Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2545

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-08-2021
Datum publicatie
27-08-2021
Zaaknummer
200.293.867_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 12 augustus 2021

Zaaknummer : 200.293.867/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/380454 / JE RK 20-2590

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.A. Middelkoop,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de GI.

Deze zaak gaat over de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

  • -

    [de vader] (hierna te noemen: de vader), advocaat: mr. A. Koop-van Vliet;

  • -

    [de stiefvader] , wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de stiefvader).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 februari 2021.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 mei 2021, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen, alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 juni 2021, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder toe te kennen en de bestreden beschikking te vernietigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 juli 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Middelkoop;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] , jeugdzorgwerker);

- de vader, bijgestaan door mr. Koop-van Vliet;

- de stiefvader.

2.3.1.

De raad heeft bij brief van 2 juni 2021 het hof bericht niet tijdens de mondelinge behandeling te zullen verschijnen.

2.3.2.

Het hof heeft de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 11 maart 2021.

3 De beoordeling

3.1.

De moeder en de vader hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] ,

hierna tezamen ook: de kinderen.

3.2.

De moeder en de stiefvader hebben voorts twee kinderen, een tweeling geboren in 2019 ( [minderjarige 5] en [minderjarige 6] ). De stiefvader heeft een zoon uit een eerdere relatie.

3.2.

De kinderen stonden van augustus 2012 tot februari 2015 onder toezicht van Stichting Bureau Jeugdzorg. De kinderen staan thans sinds 13 februari 2017 onder toezicht van de GI.

[minderjarige 1] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

[minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] waren tot 13 februari 2021 op grond van een machtiging uithuisplaatsing bij de moeder geplaatst.

Ingevolge het door de ouders in oktober 2020 overeengekomen en door hen ondertekende ouderschapsplan geldt ten aanzien van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] thans een co-ouderschapsregeling, waarbij de kinderen steeds een week bij de ene ouder verblijven, gevolg door een week bij de andere ouder. [minderjarige 2] en [minderjarige 4] staan op het adres van de moeder ingeschreven en [minderjarige 3] bij de vader.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 12 februari 2021 heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 13 februari 2022.

3.3.1.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking verder de beoordeling van het verzoek van de GI tot uithuisplaatsing van de vier kinderen aangehouden en verwezen naar de meervoudige kamer. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft bij beschikking van 13 april 2021 het verzoek tot uithuisplaatsing van de kinderen afgewezen.

3.4.

De moeder kan zich met de beslissing van 13 februari 2022 wat betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert – kort samengevat – het volgende aan.

Er is bij de kinderen geen sprake van een bedreigde ontwikkeling; dit wordt op de mondelinge behandeling van het hof ook erkend door de GI. Die vaststelling zou al moeten leiden tot een vernietiging van de bestreden beschikking.

De in het verleden aangenomen bedreigde ontwikkeling van de kinderen vloeide voort uit de conflictueuze wijze van het verbreken van de relatie tussen de vader en de moeder en het gebrek aan samenwerking tussen hen in de verzorging en opvoeding van de kinderen. De ouders hebben inmiddels de strijdbijl begraven, hun handen ineengeslagen en hun krachten gebundeld. In oktober 2020 hebben zij een ouderschapsplan opgesteld. Zij werken nu al een jaar op constructieve wijze samen. Op eigen kracht hebben de ouders de problemen van de kinderen aangepakt en hun situatie verbeterd. De ondertoezichtstelling vormt daarin volgens de moeder alleen maar een belemmering.

De GI heeft geen plan opgesteld en geen concrete maatregelen genomen ter ondersteuning van de kinderen. Na de beschikking van 12 november 2020 (laatste verlenging uithuisplaatsing) is er lange tijd geen contact meer geweest met de GI, omdat de GI naliet contact te zoeken met het gezin. De GI had om die reden geen zicht op de verbeterde thuissituatie bij de moeder. Er is nog nauwelijks uitvoering gegeven aan de ondertoezichtstelling. De GI heeft de samenwerking niet opgezocht. In plaats daarvan is continu gedreigd met een uithuisplaatsing. Dit heeft veel kapot gemaakt in de beleving van de moeder. De moeder heeft geen vertrouwen meer in de GI.

De ondertoezichtstelling brengt voor het gehele gezinssysteem enorme stress met zich en werkt mede daardoor contraproductief.

3.6.

De GI voert – kort samengevat – het volgende aan.

De GI is van mening dat de bestreden beschikking op de juiste gronden is gegeven. Er hebben zich nadien echter ontwikkelingen voorgedaan, die maken dat de GI het thans zou kunnen begrijpen als het hof het verzoek van de moeder toewijst.

De GI heeft geïnvesteerd in het contact met de ouders. In april 2021 is een nieuwe jeugdzorgwerker aangesteld. Het is hem (uiteindelijk) gelukt om in contact te komen met de moeder. Er is nog steeds geen volledig zicht op de thuissituatie bij de moeder, maar gezien wordt wel dat er een goede samenwerking is tussen de ouders en dat zij de weg naar de hulpverlening op eigen kracht weten te vinden. Ook hebben zij een goed contact met de scholen van de kinderen. Er zijn wel zorgen over de kinderen, maar de ouders hebben inzicht in wat de kinderen nodig hebben en zij hebben de GI niet nodig om dat te regelen. In het bijzonder over [minderjarige 2] zijn er nog zorgen, maar die problemen hoeven niet in het kader van een ondertoezichtstelling te worden opgelost. Van een (ernstige) ontwikkelingsbedreiging is bij de kinderen geen sprake meer. De ondertoezichtstelling werkt bovendien contraproductief, omdat (met name) de moeder daar geen vertrouwen in heeft, hetgeen de gezinsvoogd, gezien de uitleg die de moeder daarover heeft gegeven, ook wel kan begrijpen.

De GI ziet dat de vader stappen heeft gezet. Hij werkt erg goed mee en erkent de zorgen rondom met name het schoolverzuim van [minderjarige 2] .

De GI zou de ouders graag in hun kracht willen zetten: de gezinsvoogd heeft het vertrouwen dat zij ook zonder ondertoezichtstelling de juiste keuzes voor de kinderen zullen maken.

3.7.

De vader voert – kort samengevat – het volgende aan.

Er is nu een co-ouderschap – dat is het uitgangspunt – maar de ouders springen bij en ontlasten elkaar waar en wanneer dat nodig is. De ouders hebben het verblijf van de kinderen goed geregeld. Al vanaf 2014 vragen de ouders hulp bij het omgaan met de problematiek van de kinderen. De GI heeft alleen De Gezinsmanager ingezet, die thans in de thuissituatie van de vader hulp verleent. Voor de kinderen is niets geregeld.

Sinds medio 2020 hebben de ouders alles zelf in gezamenlijk overleg geregeld voor de kinderen. De ouders kennen de kinderen beter dan wie ook. De ouders luisteren naar de kinderen en handelen naar wat zij nodig hebben. Er is nooit serieus rekening gehouden met het feit dat de ouders de handen ineen hebben geslagen.

Als er al een ontwikkelingsbedreiging zou zijn, is deze zeker niet ernstig te noemen. Alleen ten aanzien van [minderjarige 2] worden nog zorgen benoemd. De ondertoezichtstelling kan voor hem niet als vangnet worden ingezet.

De vader heeft ervaren dat als de ouders specifieke hulpverlening wilden inzetten, de GI haar veto daarover uitsprak. De ouders kregen de dingen op de manier niet geregeld.

Het is prettig dat de huidige gezinsvoogd op een andere manier naar de situatie heeft gekeken.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.8.2.

Op grond van artikel 1:260 (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.8.3.

Het hof is van oordeel dat ten tijde van de bestreden beschikking aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 werd voldaan en overweegt daartoe het volgende.

Er was geen zicht op de thuissituatie bij de moeder omdat zij het gesprek met de GI niet (langer) aanging en alle hulpverlening afhield. Er waren op basis van de lange hulpverleningsgeschiedenis wel ernstige zorgen over de kinderen en het pedagogische klimaat waarin zij opgroeiden. Ook waren er zorgen over de ex-partnerstrijd tussen de ouders en het gebrek aan samenwerking op ouderniveau, terwijl voor de inzet van de juiste hulpverlening en begeleiding voor de kinderen die samenwerking hard nodig was. Ten tijde van het indienen van het verweerschrift van de GI in hoger beroep waren die zorgen nog actueel: ook de nieuwe gezinsvoogd – die was aangesteld om met een andere blik naar de situatie te kijken – kwam bij de moeder niet binnen.
Op grond van al het voorgaande is het hof van oordeel dat een verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen gerechtvaardigd was.

3.8.4.

Het hof is echter van oordeel dat op dit moment niet langer wordt voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW.

Het hof stelt vast dat alle aanwezigen op de mondelinge behandeling van het hof het eens zijn dat bij de kinderen geen sprake meer is van een ernstig bedreigde ontwikkeling en dat de ouders bovendien weer in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen te dragen.

Gebleken is dat de nieuwe jeugdzorgwerker inmiddels een ingang heeft gevonden bij de moeder. De jeugdzorgwerker heeft contact gehad met de scholen van de kinderen en hij heeft met drie van de vier kinderen gesproken (niet met [minderjarige 3] ). Er is nog steeds geen volledig zicht op de situatie bij de moeder, maar wel wordt gezien dat het goed gaat met de kinderen. De kinderen hebben nog altijd bijzondere aandacht nodig, maar concrete (ernstige) zorgen over de kinderen heeft de jeugdzorgwerker niet meer.

De jeugdzorgwerker heeft ook kunnen vaststellen dat de ouders inzicht tonen in wat de kinderen nodig hebben en dat zij goed met elkaar kunnen samenwerken en gezamenlijk de opvoedverantwoordelijkheid voor de kinderen kunnen dragen. Beide ouders hebben nu een goed contact en een goede samenwerking met de scholen van de kinderen. Er is wel een conflict met de school van [minderjarige 2] , maar dat is niet een probleem dat enkel in het kader van een ondertoezichtstelling opgelost kan worden, aldus de jeugdzorgwerker. De ouders hebben op de mondelinge behandeling aangegeven open te staan voor de tips van de jeugdzorgwerker om dit conflict (via de onderwijsinspectie) op te lossen.

Met de GI heeft het hof het vertrouwen dat de ouders de adequate manier waarop zij nu met kwesties rondom de kinderen omgaan zullen voortzetten en dat zij, wanneer zich problemen rondom (de opvoeding van) de kinderen aandienen, in staat zullen zijn die problemen te erkennen en de nodige stappen te nemen om die problemen op te lossen en waar nodig hulpverlening in te schakelen.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd tot heden en voor het overige dient te worden vernietigd en dat met ingang van heden het inleidende verzoek van de GI alsnog dient te worden afgewezen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 februari 2021 voor wat betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling over de periode van 13 februari 2021 tot 12 augustus 2021;

vernietigt genoemde beschikking met ingang van heden, 12 augustus 2021, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

en, in zoverre, opnieuw recht doende:

wijst met ingang van heden, 12 augustus 2021, alsnog af het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, H. van Winkel en K.A. Boshouwers en is op 12 augustus 2021 uitgesproken in het openbaar door mr. H. van Winkel in tegenwoordigheid van de griffier.