Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2568

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-08-2021
Datum publicatie
19-08-2021
Zaaknummer
200.278.096_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:5932
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep. Geschil over sportpaarden. Niet voldaan aan stelplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.278.096/01

arrest van 17 augustus 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] (Spanje),

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. R.W. de Pater te Breda,

tegen

[geïntimeerde] , voorheen handelend onder de naam [Handelsnaam] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. L.M. Schelstraete te ’s-Hertogenbosch.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/358815 / HA ZA 19-339)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 24 december 2019, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde. De in het vonnis genoemde brieven naar aanleiding van het proces-verbaal, heeft het hof niet aangetroffen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van 24 maart 2020;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3 De feiten en het geschil

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[appellant] is professioneel springruiter en handelaar in paarden. Hij was eigenaar van de paarden [het paard 1] en [het paard 2] .

3.1.2.

[geïntimeerde] dreef voor eigen rekening een eenmanszaak handelend onder de naam

[Handelsnaam] . Volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel

bestonden de activiteiten van deze onderneming uit het fokken en houden van dieren. De

eenmanszaak is volgens voornoemd handelsregister sinds 27 mei 2019 als onderneming

uitgeschreven. De eenmanszaak van [Handelsnaam] was gevestigd in [vestigingsplaats] .

3.1.3.

In de periode van mei 2017 tot en met mei 2018 heeft [appellant] ten behoeve van zijn

paarden gebruik gemaakt van de paardenstallen aan het adres [adres] in [plaats] .

3.2.

In de onderhavige procedure vorderde [appellant] in eerste aanleg:

3.2.1.

[geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 175.000,00 aan [appellant] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 14 dagen na 14 mei 2019;

3.2.2.

[geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 2.525,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

3.2.3.

[geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten, de nakosten daarin begrepen.

3.3.

Het bedrag van € 175.000,00 bestaat uit een – volgens [appellant] –onbetaald gelaten gedeelte van de koopsom met betrekking tot het paard [het paard 1] , een schadevergoeding althans koopsom voor het paard [het paard 2] en een schadevergoeding voor een helm en zadel.

3.4.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. In het tussenvonnis van 28 augustus 2019 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. In het eindvonnis van 24 december 2019 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] als onvoldoende onderbouwd afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

3.5.

[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van een bedrag van € 170.000,00 te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijk incassokosten. De afgewezen schadevergoeding voor de helm en het zadel is geen onderwerp van het hoger beroep.

4 De beoordeling

4.1.

Aangezien [appellant] in het buitenland woont, moet het hof ambtshalve vaststellen of de Nederlandse rechter bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen. [geïntimeerde] woont in Nederland en daarom is de Nederlandse rechter bevoegd op grond van artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Dat artikel bepaalt immers dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat opgeroepen kunnen worden voor de gerechten van die lidstaat.

4.2.

Beide partijen hebben op de zitting in eerste aanleg gekozen voor het Nederlands recht. Het hof zal de vorderingen daarom Nederlands recht toepassen bij de beoordeling van de vorderingen.

[het paard 1]

4.3.

Grief 1 van [appellant] richt zich tegen de afwijzing van de vordering van € 100.000,00 die ziet op de verkoop van het paard [het paard 1] .

4.4.

Als grondslag van zijn vordering heeft [appellant] aangevoerd (in de dagvaarding in eerste aanleg) dat [geïntimeerde] , op verzoek van [appellant] , het paard verkocht heeft voor een bedrag van € 350.000,00 aan [de koper 1] , woonachtig in Italië. De koopsom zou door [geïntimeerde] aan [appellant] worden voldaan middels betaling van € 250.000,00 en daarnaast zou het paard [het paard 3] in eigendom aan [appellant] worden overgedragen. [geïntimeerde] heeft bedragen van € 40.000,00, € 80.000,00 en € 30.000,00 betaald, zodat er nog een restant van € 100.000,00 onbetaald is gelaten, aldus [appellant] .

4.5.

Op de zitting in eerste aanleg verklaarde hij hierover:

Ik heb [het paard 1] aan [geïntimeerde] verkocht voor € 350.000,=. De overeenkomst is niet op schrift gesteld. Het paard is gekeurd voor de verkoop en had geen medische problemen. [geïntimeerde] is een samenwerking met [de koper 1] aangegaan. Daar had ik niets mee te maken. De eerste € 100.000,= van voornoemd bedrag is betaald door [geïntimeerde] door middel van een ruil met het paard [het paard 3] .

[geïntimeerde] heeft een deel van het paard verkocht aan [de koper 2] voor een bedrag van € 40.000,=.

[de koper 2] heeft dat bedrag op verzoek van [geïntimeerde] aan mij betaald. Ik merk op dat het contract waarop ik als verkoper van [het paard 1] sta voor een bedrag van € 40.000 = (productie 6 bij dagvaarding), een valstrik was. Ik zou [het paard 1] nooit voor een bedrag van € 40.000,= verkopen. Het paard was veel meer waard. Ik moest dit contract tekenen zodat [de koper 2] mij een bedrag van € 40.000,= kon betalen op mijn bankrekening. [geïntimeerde] wilde mij dit bedrag contant betalen, maar dat wilde ik niet. Ik wilde het geld alleen op mijn bankrekening ontvangen. Ik moest daarom van hem dit contract ondertekenen zodat [de koper 2] mij dit bedrag via een bankrekening kon betalen.

[geïntimeerde] heeft (een deel van) [het paard 1] verkocht aan [de koper 1] . [de koper 1] heeft in dat verband een bedrag van € 80.000,= aan [geïntimeerde] betaald. [geïntimeerde] wilde € 80.000,= in cash aan mij betalen maar dat wilde ik niet. [geïntimeerde] kon daardoor het bedrag niet aan mij betalen. Om de betaling toch te laten plaatsvinden heeft [naam 1] twee paarden van [geïntimeerde] gekocht voor € 80.000,=. Vervolgens heeft [naam 1] op verzoek van [geïntimeerde] voornoemd bedrag aan mij betaald.”

4.6.

In hoger beroep stelt [appellant] “dat [geïntimeerde] op verzoek van [appellant] op zoek is

gegaan naar een koper van [het paard 1] . De opdracht was dat het paard verkocht zou

worden voor € 350.000 gelet op de staat van dienst. [geïntimeerde] heeft het paard [het paard 1]

namens [appellant] verkocht voor € 350.000.”

4.7.

Als verweer voert [geïntimeerde] – zakelijk weergegeven – aan dat hij bemiddeld heeft bij de verkoop van het paard [het paard 1] door [appellant] aan Antonio [de koper 2] voor een bedrag van € 40.000,00. Die transactie blijkt uit de door [appellant] zelf overgelegde in het Italiaans opgestelde koopovereenkomst tussen [appellant] als verkoper (“venditore”) en [de koper 2] (“acquirente”). Voor de bemiddeling is [geïntimeerde] niet betaald.

4.8.

Het hof overweegt als volgt. [appellant] moet, op grond van (de hoofdregel van) artikel 150 Rv, voldoende onderbouwd de feiten stellen die de toewijzing van zijn vordering(en) kunnen dragen. De schriftelijke verklaring van [naam 2] waar [appellant] zich op beroept, is onvoldoende om de vordering van [appellant] te onderbouwen. Die verklaring bevat geen concrete informatie over de afspraken tussen [appellant] en [geïntimeerde] , behalve wat [naam 2] van [appellant] zelf heeft gehoord.

4.9.

Voor zover [appellant] stelt dat hij het paard aan [geïntimeerde] heeft verkocht, licht hij niet toe wanneer die koopovereenkomst zou zijn gesloten, wat de inhoud daarvan was en hoe die gestelde koopovereenkomst met [geïntimeerde] zich verhoudt met [appellant] ’s eigen stellingen dat hij [geïntimeerde] opdracht had gegeven om te bemiddelen bij de verkoop van het paard aan een derde. Het hof kan daarom niet tot de conclusie komen dat tussen [appellant] en [geïntimeerde] een koopovereenkomst is gesloten.

Ook de gestelde opdracht aan [geïntimeerde] is – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – onvoldoende als grondslag voor de vordering. [appellant] legt niet uit op welke grond [geïntimeerde] , die bemiddelde bij de verkoop, ingevolge die bemiddeling gehouden zou zijn om zelf de verkoopprijs te betalen aan [appellant] . Niet is gesteld of gebleken dat dat tussen [appellant] en [geïntimeerde] overeengekomen is. De hoogte van de koopprijs is – tegenover de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] – niet met concrete gegevens onderbouwd en niet is gesteld of gebleken dat het bedrag van € 350.000,00 door de koper(s) aan [geïntimeerde] zou zijn betaald, zodat ook niet kan komen vast te staan dat [geïntimeerde] gehouden zou zijn (het restant van) dat bedrag door te betalen aan [appellant] . Dat betekent dat [appellant] niet aan zijn stelplicht op dit punt heeft voldaan. Zijn vordering is niet toewijsbaar en grief 1 faalt.

[het paard 2]

4.10.

Grief 2 van [appellant] richt zich tegen de afwijzing van de vordering van € 70.000,00 die ziet op het paard [het paard 2] .

4.11.

Als grondslag van zijn vordering heeft [appellant] gesteld (in de dagvaarding in eerste aanleg en op de zitting in eerste aanleg) dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld. Het paard was eigendom van [appellant] en is door [geïntimeerde] zonder de toestemming van [appellant] verkocht.

4.12.

Als verweer voert [geïntimeerde] – zakelijk weergegeven – aan dat hij eigenaar was van een schimmel die hij van [appellant] had gekocht. Per 1 januari 2017 heeft hij zijn onderneming voortgezet in twee besloten vennootschappen. De eigendom van de schimmel is daarbij overgegaan naar BG Sporthorses International en vervolgens heeft die vennootschap de schimmel met [appellant] geruild tegen [het paard 2] . Daarna is [het paard 2] in Italië door dezelfde vennootschap verkocht.

4.13.

In hoger beroep stelt [appellant] dat [geïntimeerde] erkent dat [geïntimeerde] – in privé –het paard [het paard 2] van [appellant] heeft gekocht. Hij vordert daarom betaling van een koopsom van [geïntimeerde] .

4.14.

Het hof is van oordeel dat deze vordering van [appellant] niet toewijsbaar is, omdat zijn stellingen op dit punt niet voldoende concreet onderbouwd zijn. Dat [appellant] het paard aan [geïntimeerde] (in privé) heeft verkocht, volgt niet uit het verweer van [geïntimeerde] : [geïntimeerde] voert immers aan dat er sprake is geweest van een ruil tussen [appellant] en BG Sporthorses International. Weliswaar verklaarde [geïntimeerde] op de zitting in eerste aanleg: “Ik heb vervolgens [het paard 2] naar Italië gestuurd en verkocht.”, maar het hof leidt daaruit niet af dat [geïntimeerde] hier erkent dat hij in privé eigenaar is geworden van [het paard 2] . Hij had immers al in de conclusie van antwoord het standpunt ingenomen dat het paard eigendom was van BG Sporthorses International [geïntimeerde] was de bestuurder van die BV en was daarom bevoegd om ook namens die BV te handelen. Een uitdrukkelijke erkenning of het prijsgeven van een verweer, leest het hof daarom niet in het gebruik van het woord “ik”. Dat betekent dat [appellant] moet stellen (en onderbouwen) dat hij het paard aan [geïntimeerde] in privé heeft verkocht. Daarvoor stelt hij onvoldoende. Immers stelt [appellant] niets concreets over het totstandkomen van die koopovereenkomst en ook niets over de inhoud ervan. Die gestelde verkoop is bovendien in tegenspraak met zijn eerdere stellingen dat het paard van [appellant] was en door [geïntimeerde] onbevoegd en zodoende onrechtmatig aan een derde zou zijn verkocht. Ook deze vordering is daarom niet toewijsbaar. Het hof komt zodoende niet toe aan de vraag of [geïntimeerde] of zijn vennootschap partij zou zijn geweest bij een beweerdelijke koopovereenkomst. Grief 2 faalt zodoende.

Proceskosten

4.15.

Grief 3 ziet op de proceskosten. Aangezien de vorderingen van [appellant] terecht zijn afgewezen, is hij ook terecht in de proceskosten veroordeeld. Ook deze grief faalt.

4.16.

Omdat [appellant] de relevante stellingen niet voldoende onderbouwd heeft, komt het hof aan bewijslevering niet toe. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. [appellant] is in hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal in de proceskosten van [geïntimeerde] worden veroordeeld.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 1.727,00

- salaris advocaat € 3.278,00 (1 punt × tarief V)

4.17.

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

5 De uitspraak

Het hof:

5.1.

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 december 2019;

5.2.

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.727,00 voor verschotten en op € 3.278,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

5.3.

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 163,00, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,00 in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

5.4.

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, H.K.N. Vos en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 augustus 2021.

griffier rolraadsheer