Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2547

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-08-2021
Datum publicatie
27-08-2021
Zaaknummer
200.296.295_01 en 200.296.295_02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 3 augustus 2021

Zaaknummers : 200.296.295/01 en 200.296.295/02

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/292378 / JE RK 21-1053

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

en

[de vader] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

verzoekers in hoger beroep,

hierna te noemen: de ouders,

advocaat: mr. S.L.B. Koelman-Duijf,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de GI.

Deze beschikking gaat over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 22 juni 2021.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 juni 2021, hebben de ouders verzocht:

  • -

    te bepalen dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van voormelde beschikking wordt geschorst tot dat het hof in de bodemprocedure heeft beslist;

  • -

    de GI te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder het salaris van de advocaat zijnde de kosten van de toevoeging;

  • -

    voormelde beschikking te vernietigen.

2.1.2.

Het schorsingsverzoek is administratief geboekt onder nummer 200.296.295/02.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 juli 2021, heeft de GI verzocht het verzoek van de ouders in hoger beroep af te wijzen als ongegrond en/of onbewezen, en de bestreden beschikking te bekrachtigen, eventueel onder aanvulling en/of verbetering van de gronden.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door mr. Koelman-Duijf;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .

2.3.1.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de ouders d.d. 2 augustus 2021.

3 De beoordeling

3.1.

De moeder en de vader zijn de ouders van [minderjarige] . Zij zijn met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 18 april 2017 onder toezicht van de stichting.

De ondertoezichtstelling is laatstelijk, bij beschikking van 22 februari 2021, verlengd tot 18 april 2022.

Bij die beschikking is eveneens een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs (gezinshuis) of pleeggezin, met ingang van 22 februari 2021 voor de duur van een jaar, aldus tot 22 februari 2022.

Deze machtiging uithuisplaatsing is niet binnen een termijn van drie maanden na afgifte geeffectueerd.

3.3.

Op maandag 22 februari 2021 heeft de kinderrechter tevens een mondeling vonnis gewezen inzake de leerplichtwet. Hierin is [minderjarige] een taakstraf in de vorm van een werkstraf opgelegd, voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie (voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren), wegens het niet nakomen van de verplichting tot geregeld volgen van onderwijs als leerplichtige jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt, gepleegd in de periode van 28 augustus 2020 tot en met 26 oktober 2020. Daarbij is, voor zover thans van belang, als bijzondere voorwaarde gesteld dat [minderjarige] zich dient te houden “aan de richtlijnen en aanwijzingen van de gezinsvoogd in het kader van het voorgestelde hulpverleningstraject”.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank machtiging verleend aan de stichting om [minderjarige] met ingang van 22 juni 2021, voor de duur van de ondertoezichtstelling, derhalve tot uiterlijk 18 april 2022 uit huis te plaatsen in een accommodatie van een zorgaanbieder.

3.5.

De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De ouders voeren – kort samengevat – het volgende aan.

De ouders werken nu samen met de GI en zij werken mee aan het coaching- en onderzoekstraject bij het MUMC+ en het traject bij [organisatie] om [minderjarige] terug te begeleiden naar school. De ouders zijn ook bereid mee te werken aan een multisysteemtherapie. De uithuisplaatsing ontwricht het leven van [minderjarige] . Het middel is daarmee erger dan de kwaal. Van de maatregel is geen nuttig of opbouwend gevolg te verwachten. Een kind is thuis het beste af, mits voldoende ondersteund. [verblijf] is geen geschikte plek voor [minderjarige] , aangezien dit een verblijf is voor oudere kinderen c.q. jongvolwassenen.

De afgelopen drie maanden heeft de GI weinig concrete stappen ondernomen in het kader van de schoolgang van [minderjarige] . Al vóór het zwangerschapsverlof van de gezinsvoogd per 17 mei 2021 hadden daarin stappen kunnen worden gezet, vooral omdat op 5 maart 2021 al bekend was dat de plaatsing bij [verblijf] pas op 28 juni gerealiseerd kon worden. [organisatie] had op dat moment al ingezet kunnen worden. De ouders hebben contact opgenomen met Stichting Limburg Voortgezet Onderwijs (LVO), maar zij gaven aan geen vervolgstappen te kunnen en willen zetten aangezien volgens hen eerst de onderwijsbehoefte van [minderjarige] in kaart gebracht diende te worden. De GI stelt zich op hetzelfde standpunt. De onderwijsbehoefte van [minderjarige] is volgens de ouders echter duidelijk: praktijkgericht onderwijs.

De rechtbank stelt ten onrechte dat de ouders geen stappen zetten om [minderjarige] te stimuleren weer naar school te gaan. De ouders zouden dan tegen het beleid van de GI ingaan. Volgens de rechtbank hadden de ouders via een traject bij de leerplichtambtenaar kunnen bereiken dat [minderjarige] weer onderwijs zou gaan volgen, maar dat zou strijdig zijn met de bijzondere voorwaarde in het leerplichtvonnis van 22 februari 2021. De leerplichtambtenaar heeft derhalve hierin in het geheel geen taak gekregen.

Op vragen van het hof over de afmelding van [minderjarige] op 28 juli 2021 bij [organisatie] wegens ziekte heeft de moeder verklaard dat zij niet wilde dat [minderjarige] op die dag zou gaan wandelen, omdat [minderjarige] een wandeling eerder die week erg zwaar vond en de leiding op dat moment tegen de afspraken in geen contact met de moeder heeft opgenomen.

Ter mondelinge behandeling van het hof is de ouders ook gevraagd waarom zij nu wel de afspraken willen nakomen en [minderjarige] willen laten deelnemen aan trajecten die al langer voor haar noodzakelijk worden geacht. De ouders hebben daarop aangegeven dat zij hiermee de uithuisplaatsing van [minderjarige] willen voorkomen.

3.7.

De GI voert – kort samengevat – het volgende aan.

De actuele stand van zaken is als volgt. [minderjarige] komt de afspraken bij de fysiotherapie (MUMC) na. Zowel de ouders als [minderjarige] hebben aangegeven aan alle hulpverlening te willen meewerken om een uithuisplaatsing te voorkomen. Sinds 15 juli neemt [minderjarige] twee keer per week deel aan de activiteiten van Summerschool van [organisatie] . Dit programma loopt tot 6 augustus en start weer bij aanvang van het nieuwe schooljaar. Dan zal ook worden gekeken welk type onderwijs het beste bij [minderjarige] past. [minderjarige] had al eerder bij [organisatie] kunnen starten als de ouders afspraken waren nagekomen en eerder een meeloopdag hadden ingepland. De moeder heeft de gezinsvoogd gevraagd van de afmelding van [minderjarige] op 28 juli 2021 bij [organisatie] wegens ziekte, geen melding de maken. Het was volgens de moeder niet belangrijk, omdat het traject bij [organisatie] niet verplicht zou zijn. De moeder lijkt zich volgens de GI niet te realiseren dat het in het belang van de ontwikkeling van [minderjarige] is een dagprogramma te volgen. Het blijft een zorg of de ouders [minderjarige] genoeg kunnen stimuleren. Tot slot waren de ouders tijdens de vakantie van de gezinsvoogd niet bereikbaar voor de waarnemend gezinsvoogd: een wekelijks contact was de afspraak.

[verblijf] was het enige passende gezinshuis waar op redelijk korte termijn plaats was. Het bed voor [minderjarige] bij [verblijf] wordt tot en met 3 augustus 2021 vrijgehouden. Daarna zal er in januari 2022 pas weer plek zijn. Het is niet in het belang van [minderjarige] de plaatsing nog langer uit te stellen. De begeleiding van [organisatie] en het traject in het MUMC zal na de plaatsing gewoon door kunnen gaan. [verblijf] is een geschikte plek voor [minderjarige] en bedoeld voor minderjarigen in de leeftijd van [minderjarige] .

In de samenloop van ondertoezichtstelling en jeugdreclassering is de ondertoezichtstelling leidend gemaakt en in dat kader is actie ondernomen om de terugkeer naar school mogelijk te maken. De gesprekjes met jeugdreclassering zijn bedoeld om meer zicht te krijgen op [minderjarige] en wat zij wil. Er is sprake van een zeer hechte band tussen vooral de moeder en [minderjarige] en de vraag is in hoeverre de band zo hecht is dat er voor [minderjarige] weinig of geen ruimte is om zich te ontwikkelen en te komen tot zelfautonomie. De zorg is derhalve niet alleen het schoolverzuim, maar het feit dat [minderjarige] aan haar sociale en emotionele ontwikkeling niet of onvoldoende toekomt en geen ruimte heeft om zich, zoals iedere puber, af te zetten van haar ouders en eigen keuzes te maken. Bij [organisatie] wordt gezien dat [minderjarige] zich wel een eigen mening kan vormen en kan aangeven wat zij wel en niet prettig vindt. De moeder moet gaan inzien dat zij niet alles hoeft op te lossen voor [minderjarige] .

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

In de zaak met nummer 200.296.295/01

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na een eigen weging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b lid 1 BW.

3.8.3.

Uit de stukken maakt het hof op dat de GI na de bestreden beschikking met de ouders een aantal afspraken heeft gemaakt. Deze afspraken zijn op schrift gezet en daarbij is medegedeeld dat, als de ouders zich daaraan zouden houden, de GI de noodzaak van de uithuisplaatsing van [minderjarige] intern opnieuw zal beoordelen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting maakt het hof op dat de ouders deze afspraken niet geheel zijn nagekomen.

Het hof ziet ook dat de ouders proberen [minderjarige] te stimuleren om aan de ingezette onderzoeks- en hulpverleningstrajecten deel te laten nemen, zelfstandig te worden en haar eigen keuzes te maken, maar dat zij daar nog altijd onvoldoende in slagen.

3.8.4.

Uit de ter mondelinge behandeling uitgesproken beweegredenen om nu wel (te proberen) de samenwerking met de GI aan te gaan, maakt het hof op dat de ouders daartoe niet intrinsiek gemotiveerd zijn. Tevens lijken zij onvoldoende gemotiveerd om een verandering teweeg te brengen in de reeds jarenlang bestaande patronen die schadelijk zijn voor de ontwikkeling van [minderjarige] . In ieder geval is de gestelde bereidheid om afspraken na te komen en aanwijzingen van de gezinsvoogd op te volgen niet bestendig.

3.8.5.

Al jaren werken de ouders niet of onvoldoende mee aan de ingezette hulp en begeleiding door en van de GI, zelfs niet nu de uithuisplaatsing van [minderjarige] dreigt. Reeds om die reden acht het hof (ook nu) de kans van slagen van een ambulant hulpverleningstraject, zoals multisysteemtherapie, nihil. Het hof is van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding en tot onderzoek van haar geestelijke en lichamelijke gesteldheid.

3.8.6.

Het is aan de ouders om tijdens de uithuisplaatsing van [minderjarige] te laten zien dat zij bereid en in staat zijn afspraken na te komen en [minderjarige] te ondersteunen en stimuleren in haar ontwikkeling tot een zelfstandig en autonoom individu. Het hof gaat ervanuit dat, wanneer de ontwikkeling en schoolgang van [minderjarige] en ambulante hulpverlening in de thuissituatie gewaarborgd zijn, weer naar thuisplaatsing van [minderjarige] gewerkt kan worden.

Gezien de ernst van de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] is het hof van oordeel dat van de GI verwacht kan worden dat zij op korte termijn grote stappen zetten om de onderwijsbehoefte van [minderjarige] in kaart te brengen en het nodige in gang zetten om [minderjarige] zo snel als mogelijk onderwijs te laten volgen. In dat kader beveelt het hof aan daarmee niet te wachten tot de aanvang van het nieuwe schooljaar, maar ook de periode tijdens zomerstop van [organisatie] te benutten. Alles overziend en met name gelet op de omstandigheid dat deze eerste uithuisplaatsing een zwaar middel is, is het hof van oordeel dat een termijn van een half jaar, gerekend vanaf de datum van de mondelinge behandeling passend is.

In de zaak met nummer 200.296.295/02

3.9.

Ter mondelinge behandeling van het hof hebben de ouders het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking ingetrokken.

Het hof zal de ouders in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

3.10.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing van het hof.

4 De beslissing

Het hof:

in de zaak met nummer 200.296.295/02:

verklaart de ouders niet-ontvankelijk in het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring in de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 22 juni 2021;

in de zaak met nummer 200.296.295/01:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 22 juni 2021, doch uitsluitend voor zover het betreft de periode tot 3 februari 2022;

vernietigt de genoemde beschikking met ingang van 3 februari 2022;

en, in zoverre, opnieuw recht doende:

wijst met ingang van 3 februari 2021 alsnog af het inleidend verzoek van de GI;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, E.P. de Beij en J.B. van den Beld en is op 3 augustus 2021 ter mondelinge behandeling uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier, en is op schrift gesteld op 12 augustus 2021.