblijfplaats bij de vader houden. Alle hulpverleners vinden dit al drie jaar lang het beste voor [minderjarige] . Hier is niets in veranderd. De vader is een half jaar geleden gestart met hulpverlening voor zichzelf, via [organisatie 2] in [plaats] . Het leerdoel van de vader is om rustiger, minder emotioneel te reageren als hij boos wordt. Zijn trainer heeft bij een zorginstelling gewerkt en is voor zichzelf begonnen. [organisatie 2] wordt gegeven in een fitnessruimte en combineert sport met goede gesprekken. Deze hulp bevalt de vader goed; hij heeft verlenging aangevraagd. De gemeente vergoedt het.

De vader heeft jarenlang meegewerkt aan de speltherapie voor [minderjarige] . Na drie jaar schoot dat nog steeds niet op. De moeder werd ineens close met de speltherapeut. De vader had er geen vertrouwen meer in. De vader heeft recent een gesprek gehad met [betrokkene] ( [organisatie 1] ). Hij is het eens met haar conclusies. [betrokkene] heeft ook aangeboden om de vader te helpen in zijn communicatie met de moeder.

3.7.4.

De GI: de plek bij de vader is nog steeds geschikt voor [minderjarige] . Er zijn geen signalen van onveiligheid buiten wat de moeder en de speltherapeut vanuit Sterk Huis zeggen. De speltherapeut geeft de beleving weer die [minderjarige] laat zien tijdens de therapie wanneer zij door de moeder wordt gebracht (negeert eigen behoefte, aangepast meisje, extreem onzeker als ze op haar gemak is, grillig gedrag, op zoek naar houvast en bevestiging, emotioneel erg jong). Dit gedrag komt niet overeen met wat de school ziet. De school heeft geen zorgen over [minderjarige] ; ze doet goed mee met schoolse activiteiten en heeft vrienden en vriendinnen. De school heeft een positieve samenwerking met de vader. De vader had geen vertrouwen in Sterk Huis. Er is nu een kindbehartiger vanuit [organisatie 1] aangesteld en zij gaat met [minderjarige] kijken wat voor haar het beste is. [organisatie 1] is een gedegen instantie en [betrokkene] is een goede hulpverlener. Dit traject kan in een half jaar klaar zijn, waarbij dan ook duidelijk wordt wat in het belang van [minderjarige] is. Hierbij wordt ook de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] meegenomen. Het klopt dat de vader hulp voor zichzelf heeft gezocht.

3.7.5.

De raad: de vader zorgt goed voor [minderjarige] , net zo goed als de moeder. Het is het beste voor [minderjarige] als ze haar hoofdverblijfplaats bij de vader behoudt.

Het hof overweegt als volgt.

3.7.6.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2 aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.

De rechter neemt zodanige beslissingen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.7.7.

Uit de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling blijkt dat beide ouders een grote betrokkenheid bij [minderjarige] tonen en dat zij beiden het beste met haar voor hebben. Beide ouders beschikken over voldoende opvoedingsvaardigheden om voor [minderjarige] te zorgen. De feitelijke situatie is echter wel dat de moeder voor zichzelf een nieuw leven heeft opgebouwd met een nieuwe partner, een andere woonplaats en twee nieuwe kinderen. Dat staat haar uiteraard vrij, maar zij kan niet verwachten dat haar ‘oude’ leven volledig met haar meebeweegt. [minderjarige] heeft sinds december 2017 haar hoofdverblijfplaats bij de vader. Sinds dat moment is de vader de hoofdopvoeder en ligt het zwaartepunt van [minderjarige] verzorging en opvoeding bij hem. De rechtbank heeft de vader erop gewezen dat het ‘de hoogste tijd’ is dat hij gaat werken aan zijn boosheid richting de moeder en dat hij de afspraken over de ingezette hulpverlening voor [minderjarige] moet nakomen. Het hof is gebleken dat de vader deze vingerwijzing serieus heeft genomen: [organisatie 2] helpt hem met zijn boosheid en de vader ondersteunt de hulpverlening die [organisatie 1] gaat bieden aan [minderjarige] , waarbij de vader bovendien openstaat voor begeleiding vanuit [organisatie 1] om hem te helpen in zijn communicatie met de moeder. Alles afwegende vindt het hof het in het belang van [minderjarige] dat haar hoofdverblijfplaats nu niet verandert.

o DE ZORGREGELING

3.8.1.

De standpunten van alle betrokken luiden, kort samengevat, als volgt.

3.8.2.

De moeder: de gezinssituatie van de moeder is veranderd. De mogelijkheid van de moeder om de omgang op donderdag te continueren is niet meer aanwezig. [minderjarige] kan dan niet meer bij haar grootouders in Waalwijk logeren. Het is voor [minderjarige] te belastend om van donderdag op vrijdag op en neer te gaan tussen [woonplaats vader] en [woonplaats moeder] en terug (naar school). De laatste tijd verblijft [minderjarige] overigens twee weekenden bij de moeder en één weekend bij de vader. De vader vindt dit goed. [minderjarige] en de moeder willen elkaar vaker zien. [minderjarige] heeft ook goed contact met haar zusjes en zij vindt het leuk om in de omgeving van de moeder in de weekenden paard te rijden.

3.8.3.

De vader: in de zomermaanden werkt de vader gedurende vier à vijf maanden meer dan in de overige maanden van het jaar. Dan kan [minderjarige] vaker een weekend naar de moeder, mits het de vader goed uitkomt. De vader is er in dat geval mee akkoord dat [minderjarige] twee van de drie weekenden bij de moeder verblijft. In de wintermaanden houdt hij zich aan de om-en-om weekendregeling. De vader wil een eventuele uitbreiding in de zomermaanden liever niet vastleggen op papier, omdat hij de ervaring heeft dat de moeder telkens méér wil als hij haar iets toezegt. De vader wil zijn rechten niet weggeven.

3.8.4.

De GI: de standpunten van de ouders gehoord hebbende, denkt de GI aan een regeling waarbij [minderjarige] in de zomermaanden twee van de drie weekenden bij de moeder verblijft en de overige maanden om het weekend. Dat sluit mooi aan bij het voetbalseizoen en zo kan [minderjarige] in de weekenden bij de vader voetballen.

3.8.5.

De raad: als de regeling niet wordt vastgelegd, komen partijen niet tot een oplossing. De raad schaart zich achter het voorstel van de GI. [minderjarige] heeft duidelijkheid nodig.

Het hof overweegt als volgt.

3.8.6.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.8.7.

Ter zitting van het hof is gebleken dat de zorgregeling die door het hof bij beschikking van 21 februari 2019 is vastgelegd, in de praktijk niet meer volledig door de ouders wordt nageleefd. In onderling overleg hebben de ouders de regeling zo aangepast dat [minderjarige] in de zomermaanden twee van de drie weekenden bij de moeder verblijft. De GI en de raad hebben geadviseerd om deze regeling vast te leggen. De vader wil dit liever niet en de moeder heeft zich er niet over uitgelaten. Het hof acht het in het belang van [minderjarige] dat de feitelijke regeling in deze beschikking wordt vastgelegd. Dan is het voor [minderjarige] , maar ook voor de ouders, duidelijk dat de moeder in de maanden mei tot en met augustus [minderjarige] twee van drie aaneengesloten weekenden bij zich heeft en dat in de overige maanden – september tot en met april – de ‘oude’ regeling van kracht blijft waarbij [minderjarige] om het weekend bij de moeder verblijft.

3.8.8.

Het hof zal ook een wijziging aanbrengen in het aanvangsmoment van de weekenden dat [minderjarige] bij de moeder verblijft. De vader wil geen wijziging maar het hof is het met de moeder eens dat het te onrustig is voor [minderjarige] als de weekenden beginnen op donderdagmiddag na schooltijd. [minderjarige] moet dan teveel op en neer reizen voor een relatief kort omgangsmoment met haar moeder, omdat zij vrijdagmorgen weer naar school moet en de moeder haar vrijdagmiddag ook weer uit school haalt. Het hof zal daarom de regeling zo aanpassen dat de weekenden waarop [minderjarige] bij de moeder verblijft, beginnen op vrijdagmiddag uit school, waarbij de moeder [minderjarige] uit school haalt en haar maandagochtend weer naar school brengt.

3.8.9.

Het hof zal de zorgregeling opnieuw vaststellen volgens hetgeen hierboven is beschreven. Voor de volledigheid merkt het hof op dat de vakantieregeling en de telefooncontacten (vastgelegd bij beschikking van het hof van 21 februari 2019) tussen partijen niet in geschil zijn. Voor de leesbaarheid zal het hof de volledige zorgregeling opnieuw vastleggen inclusief hetgeen eerder is vastgelegd over de vakantieregeling en de telefooncontacten. Overigens staat het partijen altijd vrij om in onderling overleg van deze regeling af te wijken.

3.8.10.

Beslist wordt als volgt.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 oktober 2020 voor zover daarbij het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen is afgewezen;

vernietigt genoemde beschikking voor zover daarbij de verzoeken van de moeder inzake de verdeling van zorgtaken zijn afgewezen;

en opnieuw rechtdoende:

wijzigt de zorgregeling die is vastgelegd door het hof bij beschikking van 21 februari 2019 als volgt:

bepaalt dat de moeder in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [minderjarige] (geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ), [minderjarige] bij zich heeft:

o in de maanden mei tot en met augustus: twee van de drie weekenden achter elkaar van vrijdag na schooltijd tot maandagochtend voor schooltijd, waarbij de moeder [minderjarige] ophaalt van school en haar maandagochtend weer naar school brengt;

o in de maanden september tot en met april: eenmaal per twee weken van vrijdag na schooltijd tot maandagochtend voor schooltijd, waarbij de moeder [minderjarige] ophaalt van school en haar maandagochtend weer naar school brengt;

o de helft van de vakanties;

o waarbij in de weekenden dat [minderjarige] bij de vader verblijft, er contact tussen de moeder en [minderjarige] is via de telefoon, waarbij de datum en het tijdstip in overleg tussen de ouders overeen dient te worden gekomen en waarbij rekening wordt gehouden met hetgeen haalbaar is voor [minderjarige] ;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, E.L. Schaafsma-Beversluis en

H.J.M van Arkel-van Gasselt en is op 19 augustus 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.