Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:259

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-01-2021
Datum publicatie
30-09-2021
Zaaknummer
200.265.410_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2021:2968
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2022:365
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Derde tussenbeschikking/ Instructie met betrekking tot aktewisseling na verwachte uitspraak HR op 19 februari 2021 (inmiddels: ECLI:NL:HR:2021:273) in verwante beslagzaak/ Verdere verloop en te bepalen uitspraakdatum voor verdere inhoudelijke en/of procedurele beslissingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 28 januari 2021

Zaaknummer : 200.265.410/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/01/342354 / EX RK 19-6

in de zaak in hoger beroep van:

1 mr [appellant 1] ,

2. mr [appellant 2] ,

3. mr [appellant 3] ,

4. mr [appellant 4] ,

allen advocaat en kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

appellanten in principaal appel,

geïntimeerden in incidenteel appel,

hierna afzonderlijk te noemen: respectievelijk [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] en [appellant 4] ,

hierna gezamenlijk te noemen: de Advocaten,

advocaat: mr. T.R.B. de Greve te Amsterdam,

tegen

de Staat der Nederlanden (het Openbaar Ministerie, de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst en de Belastingdienst),

zetelende te Den Haag,

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in incidenteel appel,

hierna afzonderlijk te noemen: respectievelijk het OM, de FIOD of de Belastingdienst,

hierna gezamenlijk te noemen: de Staat,

advocaat: mr. I.C. Engels te Den Haag.

9 De tussenbeschikking (II) van 19 november 2020

Bij tweede tussenbeschikking van 19 november 2020 heeft het hof vanwege een per

4 december 2020 verwachte uitspraak van de Hoge Raad in een aan de onderhavige zaak verwante zaak over bewijsbeslag een pro formadatum bepaald (14 januari 2021), die inmiddels is verstreken. Voorts heeft het hof (in principaal en incidenteel appel) iedere verdere beslissing aangehouden.

10 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

- Het namens de Staat ingediende V-8 formulier van 13 januari 2021;

- Het namens [appellant 1] c.s. ingediende V-8 formulier van 18 januari 2021;

- Het namens de Staat ingediende V-8 formulier van 19 januari 2021 in reactie op het ingediende formulier van [appellant 1] c.s. van 18 januari 2021.

10 De verdere beoordeling

10.1.

Op 13 januari 2021 heeft de Staat aan het hof per V-8 formulier van die datum laten weten dat de beslissing van de Hoge Raad in de zaak van het bewijsbeslag, als aanvankelijk voorzien per 4 december 2020, is aangehouden tot 19 februari 2021. De Staat verzoekt het hof een nieuwe pro forma datum te bepalen zes weken na voornoemde datum, conform de eerdere pro forma datumbepaling.

10.2.

[appellant 1] c.s. hebben bij V-8 formulier van 18 januari 2021 verzocht dat het hof zal bepalen dat partijen op 4 maart 2021 de uitspraak van de Hoge Raad in het geding kunnen brengen samen met een akte waarin zij ieder aangeven wat de consequenties van die uitspraak zijn, waarna partijen op 18 maart vervolgens over en weer op elkaars akte mogen reageren. Tevens wordt het hof verzocht elke verdere vertraging te voorkomen en spoedig uitspraak te doen.

10.3.

De Staat heeft bij V-8 formulier van 19 januari 2021 het hof verzocht vast te houden aan de eerder toegekende termijn van zes weken voor de eerste aktewisseling na het arrest van de Hoge Raad, hetgeen volgens de Staat neerkomt op 1 april 2021 als datum voor indiening van de aktes indien de Hoge Raad op 19 februari 2021 inderdaad arrest wijst.

10.4.

Het hof komt tot het volgende oordeel.

10.4.1.

In de tweede tussenbeschikking van 19 november 2020 heeft het hof overwogen:

“7.11. Het hof acht het proces-oneconomisch en ongewenst om al deze mogelijke - en qua tijd nabije - beslissingen thans niet af te wachten en door te gaan met het nemen van de vele nadere beslissingen als thans aan de orde. Het is juist dat het maken van een pas op de plaats enige vertraging met zich brengt, terwijl de eerste tussenbeschikking ook al met onbeoogde vertraging is uitgesproken. Maar nu een uitspraak van de Hoge Raad op korte termijn wordt verwacht, meent het hof dat deze vertraging te overzien is en in het belang van een goede procesorde voor lief moet worden genomen.

7.12.

Zodra de Hoge Raad zijn uitspraak heeft gedaan zal iedere partij zich tot het hof kunnen wenden met het verzoek om een nadere akte te nemen waarin wordt geduid wat de uitspraak van de Hoge Raad voor de onderhavige zaak betekent. Bij voorkeur worden deze nadere aktes gelijktijdig ingediend. Vervolgens zal iedere wederpartij hierop gelijktijdig mogen reageren binnen een termijn van uiterlijk vier weken.

7.13.

Ten behoeve van controle van de voortgang zal de zaak pro forma worden aangehouden tot donderdag 14 januari 2021. Deze datum kan ook worden benut voor indiening van de hiervoor bedoelde aktes. Indien de uitspraak van de Hoge Raad te kort voor deze pro formadatum zal worden uitgesproken, dan zal het hof op bedoelde datum zelf een nieuwe datum bepalen waarop de hiervoor bedoelde aktes kunnen worden ingediend.

7.14.

Iedere verdere beslissing wordt derhalve thans in principaal en in incidenteel appel aangehouden.

10.4.2.

Hetgeen het hof toen heeft overwogen aangaande de keuze de uitspraak van de Hoge Raad af te wachten geldt nog steeds onverkort. Ook thans lijkt het verder zinvol een pro forma datum te bepalen waarop de uitspraak van de Hoge Raad door ieder der partijen kan worden overgelegd - indien op 19 februari 2021 of kort daarvoor of daarna gewezen - tezamen met een akte waarin de consequenties van die uitspraak desgewenst worden geduid.
Vervolgens zal een termijn dienen te gelden voor de antwoordakte over en weer.

10.4.3.

De duur van de eerdere termijn is mede bepaald door de daarin begrepen kerstperiode. Daarvan is thans geen sprake. De door de Staat genoemde voorjaarsvakantie laat zich ook niet met de kerstperiode vergelijken.

De pro forma datum wordt dan ook thans bepaald op donderdag 18 maart 2021.
Deze datum kan ook worden benut voor indiening van de hiervoor bedoelde aktes, waarvoor aldus een termijn van ongeveer vier weken wordt geboden. Vervolgens zal iedere wederpartij hierop gelijktijdig mogen reageren binnen een nadere termijn van uiterlijk vier weken vanaf 18 maart 2021.

10.4.4.

Indien de uitspraak van de Hoge Raad te kort voor deze (alsdan) pro formadatum zal worden uitgesproken, dan zal het hof op bedoelde datum zelf een nieuwe datum bepalen waarop de hiervoor bedoelde aktes kunnen worden ingediend en vervolgens de antwoordaktes over en weer kunnen worden ingediend.

10.4.5.

Daarna zal het hof een (streef)datum bepalen voor verdere uitspraak.

Zoals al eerder overwogen in onderdeel 7.5. van de tweede tussenbeschikking zijn er nog vele punten waarop een beslissing moet worden genomen. Daar komen mogelijk nog punten bij waartoe de uitspraak van de Hoge Raad aanleiding kan of zal geven.

Het hof zal dan ook de tijd (moeten) nemen die nodig zal zijn om een en ander adequaat te beoordelen en beslissen. Dit wordt niet anders door de wetenschap dat [appellant 1] c.s. van oordeel zijn dat nu al sprake is van een enorme vertraging. Het is overigens niet gezegd dat het Hof de uitspraakdatum onbeperkt zal blijven aanhouden, per keer zal hij dit nader bezien.

Het hof verzoekt partijen overigens om de griffie in de periode voorafgaand aan de aangekondigde uitspraakdatum, ook in geval van een of meerdere aanhoudingen, niet te (blijven) schrijven en bellen, zoals eerder wel het geval is geweest. Dit versnelt niet het besluitvormingsproces door de betreffende kamer van het hof en leidt wel tot onnodig extra werk (en de gevolgen van dien) bij de griffie.

10.4.6.

Iedere verdere beslissing wordt thans in principaal en in incidenteel appel aangehouden.

11 De beslissing

Het hof:

In principaal en incidenteel appel:

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 18 maart 2021.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R.M. de Moor, A.P. Zweers-van Vollenhoven en M. Breur en is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2021.