Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2550

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-08-2021
Datum publicatie
25-08-2021
Zaaknummer
200.296.917_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 288 Fw. Bekrachtiging in hoger beroep van weigering toelating schuldsanering.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 12 augustus 2021

Zaaknummer : 200.296.917/01

Zaaknummer eerste aanleg : 368943 / FT RK 21/140 (verzoek schuldsaneringsregeling)

:

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. J.M. van der Pol te Oss .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de Rechtbank Oost-Brabant van 1 juli 2021.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 juli 2021, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en op [appellant] de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [appellant] , bijgestaan door mr. Van der Pol en

  • -

    mevrouw [medewerker] van Stichting [beschermingsbewindvoerder] , hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de ter zitting door mr. Van der Pol overgelegde stukken, waaronder jaarstukken 2016 en voorlopige cijfers 2017, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 3 juni 2021 en een nota van de Ford Transit van 11 juni 2019.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 Burgerlijk Wetboek. Uit het feit dat de beschermingsbewindvoerder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aanwezig was, blijkt dat de beschermingsbewindvoerder bekend is met het hoger beroep dat [appellant] heeft ingesteld en in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld, van welke gelegenheid zij in appel ook gebruik heeft gemaakt, om haar visie over dit hoger beroep te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010).

3.2.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 71.812,26. Daaronder bevinden zich een schuld aan de Belastingdienst van € 11.075,00 en een schuld aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) van € 978,00. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd. Eén schuldeiser was niet akkoord. Bij de rechtbank is primair een verzoek dwangakkoord ingediend, maar afgewezen. Vervolgens is bij de rechtbank het subsidiaire verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling aan de orde geweest.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd:

“3.4. (…) Uit het overgelegde vrijwaringsbewijs blijkt dat [appellant] de bedrijfswagen [zijnde een Ford Transit – toevoeging door het hof] op 1 juli 2019 (…) heeft verkocht en geleverd aan een derde. [appellant] heeft gesteld dat hij de bedrijfswagen heeft verkocht aan een particulier voor een bedrag van € 750,00. [appellant] heeft deze stelling niet, althans onvoldoende, onderbouwd. Zo is er geen verkoopbewijs van de verkoop van de bedrijfswagen aan de derde overgelegd, ondanks het feit dat ook de schuldhulpverlening [appellant] daar meerdere malen om heeft verzocht. Ook zijn er geen stukken aanwezig waaruit blijkt dat [appellant] een bedrag van € 750,00 heeft ontvangen door verkoop van de bedrijfswagen. De rechtbank overweegt dat een verkoopprijs van € 750,00 aan de lage kant lijkt, gelet op de hoogte van de aankoopprijs [die begin 2017 € 10.285,00 bedroeg – toevoeging door het hof] van de bedrijfswagen nog geen tweeënhalfjaar eerder. [appellant] heeft in dat kader gesteld dat de bedrijfswagen lastig verkoopbaar was in verband met technische gebreken. [appellant] heeft echter ook deze stelling niet, althans onvoldoende, onderbouwd. De rechtbank merkt hierbij op dat het op de weg van [appellant] had gelegen om voornoemde twee stellingen (…) nader te onderbouwen, zeker nu de rechtbank hem daartoe ná de zitting alsnog een termijn van 14 dagen voor heeft gegeven. (…)

(…)

3.11.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in punt 3.4. van dit vonnis, is onvoldoende

aannemelijk geworden dat in het minnelijke traject door [appellant] het maximaal haalbare is

aangeboden aan zijn schuldeisers. Nu niet kan worden vastgesteld of verkoop van de

bedrijfswagen inderdaad slechts een bedrag van € 750,00 heeft opgeleverd en de

bedrijfswagen ten tijde van de verkoop geen grotere waarde vertegenwoordigde dan

€ 750,00, concludeert de rechtbank dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat

hij ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is geweest. Immers

in het gevál [appellant] een groter bedrag dan € 750,00 heeft ontvangen voor de verkoop van de

bedrijfswagen en dit bedrag niet heeft aangewend ter aflossing van zijn schuldeisers, zijn de

schuldeisers van [appellant] benadeeld en kan worden geconcludeerd dat [appellant] onvoldoende

de belangen van zijn schuldeisers heeft aangetrokken. Dit is ook het geval wanneer de

bedrijfswagen ten tijde van de verkoop een grotere waarde vertegenwoordigde dan een

bedrag van € 750,00 en [appellant] de bedrijfswagen dus voor een te laag bedrag heeft verkocht.

3.12.

De rechtbank komt tot de slotsom dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft

gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar

voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend te goeder trouw

is geweest. De rechtbank zal om voornoemde redenen het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afwijzen.”

3.4.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Ten onrechte is volgens [appellant] door de rechtbank overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat de verkoop van de bedrijfswagen inderdaad een bedrag van € 750,00 heeft opgeleverd. De opbrengst van de bedrijfswagen was € 1.500,00. [appellant] wenste mobiel te blijven. Om die reden heeft hij overleg gevoerd met de Gemeente [gemeente] over de aanschaf van een andere auto. Door de Gemeente [gemeente] is aangegeven dat [appellant] van de opbrengst van de verkoop van de bedrijfswagen een bedrag van € 750,00 niet hoefde af te dragen. Dit bedrag van € 750,00 zou [appellant] vervolgens kunnen gebruiken om een ander voertuig aan te schaffen dat voordeliger zou zijn in gebruik en onderhoud. De betaling van € 1.500,00 heeft [appellant] contant van de koper in ontvangst genomen. Het contante geld is door [appellant] gestort op zijn bankrekening, waarna hij het bedrag dat de met de Gemeente [gemeente] afgesproken som te boven is gegaan heeft doorgestort aan de Gemeente [gemeente] . Door de rechtbank is vastgesteld dat de Gemeente [gemeente] de betaling van hetgeen de afgesproken som te boven is gegaan, heeft ontvangen. De verkoopopbrengst van de bedrijfswagen bedroeg echter

€ 1.500,00.

Ten onrechte is volgens [appellant] door de rechtbank overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat de bedrijfswagen ten tijde van de verkoop geen grotere waarde vertegenwoordigde dan € 750,00. De bedrijfswagen betrof ten tijde van de verkoop in juli 2019 een 10 jaar oude Ford Transit 300s. De auto had 260.000 kilometer gereden, was aan de buitenzijde beschadigd, had geen geldige APK en was niet verzekerd. [appellant] had vanwege het gestarte schuldsaneringstraject bij de Gemeente [gemeente] haast bij de verkoop. Door een doorlopend bezit van het voertuig zouden de kosten alleen maar verder oplopen, wat de schuldenpositie van [appellant] zou verslechteren. Onder deze omstandigheden is de verkoopopbrengst van € 1.500,00 alleszins redelijk te noemen.

Ten onrechte is volgens [appellant] door de rechtbank overwogen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat in het minnelijke traject door [appellant] het maximaal haalbare is aangeboden aan zijn schuldeisers.

Ten onrechte is volgens [appellant] door de rechtbank overwogen dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is geweest. [appellant] heeft onder de gegeven omstandigheden (de verder oplopende kosten die horen bij het in eigendom hebben van de bedrijfswagen) de juiste keuze gemaakt. Dat [appellant] niet te goeder trouw is geweest, is volgens hem daarom niet correct. [appellant] stelt dat hij met betrekking tot de verkoop van de bedrijfswagen de instructies heeft opgevolgd van de Gemeente [gemeente] . [appellant] heeft voor wat betreft de minnelijke schuldregeling vanaf mei 2019 uitvoerig contact met de afdeling Schuldhulpverlening van de Gemeente [gemeente] . Door [appellant] is uitvoering gegeven aan alles wat door de Gemeente [gemeente] is gevraagd. De rechtbank richt zich echter met betrekking tot het vaststellen van de goede trouw volledig op de onduidelijkheid omtrent de opbrengst bij de verkoop van de bedrijfswagen. [appellant] erkent dat hij voor wat betreft deze verkoop de gemaakte afspraken niet grondig heeft gedocumenteerd. Zoals hiervoor omschreven, is [appellant] echter wel degelijk te goeder trouw geweest.

Ten onrechte heeft de rechtbank volgens [appellant] overwogen dat in het geval [appellant] een groter bedrag dan € 750,00 heeft ontvangen voor de verkoop van de bedrijfswagen en dit bedrag niet heeft aangewend ter aflossing van de schuldeisers, de schuldeisers van [appellant] zijn benadeeld en kan worden geconcludeerd dat [appellant] onvoldoende de belangen van zijn schuldeisers heeft aangetrokken.

Ten onrechte heeft de rechtbank volgens [appellant] overwogen dat [appellant] zich onvoldoende de belangen van zijn schuldeisers heeft aangetrokken in het geval de bedrijfswagen ten tijde van de verkoop een grotere waarde vertegenwoordigde dan een bedrag van € 750,00 en [appellant] de bedrijfswagen dus voor een te laag bedrag heeft verkocht.

Ten onrechte heeft de rechtbank volgens [appellant] de slotsom opgemaakt dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Ten onrechte heeft de rechtbank volgens [appellant] het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsanering afgewezen. [appellant] is van mening dat de belangenafweging, bij de beoordeling van de gedragsmaatstaf, ertoe zou moeten leiden dat de wettelijke schuldsanering moet worden toegewezen. Hiervoor is met name van belang dat aan alle voorwaarden voor de toepassing van de wettelijke schuldsanering is voldaan. [appellant] heeft (in overleg met de Gemeente [gemeente] ) zijn onderneming beëindigd en de boekhouding overgelegd. Er is een minnelijke saneringspoging uitgevoerd, die niet tot volledige instemming van alle schuldeisers heeft geleid. Er zijn geen grote schulden aangegaan kort voorafgaand aan de aanvraag van de minnelijke saneringspoging. Sinds 2019 is de inkomstensituatie en het uitgavenpatroon van [appellant] stabiel. [appellant] staat sinds 2020 onder bewind. Zelfs al zou sprake zijn van kwade trouw bij onbetaald laten (wat niet het geval is), dan staat dat vanwege geringe omvang niet in verhouding tot weigering toepassing WSNP. Indien de bedrijfswagen meer waard zou zijn (wat onder de gegeven omstandigheden niet het geval is) dan wel voor een hogere waarde zou zijn verkocht (wat niet het geval is), dan zou de schade voor de gezamenlijke schuldeisers beperkt zijn ten opzichte van de totale schuldenlast. [appellant] probeert zijn leven opnieuw in te richten nadat hij niet meer in staat is om zijn werk uit te voeren. Door zijn fysieke beperkingen ontstaan ook psychische problemen, welke worden verergerd door de schuldensituatie, aldus [appellant] .

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. Namens [appellant] is nader verklaard dat de auto niet voor

€ 1.500,00 maar voor € 2.000,00 is verkocht en dat dit bedrag door de koper op de bankrekening van [appellant] is gestort die bij de Rabobank liep. Omdat deze rekening door de toenmalige bewindvoerder is beëindigd, kan [appellant] geen stukken meer overleggen van deze Rabobank-rekening. Het enige dat [appellant] wel kan overleggen is de nota van de Ford Transit, die [appellant] onlangs van de koper terug heeft ontvangen. Overigens heeft [appellant] aangegeven dat hij geen andere auto heeft gekocht. Desgevraagd heeft [appellant] ten aanzien van het verschil in de verkoopprijs verklaard dat er nog btw betaald moest worden over de auto.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is door de beschermingsbewindvoerder bevestigd dat de CJIB-boetes nog openstaan, evenals de belastingschulden. Verder heeft [appellant] naar aanleiding van vragen van het hof over zijn persoonlijke omstandigheden verklaard iedere week een gesprek te hebben met een psychiater.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling voorts slechts toegewezen indien ook voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.6.2.

Er is sprake van een schuld aan het CJIB van in totaal € 978,00 – naar aanleiding van twee boetes – die conform de op de schuldenlijst vermelde ontstaansdata bovendien geheel ontstaan is binnen de periode van vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend. (Substantiële) geldboetes die zijn opgelegd ter zake van verkeersovertredingen dienen ingevolge punt 5.3.4 van de “Bijlage III: landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken (januari 2021), naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als schulden welke niet te goeder trouw zijn ontstaan.

3.6.3.

Voorts is sprake van een openstaande schuld aan de Belastingdienst van in totaal

€ 11.075,00. Daaronder bevinden zich onbetaald gebleven heffingen inkomstenbelasting 2016 tot en met 2018 met dagtekening 31 januari 2017 tot en met 26 maart 2020 en dus is deze belastingschuld eveneens grotendeels ontstaan binnen de periode van vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens, een opgelegde boete, het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van (omzet)belasting dient ingevolge voormelde bijlage, naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan. Niet is gesteld of anderszins gebleken dan wel aannemelijk geworden dat daar in dit geval van afgeweken zou moeten worden.

3.6.4.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [appellant] eveneens onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is geweest. Ook het hof heeft niet kunnen vaststellen wat de verkoopprijs van de auto is geweest en of dit bedrag marktconform was. De door [appellant] overgelegde nota met een bankafschrijving van de koper is daarvoor onvoldoende. Uit de bankafschrijving, althans uit het als zodanig benoemde overgelegde stuk, blijkt hooguit dat op 4 augustus 2019 een bedrag van € 2.000,00 naar [appellant] is overgemaakt. Maar hieruit valt niet op te maken dat het bedrag van € 2.000,00 is overgemaakt naar de bankrekening van [appellant] in het kader van de verkoop van de bedrijfsauto en vanaf wiens bankrekening. Bovendien is het verhaal van [appellant] ten aanzien van het verschil van € 500,00 (ten opzichte van het bij beroepschrift nog vermelde verkoopbedrag van € 1.500,00), hetgeen hij bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard, naar het oordeel van het hof niet sluitend. Het bedrag van € 500,00 extra laat zich, op een som van € 2.000,00, niet verklaren door een btw-afdracht.

Overigens deelt het hof de stelling in het beroepschrift niet, inhoudende dat de kwade trouw – als daar al sprake van is wat door [appellant] wordt betwist – vanwege de geringe omvang niet in verhouding staat tot weigering van de toepassing tot de schuldsaneringsregeling. Het gaat bij toelating tot de schuldsaneringsregeling om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan. In zoverre is de ‘omvang’, uitgedrukt in geld minder relevant. Los daarvan, zijn er naar het oordeel van het hof te veel onduidelijkheden blijven bestaan omtrent de verkoop van de bedrijfsauto en het daadwerkelijk door [appellant] ontvangen bedrag. Bovendien kan in hoger beroep in elk geval, uitgaande van de thans gestelde verkoopprijs van € 2.000,00 en het oordeel van het hof dat onvoldoende verklaring is gegeven voor het verschil met het eerder genoemde verkoopbedrag, worden vastgesteld dat [appellant] – anders dan bij beroepschrift gesteld – niet de instructies van de gemeente heeft opgevolgd. Hij heeft immers door slechts € 750,00 van de gestelde opbrengst van de auto aan de gemeente af te dragen meer dan de toegestane te behouden € 750,00 behouden. Waarbij nog komt dat hij het behouden bedrag niet heeft gebruikt om middels aanschaf van een andere, goedkopere auto mobiel te blijven, maar – naar zijn verklaring ter zitting – heeft uitgegeven voor zijn levensonderhoud.

Bovendien zijn hiervoor ook reeds de kwesties van de CJIB-boetes en de belastingschuld aan de orde geweest.

3.6.5.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] naar aanleiding van vragen van het hof verklaard dat het met zijn psychische gesteldheid niet goed gaat en dat hij daarom iedere week een gesprek heeft met een psychiater.

Ingevolge punt 5.3.3. van de “Bijlage III: landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken en welke bepaling uiting geeft aan de jurisprudentie op dit punt, wordt een verzoeker met psychosociale problemen in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie. Een dergelijke verklaring is door [appellant] niet overgelegd.

Het hof hecht er, ook in meer algemene zin, overigens aan te benadrukken dat het hebben van psychosociale problemen als zodanig niet aan toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in de weg behoeft te staan. Het gaat er echter wel om dat deze psychosociale problematiek (in voldoende mate en duurzaam) beheersbaar is blijkens een (relevante) verklaring van een ter zake deskundige hulpverlener zoals de behandelend psychiater of psycholoog. Daarbij merkt het hof op dat een te premature toelating van [appellant] tot de wettelijke schuldsanering het voor hem ingrijpende gevolg kan hebben dat, indien hij niet aan alle in dat kader geldende verplichtingen kan voldoen, de schuldsaneringsregeling voortijdig wordt beëindigd met het voor hem nog ingrijpender gevolg dat hij in beginsel de komende tien jaar geen nieuw verzoek tot toelating kan doen. Ook dit is een aspect dat aandacht verdient en meeweegt bij het oordeel of en wanneer een schuldenaar geschikt is om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten.

3.7.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen.

3.8.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, S.M.A.M. Venhuizen en

Z.D. van Heesen - Laclé en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2021.