Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2560

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-08-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
20/00124
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende bezit de eigendom van een onroerende zaak, die bestaat uit een bedrijfsruimte op de begane grond en een bovenwoning. Vanaf het jaar 2011, heeft belanghebbende de onroerende zaak in het kader van de tbs-regeling in zijn aangiften geactiveerd in verband met terbeschikkingstelling van de onroerende zaak aan een BV waarvan belanghebbende alle aandelen bezit. In de aangifte IB/PVV 2011 heeft belanghebbende de genoten huur minus kosten over de periode 2007 tot en met 2011 als tbs-resultaat verantwoord. Ook in de jaren 2012 tot en met 2016 zijn de genoten huur minus kosten in de aangiften IB/PVV als tbs-resultaat verantwoord.

Met ingang van 1 juni 2014 wordt de bovenwoning verhuurd aan een derde. Als de inspecteur het verschil tussen de waarde waarvoor de bovenwoning is geactiveerd en de waarde in het economische verkeer als tbs-resultaat belast, stelt belanghebbende dat de bovenwoning nimmer tot het tbs-vermogen heeft behoord.

In geschil is de vraag of de bovenwoning vanaf 2007 deel uitmaakte van de tbs-regeling, en, zo ja, of de inspecteur de waarde van de bovenwoning in 2014 op het juiste bedrag heeft gewaardeerd.

Het hof beantwoordt beide vragen bevestigend en verklaart het door belanghebbende ingestelde hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 1-9-2021
V-N Vandaag 2021/2061
FutD 2021-2748
NLF 2021/1739
V-N 2021/46.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 20/00124

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

met gekozen domicilie in [plaats 1] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 23 januari 2020, nummer BRE 18/6136, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2014 (hierna: de aanslag) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente (hierna: de beschikking belastingrente) in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag en de beschikking belastingrente bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank, die het beroep ongegrond heeft verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2021 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.6.

Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en de andere partij.

1.7.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende was in 2014 enig aandeelhouder van [Holding] B.V. (hierna: de Holding), die op haar beurt enig aandeelhouder was van een aantal vennootschappen (hierna: de vennootschappen).

2.2.

Belanghebbende heeft thans geen vaste woon- of verblijfplaats; hij houdt een postadres aan in [plaats 1] . Voordien was belanghebbende, vanaf het jaar 2006, ingeschreven in Luxemburg.

2.3.

In 2007 heeft belanghebbende de eigendom van de onroerende zaak gelegen aan [adres 1] 161 te [plaats 2] verkregen (hierna: de onroerende zaak). De onroerende zaak bestaat uit een bedrijfsruimte op de begane grond (hierna: de begane grond) en een bovenwoning (hierna: de bovenwoning). De bovenwoning, die altijd al een eigen opgang heeft gehad, heeft in 2013 een eigen huisnummer toegekend gekregen, nummer 161A.

2.4.

Vanaf de aankoop in 2007 heeft belanghebbende de onroerende zaak tot zijn rendementsgrondslag van box III gerekend voor een waarde van € 300.000.

2.5.

Vanaf het belastingjaar 2011 geeft belanghebbende de onroerende zaak in het kader van de terbeschikkingstellingsregeling (hierna: tbs-regeling) aan in zijn aangifte IB/PVV. Per 1 januari 2011 heeft hij de onroerende zaak geactiveerd voor € 305.000, per 31 december 2011 voor € 295.850.

Vanaf het belastingjaar 2011 heeft belanghebbende de onroerende zaak niet langer, ook niet voor een gedeelte, gerekend tot de rendementsgrondslag van box III.

2.6.

In de aangifte IB/PVV 2012 heeft belanghebbende alsnog de feitelijk genoten huur en de daarop betrekking hebbende kosten voor de jaren 2007 tot en met 2011 aangegeven als resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen. In de aangifte IB/PVV 2012 zijn ter zake de volgende correcties aangebracht:

‘Toelichting resultaat uit ter beschikking gesteld vermogen € (…)

Corrrectie TBS resultaat voorgaande jaren € 204.000

(…)

Toel. kosten bij resultaat uit ter beschikking gesteld vermogen

Correctie OZB 2007 t/m 2010 € 3.000

Correctie TBS resultaat 2007 t/m 2011 afschrijvingen € 54.084

Correctie TBS resultaat 2007 t/m 2011 VVE € 7.500

Correctie TBS resultaat 2007 t/m 2011 rente Rabo [nummer 1] € 4.150

Correctie TBS resultaat 2007 t/m 2010 rente rabo [nummer 2] € 6.000

Correctie TBS resultaat 2007 t/m 2011 rente Rabo [nummer 3] /ABN [nummer 4] € 6.850’

2.7.

In de aangifte vennootschapsbelasting van de Holding voor het jaar 2012 is een bedrag van € 235.634 aan huisvestingskosten in aanmerking genomen, zijnde ongeveer de feitelijk in de jaren 2007 tot en met 2012 door belanghebbende in de aangiften IB/PVV aangegeven huurinkomsten.

2.8.

In de aangiften IB/PVV van belanghebbende zijn voor de jaren 2011 tot en met 2016 de volgende bedragen (huurinkomsten) als brutoresultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen aangegeven:

2011: € 30.000;

2012: € 14.785 + € 204.000 (correctie over de jaren 2007-2011);

2013: € 57.248

2014: € 26.698;

2015: € 24.000;

2016: € 24.000.

2.9.

Per 1 juni 2014 is de bovenwoning voor de duur van een jaar verhuurd aan een derde. Ter zake van de verhuur is een huurovereenkomst opgemaakt. Als huurder en verhuurder zijn vermeld [huurder] en belanghebbende. De huurprijs bedraagt per maand € 1.200, de vergoeding voor gas, water, licht, televisie, internet, wasmachine en droger € 300 per maand.

Ingevolge de huurovereenkomst dient de huur maandelijks op de privé-rekening van belanghebbende, [nummer 5] RABO [nummer 5] , te worden voldaan.

2.10.

In een brief van 20 februari 2017 verschaft de accountant van belanghebbende, [accountant] , Accountant-Administratieconsulent, van [A] Accountants en Adviseurs (hierna: [accountant] ) nadere informatie over de aangifte IB/PVV 2014, in het bijzonder over de terbeschikkingstelling van de onroerende zaak. Voor zover van belang is in genoemde brief het volgende vermeld:

“Omschrijving verhuur voor 2014

[adres 1] 161 (A) betreft sinds de nieuwbouw in 2006/2007 een kantoorpand met bovengelegen bedrijfswoning, onderdeel van een complex, met de bestemming Wonen/Werken. Op 11 maart 2011 is de bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. De aanleiding hiervoor was de verkoop van een vergelijkbare bedrijfswoning van het complex als een burgerwoning. Gedurende de tijd van aankoop tot 2014 is het gehele pand (zowel 161 als 161a) gebruikt als kantoor voor de BV’s van onze cliënt.

Omschrijving verhuur vanaf 2014

Begin 2014 was sprake van leegstand van de 1e etage. Gedurende het jaar werd duidelijk dat dit gedeelte niet langer gebruikt zou worden door de BV’s en in juni 2014 is de 1e etage verhuurd aan derden (als woning), het verhuurcontract is bijgevoegd. Begin 2015 is de woning weer leeg opgeleverd, momenteel is nog steeds sprake van leegstand, met zo nu en dan tijdelijke bewoning.

De Begane grond staat nog altijd als kantoor ter beschikking aan de Holding en werkmaatschappijen.”

2.11.

Tot de stukken van het geding behoort voorts een brief van [accountant] van 27 februari 2018 waarin wordt vermeld dat de verhuur van de bovenwoning in 2014 niet heeft plaatsgevonden door belanghebbende en dat de tenaamstelling van de huurovereenkomst per abuis op privé is gezet. Voor zover van belang is in genoemde brief het volgende vermeld:

“Cliënt heeft op een mens in nood te helpen tijdelijk het bovengelegen bedrijfsappartement

verhuurt aan een derde. Tenaamstelling overeenkomst per abuis op privé.

1) Huurovereenkomsten tussen hem privé en de onderneming zijn vooralsnog niet

opgesteld. Indien gewenst kunnen deze worden opgemaakt.

2) De huur uit 2014 is voor zover wij na kunnen gaan niet verwerkt in de cijfers van de

vennootschap. Wij stellen voor dit in het jaar 2017 te corrigeren.

3) De jaarrekening over 2017 is nog niet afgerond. Hierbij zullen de huuropbrengsten

ook worden verantwoord als zakelijke opbrengst.

4) In 2015 en 2016 is feitelijk sprake geweest van leegstand van betreffende verdieping.

In verband met een dispuut met de hypotheekverstrekker is een huurovereenkomst

opgesteld met de dochter van de [belanghebbende] , maar er is geen sprake geweest van

feitelijke bewoning en/of huurbetaling”

2.12.

De inspecteur heeft de bovenwoning van de onroerende zaak laten taxeren door rijkstaxateur, [taxateur 1] , RT (hierna: de taxateur). Van de taxatie is een taxatierapport opgesteld, dat dateert van 6 maart 2018 (hierna: rapport [taxateur 1] ). Het doel van de taxatie is omschreven als: ‘Voor fiscale doeleinden het vaststellen van de waarde in het economisch verkeer (WEV) in verband met: IH – Overgang Box 1 – Box 3’. De taxateur heeft de waarde van de bovenwoning bepaald op € 258.000 per de waardepeildatum 1 januari 2014. Omdat eerder door een taxateur van de Belastingdienst de waarde van de bovenwoning is vastgesteld op € 252.5001 heeft de taxateur zich geconformeerd aan de waarde van € 252.500.

2.13.

[B] BV heeft op verzoek van belanghebbende een waardeverklaring voor de bovenwoning afgegeven van € 220.000. Deze verklaring dateert van 18 juli 2017 en is opgemaakt door [taxateur 2] , taxateur bij [B] BV (hierna: waardeverklaring [taxateur 2] ). Voorts heeft belanghebbende twee bouwkundige rapporten ingebracht van [C] BV van 15 augustus 2008 (rapport [C] ) en van [D] van [E] BV van 25 januari 2010 (rapport [D] ).

2.14.

Gedagtekend 23 december 2019, kort voor de zitting van de rechtbank van 9 januari 2020, heeft belanghebbende een afschrift van een ‘Huurovereenkomst kantoorruimte’ overgelegd. Blijkens deze op 1 maart 2009 gedateerde overeenkomst verhuurt belanghebbende met ingang van 1 maart 2009 de begane grond aan de Holding.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Maakt de bovenwoning vanaf 2007 onderdeel uit van de tbs-regeling, en zo ja,

II. Heeft de inspecteur de waarde van de bovenwoning terecht bepaald op € 252.500.

Belanghebbende beantwoordt vraag I ontkennend, en als deze bevestigend zou moeten worden beantwoord, vraag II ontkennend. Alsdan verdedigt belanghebbende een waarde van € 220.000.

De inspecteur beantwoordt beide vragen bevestigend.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de uitspraak op bezwaar. Naar het hof begrijpt, neemt belanghebbende het standpunt in dat de op de begane grond gelegen bedrijfsruimte door hem in het jaar 2014 en de jaren daarvoor is verhuurd aan de Holding en moet worden beschouwd als een ter beschikking gesteld vermogensbestanddeel. Ten aanzien van de bovenwoning heeft belanghebbende wisselend verklaard. In zijn pleitnota bij het hof (‘Spreektekst’) verklaart belanghebbende dat de bovenwoning nooit bij de Holding in gebruik is geweest of de Holding ter beschikking heeft gestaan. De uit die verklaring voortvloeiende fiscale gevolgen zijn door belanghebbende niet nader aangeduid. Het hof begrijpt belanghebbende aldus dat hij primair stelt dat de ‘Correctie boekwinst ter beschikking gestelde pand € 63.800’ ten onrechte heeft plaatsgevonden en subsidiair dat bij het bepalen van de correctie niet moet worden uitgegaan van een waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak van € 252.500, maar van een waarde van € 220.000.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

In zijn hoger beroepschrift heeft belanghebbende aangekondigd meerdere getuigen mee te zullen brengen. Voorafgaande aan de zitting is geen mededeling in de zin van artikel 8:60, lid 4, Algemene wet bestuursrecht aan het hof en de andere partij gedaan.

4.2.

Ter zitting heeft belanghebbende, desgevraagd, aangegeven de getuigen alsnog te willen oproepen indien het hof daaraan waarde hecht. Voor wat betreft het hof hoeven de getuigen niet (alsnog) te worden opgeroepen; had het hof de noodzaak daartoe gezien, dan had het hof de getuigen zelf wel opgeroepen.

Belanghebbende is in de uitnodiging voor de zitting gewezen op de mogelijkheid van het meebrengen van getuigen en op de daarbij te volgen procedure. Kennelijk heeft hij de beslissing genomen om de getuigen, ondanks de eerdere aankondiging tot medebrenging, niet mee te brengen. De keuze om de aangekondigde getuigen toch niet mee te brengen is aan belanghebbende en voor rekening en risico van belanghebbende.

Ten aanzien van het geschil

Vraag I. Maakt de bovenwoning vanaf 2007 deel uit van de tbs-regeling?

4.3.

Naar het oordeel van hof is de bovenwoning vanaf 2007 ter beschikking gesteld aan Holding (en de vennootschappen) en dient vraag I bevestigend te worden beantwoord.

Het hof oordeelt daartoe als volgt.

4.4.

Belanghebbende is in zijn aangifte IB/PVV 2011 teruggekomen op de eerder, sedert 2007, ingediende aangiften. Gedurende de jaren 2007 tot en met 2010 is de onroerende zaak aangegeven als bezitting in box III; in de aangifte IB/PVV 2011 wordt de onroerende zaak geacht ter beschikking te zijn gesteld aan de ‘eigen’ B.V.. De in 2011 ingezette lijn is voortgezet in de aangiften IB/PVV voor de jaren 2012 tot en met 2014, waarbij in het jaar 2012 het tbs-resultaat van de jaren 2007 tot en met 2011 is verdisconteerd. Deze ingrijpende herziening in de aangifte IB/PVV 2011 en 2012 en de voortzetting daarvan in de jaren daarna kan, mede met inachtneming van de mogelijk verstrekkende fiscale gevolgen, niet anders dan weloverwogen en met overtuiging hebben plaatsgevonden. Het herziene fiscale aangiftegedrag is vervolgens consequent doorgevoerd in de aangifte vennootschapsbelasting 2012 van de Holding; in die aangifte zijn de huurinkomsten die in de jaren 2007 tot en met 2012 alsnog als onderdeel van het tbs-resultaat bij belanghebbende zijn verantwoord, als huurlasten bij de Holding in aanmerking genomen.

4.5.

Uit het aangiftegedrag van belanghebbende en de Holding leidt het hof af dat de onroerende zaak, zowel de begane grond als de bovenwoning, tot de verhuur van de bovenwoning per 1 juni 2014, ter beschikking zijn gesteld aan de Holding (en de vennootschappen). Zulks wordt bevestigd door de brief van [accountant] van 20 februari 2017, waarin zonder enige terughoudendheid is vermeld dat ‘Gedurende de tijd van aankoop tot 2014 (…) het gehele pand (zowel 161 als 161a) gebruikt (is) als kantoor van de BV’s van onze cliënt’.

4.6.

Ter zitting van het hof heeft belanghebbende verklaard dat hij door zijn toenmalige adviseur verkeerd is geadviseerd, dat alleen de begane grond aan de Holding was verhuurd en dat de bovenwoning nooit aan Holding is verhuurd of ter beschikking heeft gestaan. Voorts heeft hij verklaard dat hij administratief slecht is onderlegd, dat hij geen kaas heeft gegeten van het belastingrecht en dat hij, als een en ander fout is gegaan, de consequenties daarvan zal moeten aanvaarden.

4.7.

Het hof acht niet aannemelijk dat belanghebbende niet door de adviseur is geïnformeerd toen in 2011 en 2012 in sterke mate afwijkend van de jaren daarvoor aangiften IB/PVV en vennootschapsbelasting zijn gedaan ten behoeve van respectievelijk belanghebbende en de Holding. Zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat de adviseur zonder belanghebbende daarin te kennen de aangiften heeft opgesteld, moet belanghebbende het afwijkende aangiftegedrag zijn opgevallen. Het laat zich nauwelijks denken dat belanghebbende in de aangifte IB/PVV 2012 de ‘Correctie TBS-resultaat vorige jaren’ van € 204.000 en de (extra) aftrekpost in de aangifte vennootschapsbelasting 2012 van € 235.634 niet heeft opgemerkt.

Dat belanghebbende administratief slecht zou zijn onderlegd en weinig kennis heeft van het belastingrecht maakt het vorenstaande niet anders.

4.8.

Het hof hecht eraan op te merken dat het zwalkend betoog van belanghebbende gedurende de gehele procedure de geloofwaardigheid van belanghebbende geen goed doet. Zoals hiervoor vermeld, betoogt belanghebbende aanvankelijk – zie de brief van [accountant] van 20 februari 2017 – dat het gehele pand (zowel 161 als 161a) tot 2014 als kantoor door de Holding en de vennootschappen werd gebruikt; vanaf 2014 zou de bovenwoning worden verhuurd door belanghebbende aan een derde, ten bewijze waarvan het tussen belanghebbende en die derde gesloten huurcontract aan de inspecteur wordt gezonden. Ruim een jaar later op 27 februari 2018 schrijft [accountant] dat, niettegenstaande het hiervoor genoemde huurcontract, de huurovereenkomst niet gesloten is tussen belanghebbende en de derde, maar tussen de Holding en de derde. In beroep en hoger beroep stelt belanghebbende evenwel dat de bovenwoning nimmer ter beschikking heeft gestaan van de Holding (en de vennootschappen), zodat van een huurovereenkomst tussen de Holding en die derde geen sprake kan zijn.

Vraag II. Heeft de inspecteur de waarde van de bovenwoning terecht bepaald op € 252.500?

4.9.

Gegeven het oordeel dat de bovenwoning met ingang van 2007 deel uitmaakt van de tbs-regeling, dient een eindafrekening plaats te vinden op het tijdstip dat de bovenwoning niet langer ter beschikking wordt gesteld aan de Holding (en de vennootschappen). Immers op dat moment wordt niet langer voldaan aan het bepaalde in artikel 3.92, lid 1, letter a, Wet IB 2001. De bovenwoning wordt per 1 juni 2014 verhuurd aan een derde. De inspecteur is er vanuit gegaan dat de bovenwoning reeds per 1 januari 2014 niet meer aan de Holding ter beschikking is gesteld, dat de bovenwoning vanaf 1 januari 2014 leeg heeft gestaan en dat de tbs-regeling per 1 januari 2014 is geëindigd. Het hof zal hierbij aansluiten, te meer nu dit uitgangspunt, met inachtneming van de stijgende huizenprijzen, niet in het nadeel van belanghebbende zal uitpakken.

4.10.

De inspecteur heeft ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde van de bovenwoning per 1 januari 2014 van € 252.500 het rapport [taxateur 1] overgelegd. De taxateur heeft de door hem vastgestelde waarde van € 258.000 voor de bovenwoning onderbouwd aan de hand van zes referentiepanden, alle gelegen in [plaats 2] . Vier van de zes panden zijn evenwel meer dan twee jaar na de waardepeildatum verkocht en daarmee ongeschikt voor vergelijking. De twee resterende panden, [adres 1] 157 (verkocht op 19 september 2014) en [adres 2] 12 (verkocht 1 december 2015) vormen evenwel goede vergelijkingsobjecten. Dit heeft in het bijzonder te gelden voor het pand [adres 1] 157, dat in hetzelfde complex is gelegen als de bovenwoning.

4.11.

Gecorrigeerd naar de waardepeildatum bedraagt de prijs per m² voor het pand [adres 1] 157 € 2.443 en de prijs per m² voor het pand [adres 2] 12 € 2.864. Voor de bovenwoning heeft de taxateur een prijs per m² van € 2.3932 in aanmerking genomen. Deze prijs per m² ligt (ruimschoots) onder de prijs per m² van de referentiepanden, waarbij tevens rekening moet worden gehouden met het feit dat de inspecteur uiteindelijk is uitgegaan van een lagere waarde van € 252.500. Het hof is dan ook van oordeel dat de inspecteur de door hem verdedigde waarde van € 252.500 per de waardepeildatum 1 januari 2014 aannemelijk heeft gemaakt.

4.12.

Belanghebbende verdedigt een waarde van € 220.000, waarbij hij refereert aan de waardeverklaring [taxateur 2] , alsmede aan de WOZ-waarde voor de bovenwoning per waardepeildatum 1 januari 2015 van € 223.000.

Het hof is van oordeel dat de door belanghebbende verdedigde waarde van € 220.000 niet aannemelijk is gemaakt aan de hand van de (blote) waardeverklaring [taxateur 2] . In die verklaring ontbreken immers de gegevens aan de hand waarvan inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze de verklaarde waarde tot stand is gekomen. Ook de enkele verwijzing naar de WOZ-waarde per waardepeildatum 1 januari 2015 acht het hof onvoldoende om de verdedigde waarde te onderbouwen.

4.13.

Belanghebbende heeft voorts nog twee bouwkundige rapporten ingebracht. Voor zover belanghebbende met behulp van deze rapporten de door hem verdedigde waarde van de bovenwoning wenst te onderbouwen, slaagt hij daarin niet. Het rapport [C] ziet op scheurvorming in de buitenmuren van een ander pand, te weten [adres 1] 163 te [plaats 2] . Daarbij dateert het rapport van 15 augustus 2008 en is het daarmee veel te ver van de waardepeildatum gelegen om van enige betekenis te zijn. Het rapport [D] heeft deels betrekking op de bovenwoning en betreft een onderzoek naar de staat van de muren met als doel om te komen tot een schaderaming. Als zodanig kan uit het rapport geen waarde van de bovenwoning worden afgeleid. Het rapport [D] dateert van 25 januari 2010 en is eveneens te ver van de waardepeildatum gelegen.

4.14.

Uit het overwogene in 4.12 en 4.13 volgt dat belanghebbende de door hem verdedigde waarde van € 220.000 per de waardepeildatum 1 januari 2014 niet aannemelijk heeft gemaakt.

4.15.

Het hof beantwoordt vraag II bevestigend.

Tussenconclusie

4.16.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.17.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.18.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het hof

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond, en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door P.A.M. Pijnenburg, voorzitter, T.A. Gladpootjes en A.M.F. Geerling, in tegenwoordigheid van J.M.A. van Rooij-Beckers, als griffier. De uitspraak is wegens verhindering van de griffier uitsluitend door de voorzitter ondertekend.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2021 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 Controlerapport waardeonderzoek van 30 mei 2017.

2 108 m² x € 2.93 = € 258.844.