Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2589

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-08-2021
Datum publicatie
27-08-2021
Zaaknummer
200.243.981_01 en 200.259.170_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:2853
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:2312
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:1868
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2021:733
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag. Omgangsregeling. Informatie- en consultatieregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 19 augustus 2021

Zaaknummers : 200.243.981/01 (gezag) en 200.259.170/01 (omgang)

Zaaknummers eerste aanleg : C/02/280321 FA RK 14-2497 (gezag) en

C/02/350310 FA RK 18-5293 (omgang)

in de zaken in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.F.M. van Weegberg,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E. Akdeniz.

Deze beschikking gaat over [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2013,

hierna: [minderjarige] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt: Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

9 De beschikking van 27 juni 2019

Bij deze beschikking heeft het hof de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar het gezag over [minderjarige] en de omgang tussen de vader en [minderjarige] . Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

10 De beschikking van 18 juni 2020

Bij deze beschikking heeft het hof de raad verzocht een aanvullend onderzoek in te stellen naar het gezag en de definitieve omgangsregeling en vakantieregeling. Het hof heeft verder een voorlopige omgangsregeling en vakantieregeling van de vader met [minderjarige] bepaald. Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

11 De beschikking van 11 maart 2021

Bij deze beschikking heeft het hof bepaald dat het dictum van de beschikking van 18 juni 2020 moet worden aangevuld ten aanzien van de vakantieregeling.

12 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

12.1.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juli 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. J.F.M. van Weegberg;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. E. Akdeniz;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

12.2.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het rapport van de raad van 31 mei 2021, ontvangen op 1 juni 2021;

  • -

    het V8-formulier van de advocaat van de vader van 14 juni 2021;

  • -

    het V8-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder van 15 juni 2021;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de vader van 5 juli 2021.

13 De verdere beoordeling

Ouderlijk gezag

13.1.

De raad adviseert het hof om het eenhoofdig gezag van de moeder in stand te laten. De raad ziet onvoldoende basis voor gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag. Uit het raadsonderzoek is gebleken dat de communicatie en samenwerking tussen de ouders ondanks de ondertoezichtstelling nog uiterst moeizaam verloopt. De ouders hebben een belaste voorgeschiedenis met elkaar en er is sprake van groot wantrouwen. De dynamiek tussen de ouders maakt dat gezamenlijke gesprekken zeer moeizaam verlopen. De ouders hebben verschillende denkbeelden over wat het meest in het belang van [minderjarige] moet worden geacht. Ze luisteren niet goed naar elkaar en ze lokken negatieve reacties bij elkaar uit. De mogelijkheden voor hulpverlening lijken te zijn uitgeput. In het vorige raadsrapport is geconstateerd dat [minderjarige] al klem of verloren lijkt te raken tussen de ouders terwijl het gezag nog enkel bij de moeder berust. In het huidige onderzoek kan dit niet zonder meer opnieuw worden geconcludeerd, maar het moet voor [minderjarige] moeilijk blijven om zich onder de omstandigheden op een onbelaste manier tussen de ouders op en neer te bewegen. De raad kan bovendien nog steeds niet zonder meer aannemen dat de strijd tussen de ouders vermindert op het moment dat het hof zou besluiten om gezamenlijk gezag toe te wijzen. Er is een grote kans dat de ouders dan vastlopen bij het nemen van belangrijke beslissingen over [minderjarige] , wat niet in zijn belang is.

13.2.

De vader kan zich niet vinden in het advies van de raad. De moeder is volgens hem bewust bezig om met haar gedrag de communicatie en de onderlinge verhoudingen negatief te beïnvloeden en dat wordt beloond door geen ouderlijk gezag toe te staan. De vader voert aan dat gezamenlijk gezag zal leiden tot gelijkwaardig ouderschap en (de kans op) een gedragsverandering en positievere houding bij de moeder, wat in het belang is van [minderjarige] .

13.3.

De moeder is het eens met het advies van de raad. De ouders kunnen niet op een normale manier met elkaar communiceren en de vader kan heel fel en agressief reageren. De ouders kunnen het al niet eens worden over de voetbalvereniging van [minderjarige] en dat geeft geen vertrouwen voor (toekomstige) belangrijkere beslissingen.

13.4.

[minderjarige] staat onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 26 maart 2022. Tijdens de mondelinge behandeling voert de GI aan dat zij bij gezamenlijk gezag (nog) meer discussies voorziet en verwacht dat in dat geval een langere duur van de ondertoezichtstelling nodig zal zijn.

13.5.

Het hof overweegt als volgt.

13.5.1.

In artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Indien de andere ouder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:

  1. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

  2. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

13.5.2.

Het hof volgt het advies van de raad. Het hof is van oordeel dat het verzoek van de vader om hem gezamenlijk met de moeder te belasten met het ouderlijk gezag moet worden afgewezen, omdat er een onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen deze ouders en dit binnen afzienbare tijd niet anders wordt, en afwijzing ook anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Uit de stukken en de mondelinge behandeling volgt dat de ouders totaal niet op één lijn zitten en niet met elkaar op een constructieve wijze over [minderjarige] kunnen overleggen. Dat blijkt ook hierna uit de wens van de raad en de GI om de contactregeling zo gedetailleerd mogelijk op te nemen in de beschikking om discussie tussen de ouders zo veel mogelijk te voorkomen, alsmede uit de hierna onder 3.18 en 3.19. opgenomen overwegingen ten aanzien van de keuze van voetbalclub voor [minderjarige] . Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] zullen er in de toekomst nog belangrijke beslissingen moeten worden genomen en het hof deelt de verwachting van de raad dat gezamenlijk gezag zal leiden tot meer discussies en/of conflicten, wat in het belang van [minderjarige] juist moet worden voorkomen. De stelling van de vader dat gezamenlijk gezag zal leiden tot gelijkwaardig ouderschap en (de kans op) een gedragsverandering en positievere houding bij de moeder, wat in het belang is van [minderjarige] , is slechts een verwachting die alleen de vader heeft en door de deskundigen niet ondersteund wordt. Het hof zal deze stelling dan ook passeren.

13.5.3.

Nu het hof het eenhoofdig gezag van de moeder in stand laat, komt het hof niet toe aan de discussie tussen de ouders over het identiteitsbewijs en/of een paspoort van [minderjarige] .

Omgangsregeling: reguliere regeling

13.6.

Uit het raadsrapport volgt dat er geen contra-indicaties zijn voor contact tussen [minderjarige] en de vader. De tijdelijke omgangsregeling biedt duidelijkheid en structuur en wordt al geruime tijd door de ouders nageleefd. De omgangsregeling is zodoende uitvoerbaar gebleken. De raad ziet onvoldoende mogelijkheden voor een gelijke verdeling van zorgtaken. Beide ouders zijn in staat om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] adequaat in te vullen, maar hebben nog steeds verschillende ideeën over de opvoeding met als gevolg dat zij elkaar blijven diskwalificeren. Een meer gelijke verdeling van de zorgtaken vraagt om meer afstemming en een basis van acceptatie en wederzijds respect. De spanningen tussen de ouders kunnen leiden tot loyaliteitsproblemen bij [minderjarige] . De raad is daarom van mening dat het wisselen zo veel mogelijk op school moet plaatsvinden, zodat [minderjarige] de spanningen tussen de ouders niet meekrijgt. De raad adviseert dat [minderjarige] bij de vader verblijft iedere dinsdag na school tot woensdag aanvang school en eenmaal per twee weken van vrijdag na school tot maandag aanvang school. Als maandag geen schooldag is, adviseert de raad in het raadsrapport dat [minderjarige] in dat geval op zondag 19.00 uur weer terug is bij de moeder. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad te kennen gegeven dat ook in de situatie dat maandag geen schooldag is, het wisselmoment op de maandagochtend zou kunnen zijn.

13.7.

De GI benadrukt dat het wenselijk is dat er duidelijke afspraken worden opgenomen over de omgangsregeling, om te voorkomen dat er discussies ontstaan tussen de ouders.

13.8.

De vader kan zich niet vinden in het advies van de raad zoals is beschreven in het raadsrapport. Naast het contact met [minderjarige] op dinsdag en woensdag, wil hij dat [minderjarige] eenmaal per twee weken van vrijdag tot maandag bij hem verblijft en dat het wisselmoment dus standaard op maandag is, ook als er die dag geen school is.

13.9.

De moeder wil aansluiten bij de omgangsregeling zoals is verwoord in het raadsrapport.

13.10.

Het hof overweegt als volgt.

3.10.1.

Ingevolge artikel 1:377a BW stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

3.10.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vader recht heeft op omgang met [minderjarige] , maar wel de wijze waarop daaraan invulling moet worden gegeven. Op uitdrukkelijk verzoek van partijen, gesteund door de raad en de GI, zal het hof de reguliere omgangsregeling zeer specifiek omschrijven. Het hof benadrukt dat het in het belang is van [minderjarige] om discussies zoveel mogelijk te vermijden. Mochten partijen, ondanks de gespecificeerde reguliere omgangsregeling, toch nog discussie hebben over de uitvoering van de regeling, dan acht het hof het van belang dat de GI hierin de knoop zal doorhakken.

3.10.3.

Het hof is van oordeel dat een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] zoals door de raad is geadviseerd, in het belang van [minderjarige] wenselijk is. Het hof zal daarom bepalen dat [minderjarige] iedere dinsdag na school tot woensdag aanvang school bij de vader verblijft. De vader haalt [minderjarige] op dinsdag op bij school en brengt hem woensdagochtend weer terug naar school. Het hof voegt hier voor de duidelijkheid aan toe dat mocht er op één van deze dagen een studiedag zijn of een andere reden (met uitzondering van de vakanties) waarom [minderjarige] op dinsdag en/of woensdag niet naar school hoeft/gaat, dan geldt dezelfde omgangsregeling met dezelfde tijden. Het enige verschil zal dan zijn dat de vader [minderjarige] niet ophaalt bij/terugbrengt naar school, maar dat het wisselmoment zal plaatsvinden bij de moeder. Het hof zal verder bepalen dat [minderjarige] eenmaal per twee weken van vrijdag tot maandagochtend bij de vader verblijft. De vader haalt [minderjarige] op vrijdag op om 18.30 uur. Op dit moment is [minderjarige] bij de judo en kan de vader hem daar om 18.30 uur ophalen. Ook wanneer er iets wijzigt bij de judo (bijvoorbeeld andere judotijden of [minderjarige] stopt met judoën), start het omgangsweekend van de vader met [minderjarige] op vrijdag om 18.30 uur. [minderjarige] verblijft tot maandagochtend bij de vader. Indien [minderjarige] op maandag naar school moet, brengt de vader hem naar school. Indien er op maandag geen school is, dan zorgt de vader er voor dat [minderjarige] om 09.00 uur bij de moeder is.

Omgangsregeling: vakanties, feestdagen en verjaardagen

3.11.

De raad adviseert een vakantieregeling te bepalen die inhoudt dat de vakanties gelijk tussen ouders worden verdeeld. Voor wat betreft de zomervakantie adviseert de raad dat het wisselmoment plaatsvindt op zaterdag om 16.00 uur in de derde week en dat de vakanties jaarlijks wisselen.

3.12.

De vader kan zich vinden in de vakantieregeling die de raad adviseert. De vader wil de omgangsweekenden tijdens Pasen en Pinksteren uitbreiden tot dinsdagochtend.

3.13.

De moeder kan niet instemmen met een gelijke verdeling van de zomervakantie. De moeder voert aan dat zij in de zomervakantie met [minderjarige] haar ouders in Polen wil kunnen bezoeken. Zij wil daarom dat het wisselmoment in de zomervakantie plaatsvindt in de derde week op woensdag om 12.00 uur. Voor wat betreft Pasen en Pinksteren wil de moeder dat de reguliere omgangsregeling wordt gehanteerd.

3.14.

Het hof overweegt als volgt.

3.14.1.

Omdat er geen overleg tussen partijen mogelijk is, zal het hof ook de regeling voor de vakanties, feestdagen en verjaardagen zeer specifiek omschrijven met zo min mogelijk (extra) wisselmomenten. Het gevolg hiervan is dat de regeling soms ongelukkig kan uitvallen voor (één van) partijen tijdens bijvoorbeeld feestdagen of verjaardagen. Omdat het in het belang is van [minderjarige] om discussies zoveel mogelijk te vermijden, heeft een strakke regeling echter de voorkeur en partijen hebben hier tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk om verzocht. Mochten partijen alsnog discussie hebben over de uitvoering van de regeling, dan geldt ook hier dat het hof het van belang acht dat de GI de knoop zal doorhakken.

Zomervakantie

3.14.2.

Het hof is met de raad van oordeel dat een gelijke verdeling van de zomervakantie in het belang van [minderjarige] wenselijk is. Het hof zal daarom bepalen dat [minderjarige] gedurende de zomervakantie de eerste drie weken bij de vader verblijft en de laatste drie weken bij de moeder. Dit betekent concreet dat de vader [minderjarige] op de laatste schooldag op vrijdag om 17.00 uur ophaalt bij de moeder. [minderjarige] verblijft vervolgens bij de vader en het wisselmoment vindt plaats in de derde vakantieweek op zaterdag. De vader zorgt dat [minderjarige] dan om 16.00 uur bij de moeder is. [minderjarige] verblijft vervolgens bij de moeder tot maandagochtend aanvang eerste schooldag, waarna de reguliere omgangsregeling weer wordt gevolgd. Omdat het hof het van belang vindt dat [minderjarige] bij de start van het nieuwe schooljaar bij de moeder is en om zo veel mogelijk duidelijkheid voor de ouders te creëren, zal het verzoek van de vader om de weken in de zomervakantie jaarlijks te wisselen worden afgewezen. Voor de zomervakantie betekent dit dat [minderjarige] elk jaar de eerste drie weken bij de vader verblijft en de laatste drie weken bij de moeder met in achtneming van de hiervoor beschreven aanvangstijd en wisselmoment.

Herfstvakantie

3.14.3.

Om het aantal wisselmomenten te beperken zal het hof bepalen dat [minderjarige] de herfstvakantie in de oneven jaren bij de vader doorbrengt en de even jaren bij de moeder. De herfstvakantie vangt aan op maandag om 09.00 uur en deze loopt tot vrijdag 18.30 uur, zodat de reguliere weekendregeling gewoon kan doorlopen.

Kerstvakantie

3.14.4.

Voor de kerstvakantie zal het hof bepalen dat [minderjarige] in de oneven jaren de eerste week van de kerstvakantie bij de vader doorbrengt en de tweede week bij de moeder. In de even jaren brengt [minderjarige] de eerste week bij de moeder door en de tweede week bij de vader. De kerstvakantie vangt zowel in de eerste als in de tweede week aan op maandag om 09.00 uur en deze loopt tot vrijdag 18.30 uur, zodat de reguliere weekendregeling ook in de kerstvakantie gewoon doorloopt.

Carnavalsvakantie/voorjaarsvakantie

3.14.5.

Het hof zal bepalen dat [minderjarige] de carnavalsvakantie/voorjaarsvakantie in de even jaren bij de vader doorbrengt en de oneven jaren bij de moeder. Gelet op de slechte verstandhouding tussen de vader en de moeder, zal het hof geen aparte regeling voor de carnavalsdagen opnemen, zoals door de vader is verzocht. De carnavalsvakantie/voorjaarsvakantie vangt aan op maandag om 09.00 uur en deze loopt tot vrijdag 18.30 uur, zodat de reguliere weekendregeling gewoon kan doorlopen.

Meivakantie

3.14.6.

Voor de meivakantie zal het hof bepalen dat [minderjarige] in de oneven jaren de eerste week van de meivakantie bij de vader doorbrengt en de tweede week bij de moeder. In de even jaren brengt [minderjarige] de eerste week bij de moeder door en de tweede week bij de vader. De meivakantie vangt zowel in de eerste als in de tweede week aan op maandag om 09.00 uur en deze loopt tot vrijdag 18.30 uur, zodat de reguliere weekendregeling ook in de meivakantie gewoon doorloopt.

Pasen en Pinksteren

3.14.7.

Het hof zal bepalen dat voor Pasen en Pinksteren het schema (en de tijden) van de reguliere omgangsregeling wordt gevolgd, met dien verstande echter dat indien [minderjarige] dan bij de vader verblijft, het wisselmoment niet op maandagochtend plaatsvindt maar op dinsdagochtend, waarbij de vader [minderjarige] op dinsdagochtend naar school brengt. Indien er op dinsdag geen school is, dan zorgt de vader er voor dat [minderjarige] om 09.00 uur bij de moeder is.

Omdat het schema van de reguliere omgangsregeling zal worden aangehouden, betekent dit dat [minderjarige] het paasweekend bij de ene ouder zal doorbrengen en het pinksterweekend bij de andere ouder.

Overige feestdagen en verjaardagen

3.14.8.

Het hof zal bepalen dat voor de overige feestdagen (zoals Hemelvaart, Koningsdag, Sinterklaas) en de verjaardagen van [minderjarige] , de vader en de moeder de reguliere omgangsregeling en/of vakantieregeling wordt gevolgd. Het hof zal voor die feestdagen en verjaardagen geen aparte regeling opnemen, met name om de wisselmomenten voor [minderjarige] te beperken en om discussies tussen partijen te voorkomen.

Informatieregeling

3.15.

In het raadsrapport heeft de raad zich uitgelaten over de informatieregeling. De raad geeft aan dat op dit moment een informatieregeling geldt die inhoudt dat de moeder één keer per drie maanden de vader dient te informeren over belangrijke aangelegenheden in het leven van [minderjarige] . Gelet op de mate van betrokkenheid van de vader in het leven van [minderjarige] , is dit volgens de raad zeer gering. De raad acht het in het belang van [minderjarige] dat de vader op de hoogte is van datgene wat er in zijn leven speelt, in ieder geval op het gebied van school, vrijetijdsbesteding en gezondheid. De raad adviseert daarom dat er een ruimere informatieregeling wordt bepaald, waarbij de raad denkt aan één keer per vier of zes weken.

3.16.

De moeder heeft in haar brief van 15 juni 2021 te kennen gegeven dat zij bereid is om de vader eens per zes weken te informeren.

3.17.

Het hof stelt vast dat de informatieregeling formeel geen onderwerp is van het ingediende hoger beroep, maar omdat de ouders het er over eens zijn dat er een informatieregeling met een frequentie van één keer per zes weken wordt opgenomen zal het hof die regeling alsnog hierna opnemen.

Voetbalvereniging

3.18.

De raad constateert in het raadsonderzoek dat een van de grootste geschillen tussen de ouders het lidmaatschap van [minderjarige] bij de voetbalvereniging is. De vader wil graag dat [minderjarige] bij de vereniging komt voetballen waar hij zelf training geeft ([voetbalclub 1]). De moeder wil dat [minderjarige] bij de voetbalclub in [plaats] ([voetbalclub 2]) blijft spelen, omdat hij een talentvolle speler is en hij bij deze club meer mogelijkheden heeft om zich te ontwikkelen. De raad geeft aan dat over dit onderwerp geen concreet advies zal worden uitgebracht. Maar dit neemt niet weg, aldus de raad, dat [minderjarige] tijdens het onderzoek expliciet de wens heeft uitgesproken om met zijn vader te voetballen. Gelet op zijn leeftijd, ontwikkelingsfase en de band die hij met zijn vader heeft is dat ook goed voor te stellen, aldus de raad.

3.19.

Het hof overweegt als volgt.

3.19.1.

Het hof stelt vast dat er in hoger beroep geen concreet verzoek voorligt met betrekking tot (het verlenen van vervangende toestemming voor) het inschrijven van [minderjarige] bij voetbalvereniging [voetbalclub 1]. Daarbij komt dat de rechtbank in de bestreden beschikking terecht heeft overwogen dat artikel 1:253a BW enkel ziet op geschillen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag. In de wet is/zijn geen bepaling(en) opgenomen dat ziet/zien op geschillen tussen de ouder met gezag en de ouder zonder gezag dan wel die bepaalt/bepalen dat de ouders zonder gezag vervangende toestemming kunnen verzoeken ten aanzien van onderwerpen als in deze verzocht. Dit neemt niet weg dat uit het raadsrapport volgt dat [minderjarige] expliciet de wens heeft uitgesproken om met zijn vader te voetballen. In haar brief van 15 juni 2021 geeft de moeder aan dat zij, in het belang van [minderjarige] , de keuze voor de voetbalvereniging bij hem wil laten, maar tijdens de mondelinge behandeling komt de moeder hierop terug. Ondanks dat de voetbalvereniging geen onderwerp is van het ingediende hoger beroep, geeft het hof de ouders, en in dit geval met name de moeder, uitdrukkelijk in overweging om aansluiting te zoeken bij de wens van [minderjarige] , hem hierin te ondersteunen en hier aan tegemoet te komen.

14 De slotsom

14.1.

Gelet op het voorgaande zal het hof in het hoger beroep met zaaknummer 200.243.981/01 de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 9 mei 2018 bekrachtigen voor wat betreft het gezag en vernietigen voor wat betreft de informatieregeling en beslissen als hierna onder 15 vermeld.

14.2.

In het hoger beroep met zaaknummer 200.259.170/01 zal het hof de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 februari 2019 voor wat betreft de omgang vernietigen en beslissen als hierna onder 15 vermeld.

14.3.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep – gelet op de aard van de procedure – compenseren zoals hierna vermeld.

15 De beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.243.981/01:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 9 mei 2018, wat betreft de daarin bepaalde informatieregeling

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de moeder één keer zes weken de vader dient te informeren over belangrijke aangelegenheden in het leven van [minderjarige] , zoals onder meer school, vrijetijdsbesteding en gezondheid;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank het overige;

in de zaak met zaaknummer 200.259.170/01:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 februari 2019 voor zover daarbij is beslist op het verzoek van de vader om de omgangsregeling zoals opgenomen in de beschikking van het Hof ’s-Hertogenbosch van 11 mei 2017 te wijzigen

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van het Hof ’s-Hertogenbosch van 11 mei 2017 en voor zover nodig de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 19 mei 2016 voor zover het betreft de tussen de vader en [minderjarige] bepaalde omgangsregeling en

bepaalt dat de vader en [minderjarige] omgang met elkaar hebben conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverwegingen 3.10 t/m 3.10.3 en 3.14 t/m 3.14.8 is overwogen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in beide zaken:

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, H. van Winkel en H.J.M. van Arkel-van Gasselt en is in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.