Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2523

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
13-08-2021
Zaaknummer
200.284.294_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2020:6765
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

verzoek in kort geding om voorschot op betaling erfdeel in nalatenschap toewijsbaar; voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van financiële nood alsook dat nalatenschap toereikend is voor uitbetaling voorschot

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0240
RN 2021/101
Jurisprudentie Erfrecht 2021/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.284.294/01

arrest van 10 augustus 2021

in de zaak van

1 [appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellanten] dan wel ieder afzonderlijk als [appellante] en [appellant] ,

advocaat: mr. M.C.J.G. Kathmann te Breda,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te België,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. C. Verfuurden te Eindhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen arrest in het incident van 26 januari 2021 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/280548 / KG ZA 20-295 gewezen kortgedingvonnis van 9 september 2020, welk vonnis is aangevuld op 26 oktober 2020.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het arrest in het incident van 26 januari 2021;

  • -

    het bij H-14 formulier door [geïntimeerde] ingediende bezwaar tegen de door [appellanten] als productie E gefourneerde brief/e-mail van [naam] van 26 augustus 2020, de reactie van [appellanten] , blijkende uit het H-16 formulier van 25 maart 2021 alsmede de mededeling van de rolgriffier van 26 maart 2021 dat op het bezwaar te zijner tijd door de behandelend kamer zal worden beslist;

  • -

    de bij H-12 formulier van 30 juni 2021 namens [appellanten] toegezonden producties 20 t/m 32;

  • -

    de bij H-12 formulier van 12 juli 2021 namens [geïntimeerde] toegezonden producties 69 en 70;

  • -

    de mondelinge behandeling waarbij beide partijen pleitnotities en voornoemde producties hebben overgelegd.

Partijen hebben ermee ingestemd dat het hof recht doet op de op voorhand in kopie toegezonden gedingstukken. Uit rov. 6.9 van dit arrest blijkt dat een beslissing over voornoemd bezwaar tegen productie E achterwege kan blijven vanwege gebrek aan belang aan de zijde van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

6.1.

Bij genoemd arrest heeft het hof de incidentele vordering van [appellanten] tot schorsing van de ten uitvoerlegging ex artikel 351 Rv alsook de incidentele vordering tot zekerheidstelling ex artikel 233 Rv afgewezen. Iedere verdere beslissing, waaronder de beslissing over de proceskosten van het incident, is aangehouden.

de kern van het geschil en de feiten

6.2.

[geïntimeerde] en [appellante] en [appellant] zijn de (versterf)erfgenamen van erflater. [geïntimeerde] enerzijds en [appellante] en [appellant] anderzijds verschillen in de kern van mening over het op de erfopvolging en afwikkeling van de nalatenschap toepasselijke recht en in het verlengde daarvan over de mogelijkheid van [geïntimeerde] om in kort geding een voorschot op haar erfdeel te vorderen.

6.3.

Grief 1, met toelichting bij grief 5, is gericht tegen het in rov. 2.1 van het bestreden vonnis vastgestelde feit dat erflater tot 4 januari 2018 in Nederland heeft gewoond. Gelet op hetgeen hierna in rov. 6.3.8 en 6.6.2 wordt overwogen, behoeft deze grief wegens gebrek aan belang geen bespreking. Het hof gaat daarom uit van de door voorzieningenrechter vastgestelde feiten en vult deze waar nodig aan.

6.3.1.

[erflater] (hierna: erflater), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Nederland), is op 13 april 2020 overleden te [plaats] (België). Erflater had de Nederlandse nationaliteit en heeft tot 4 januari 2018 in Nederland gewoond. Daarna heeft hij tot aan zijn overlijden in België gewoond.

6.3.2.

Erflater is getrouwd geweest met [ex echtgenote erflater] (hierna: [ex echtgenote erflater] ). Uit het huwelijk met [ex echtgenote erflater] zijn [appellante] en [appellant] geboren. Bij beschikking van 18 januari 2012 is de echtscheiding tussen erflater en [ex echtgenote erflater] uitgesproken en deze beschikking is op 14 februari 2012 ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.

6.3.3.

Erflater was vanaf 29 augustus 2014 tot aan zijn overlijden gehuwd met [geïntimeerde] . Zij heeft de Braziliaanse nationaliteit. Erflater had blijkens uittreksels van het Nederlandse en Belgische Centraal Testamentenregister (productie 3 en 4 bij inleidende dagvaarding) geen testament.

6.3.4.

Erflater was enig bestuurder van [de vennootschap] (hierna: [de vennootschap] ) en hield ten tijde van zijn overlijden 90% van de aandelen in [de vennootschap] . De resterende 10% van de aandelen in [de vennootschap] worden gehouden door [ex echtgenote erflater] .

6.3.5.

[de vennootschap] is houder van de volgende aandelen:

- 50% van de aandelen in het kapitaal van [bedrijf] (hierna: [bedrijf] );

- 50% van de aandelen in het kapitaal van [de vennootschap 3] (hierna: [de vennootschap 3] );

- 45% van de aandelen in het kapitaal van Spreewald Pilz Park GmbH (hierna: Spreewald).

6.3.6.

[de vennootschap] was enig bestuurder van [bedrijf] . Tijdens een algemene vergadering van aandeelhouders (in het kapitaal) van [bedrijf] van 26 juni 2020 (alwaar [de vennootschap] , hoewel op haar adres opgeroepen, niet is verschenen) werd [de vennootschap] ontslagen als bestuurder van [bedrijf] en werd met meerderheid van de uitgebrachte stemmen [de vennootschap 4] (hierna: [de vennootschap 4]) per 27 juni 2020 tot statutair bestuurder van [bedrijf] benoemd. Enig aandeelhouder en bestuurder van [de vennootschap 4] is [appellant] . Bij kortgedingvonnis van 20 augustus 2020 (zaak C/03/280708/KG ZA 20-304) heeft de voorzieningenrechter voorshands geoordeeld dat sprake is van een rechtsgeldig besluit om [de vennootschap 4] tot statutair bestuurder van [bedrijf] te benoemen.

6.3.7.

[geïntimeerde] heeft bij notariële akte van 27 oktober 2020, ingeschreven in het boedelregister van de rechtbank Den Haag op 6 november 2020, de erfenis van erflater beneficiair aanvaard.

6.3.8.

Bij vonnis van 28 april 2021, gewezen in de door [geïntimeerde] jegens [appellante] en [appellant] aanhangig gemaakte bodemzaak, heeft de rechtbank voor recht verklaard dat op de erfopvolging in de nalatenschap van erflater alsmede op de afwikkeling van de nalatenschap Nederlands recht van toepassing is.

de vorderingen van [geïntimeerde] en de procedure bij de rechtbank

6.4.1.

[geïntimeerde] heeft bij kortgedingdagvaarding van 31 juli 2020 - voor zover in hoger beroep van belang - gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [appellante] en [appellant] te veroordelen hun medewerking te verlenen aan betaling aan [geïntimeerde] van een voorschot op haar erfdeel van € 60.000,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, binnen één dag na betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat [appellante] en [appellant] na betekening van het vonnis weigerachtig zijn aan de inhoud van het vonnis te voldoen, met veroordeling van [appellante] en [appellant] in de proceskosten met rente.

6.4.2.

[geïntimeerde] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat tot de nalatenschap van erflater onder meer de aandelen in [de vennootschap] behoren, dat erflater bestuurder en enig aandeelhouder van [de vennootschap] was en daardoor ook (indirect) bestuurder van [bedrijf] . De bank heeft alle bankrekeningen van [de vennootschap] en [bedrijf] geblokkeerd evenals de privérekeningen van erflater. Volgens [geïntimeerde] gedragen [appellante] en [appellant] zich als feitelijk leidinggevenden in de onderneming van erflater en zetten zij [geïntimeerde] volledig buitenspel. [geïntimeerde] is in dienst van [de vennootschap] , maar [appellante] en [appellant] weigeren haar loon uit te betalen. Door dit alles heeft de [geïntimeerde] geen beschikking over financiële middelen en dreigt zij haar huurwoning te verliezen. [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat Nederlands recht van toepassing is en op grond van de wettelijke verdeling is zij de enige rechthebbende op de goederen van de nalatenschap. Zij meent dat een voorschot van € 60.000,00 op haar erfdeel gerechtvaardigd is zodat zij in afwachting van de uitkomst van de (bodem)procedure kan voorzien in haar levensonderhoud en schulden van de nalatenschap kan voldoen.

6.4.3.

[appellante] en [appellant] hebben zich tegen toewijzing van deze vordering verzet en onder meer betwist dat [geïntimeerde] niet in de kosten van haar levensonderhoud kan voorzien.

6.4.4.

In het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter - kort samengevat en voor zover in hoger beroep van belang - overwogen dat hij ervan uitgaat dat Nederlands recht op de erfopvolging van toepassing is, dat [geïntimeerde] voldoende spoedeisend belang heeft bij de vordering tot betaling van een voorschot op haar erfdeel van € 60.000,00 nu zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet kan beschikken over vermogen of inkomen, dat [geïntimeerde] aannemelijk heeft gemaakt dat aan haar zijde sprake is van financiële nood, dat gelet op alle in aanmerking te nemen omstandigheden aan [geïntimeerde] een voorschot moet worden uitgekeerd, dat er geen aanleiding is om € 60.000,00 toe te kennen, maar dat het voorschot zal worden beperkt tot 25.000,00, dat [appellante] en [appellant] worden veroordeeld om hun medewerking te verlenen aan betaling van dit voorschot, waarbij een termijn van twee weken redelijk wordt geacht, dat de gevorderde dwangsom zal worden afgewezen omdat het een familiekwestie betreft en ervan uit kan worden gegaan dat [appellante] en [appellant] vrijwillig uitvoering zullen geven aan het vonnis.

Bij aanvullend vonnis van 25 oktober 2020 is deze veroordeling alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

de procedure in principaal en incidenteel hoger beroep

de principale grieven

6.5.1.

[appellante] en [appellant] zijn het met dit vonnis niet eens en komen daartegen in hoger beroep met vijftien grieven op. Deze grieven komen er in de kern op neer dat de voorzieningenrechter ten onrechte van de toepasselijkheid van Nederlands recht is uitgegaan (grieven 1 t/m 6) alsook ten onrechte aan [geïntimeerde] een voorschot heeft toegekend (grieven 7 t/m 15).

de incidentele grieven en eiswijziging

6.5.2.

Ook [geïntimeerde] is het niet geheel met dit vonnis eens en voert in incidenteel appel twee grieven aan. Volgens grief 1 is het voorschot ten onrechte beperkt tot

€ 25.000,00 en grief 2 klaagt over de afwijzing van de gevorderde dwangsommen.

6.5.3.

Daarnaast heeft [geïntimeerde] haar eis in hoger beroep gewijzigd. De gewijzigde eis luidt als volgt:

I. [appellante] en [appellant] te veroordelen hun medewerking te verlenen aan betaling aan [geïntimeerde] van een voorschot op haar erfdeel van € 60.000,00, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, binnen één dag na betekening van het arrest en daarbij primair te bepalen dat het eindarrest in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekeningen van [appellante] en [appellant] , dan wel subsidiair op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat [appellante] en [appellant] na betekening van het arrest weigerachtig zijn aan de inhoud van het arrest te voldoen.

6.5.4.

[appellante] en [appellant] hebben tegen deze eiswijziging geen bezwaar gemaakt. Ook het hof ziet ambtshalve geen reden waarom deze eiswijziging op grond van de goede procesorde niet toelaatbaar zou zijn. Hierna wordt bij de beoordeling uitgegaan van de gewijzigde eis.

de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en het toepasselijke recht

6.6.1.

Deze zaak heeft internationale aspecten aangezien de erflater ten tijde van zijn overlijden in België woonde, in België is overleden en ook [geïntimeerde] in België woont.

Zoals in het bestreden vonnis terecht is overwogen, is de Nederlandse voorzieningenrechter op grond van artikel 19 ErfVo bevoegd om beslissingen te nemen over in Nederland vast te stellen voorlopige of bewarende maatregelen. Dus ook het hof is in dit kort geding bevoegd over de door [geïntimeerde] gevorderde voorlopige voorziening te oordelen.

6.6.2.

Partijen verschillen in dit kort geding van mening over het toepasselijke recht. Vaststaat dat de bodemrechter in het vonnis van 28 april 2021 heeft geoordeeld dat op de erfopvolging van erflater en de afwikkeling van zijn nalatenschap Nederlands recht van toepassing is (zie rov. 6.3.8). Het hof dient zich als kortgedingrechter te richten naar de uitspraak van de bodemrechter, ook als het bodemvonnis nog geen kracht van gewijsde heeft. Dit betekent dat de principale grieven 1 t/m 6 wegens gebrek aan belang geen beoordeling behoeven. Het hof passeert ook het beroep van [appellante] en [appellant] op niet-ontvankelijkheid wegens gestelde schending van de waarheidsplicht door niets te melden over het aandeelhouderschap van [ex echtgenote erflater] , de sticker in haar paspoort en de schulden aan de nalatenschap. Na de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] hebben [appellante] en [appellant] hun standpunt onvoldoende (nader) onderbouwd. In dit hoger dient enkel nog te worden onderzocht of de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van een voorschot op het erfdeel van

€ 60.000,00 toewijsbaar is.

de vordering inzake het voorschot op het aandeel in de erfenis (principale grieven 7 t/m 15 en incidentele grieven 1 en 2)

6.7.1.

Vooropgesteld wordt dat het in dit kort geding bij de vraag of [geïntimeerde] recht heeft op een voorschot om een ordemaatregel gaat. Dit betekent dat het naar zijn aard om een voorlopige maatregel gaat, bedoeld om te gelden totdat de bodemrechter daarover heeft beslist. Bij de beoordeling van de vordering is voorts van belang dat nu vaststaat dat erflater geen testament heeft gemaakt en hij [geïntimeerde] als echtgenoot en [appellante] en [appellant] als zijn kinderen achterlaat, op grond van artikel 4:13 BW de wettelijke verdeling geldt. Dit betekent dat [geïntimeerde] als langstlevende echtgenoot van rechtswege de goederen van de nalatenschap van erflater heeft verkregen en dat de schulden van de nalatenschap voor haar rekening komen (artikel 4:13 lid 2 BW). [appellante] en [appellant] hebben als kinderen van erflater van rechtswege een niet-opeisbare geldvordering op [geïntimeerde] verkregen (artikel 4:13 lid 3 BW).

Verder is van belang dat [geïntimeerde] de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, hetgeen tot gevolg heeft dat op grond van artikel 4:202 lid 3 BW de nalatenschap moet worden vereffend volgens de regels van afdeling 3 van titel 6 van boek 4 BW.

6.7.2.

Niet in discussie is dat [geïntimeerde] geen toegang heeft tot het vermogen van erflater. Diens bankrekeningen, waaronder zijn privé rekening, zijn geblokkeerd. Niet, althans onvoldoende, is weersproken dat [geïntimeerde] sinds januari 2020 van haar werkgever [de vennootschap] geen loon meer ontvangt, ondanks dat [de vennootschap] daartoe bij kortgedingvonnis van 26 oktober 2020 is veroordeeld. Ook het door de voorzieningenrechter toegekende voorschot van

€ 25.000,00 heeft zij niet ontvangen. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] aldus voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij nog steeds in financiële nood verkeert. Dat zij van haar zoon in Brazilië, zoals tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd is meegedeeld, maandelijks 800 Braziliaanse Real aan huur ontvangt, doet daar gelet de geringe omvang van dat bedrag – omgerekend circa € 130,00 – niet aan af, terwijl ook niet is gebleken dat het realistisch zou zijn om meer huur te vragen. Ook is niet gebleken van andere inkomensbronnen. Met de financiële nood van [geïntimeerde] is tevens het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening gegeven. Zij beschikt thans immers niet over financiële middelen om in haar levensonderhoud te voorzien.

6.7.3.

Naar voorlopig oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] daarom recht op een voorschot op haar erfdeel. Dat [geïntimeerde] de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard en [appellante] en [appellant] eveneens worden geacht de nalatenschap beneficiair te hebben aanvaard aangezien zij niet binnen de in artikel 4:192 lid 4 BW genoemde termijn een keuze hebben gedaan, staat aan toekenning van een voorschot niet in de weg. Als het toekennen van een voorschot als een partiële verdeling moet worden aangemerkt, dan geldt dat de wet geen duidelijk verbod op het vroegtijdig, namelijk vooruitlopend op de voltooiing van de vereffening, partieel verdelen van de nalatenschap bevat. Het hof gaat er daarom vanuit dat de wettelijke regeling van de beneficiaire aanvaarding zich niet tegen de uitkering van een voorschot verzet.

De vraag is vervolgens of het gevorderde bedrag toewijsbaar is.

6.7.4.

[geïntimeerde] beroept zich ter onderbouwing van haar vordering tot uitbetaling van een voorschot op de erfenis van € 60.000,00 op een door de accountant van erflater opgesteld overzicht (prod. 20 inl. dagv.). Uit dit overzicht blijkt dat het saldo van de nalatenschap van erflater ten tijde van zijn overlijden € 773.568,00 bedroeg. [geïntimeerde] merkt op dat dit overzicht slechts een schatting betreft, maar volgens haar is de accountant van erflater een deskundig persoon en er is geen reden om eraan te twijfelen dat de nalatenschap niet tenminste omvat hetgeen in het overzicht is vermeld. Het ligt niet voor de hand dat er opeens sprake is van een negatieve nalatenschap dan wel een zodanig beperkte omvang van de nalatenschap dat uitbetaling van een voorschot van € 60.000,00 op haar erfdeel niet reëel zou zijn, aldus [geïntimeerde] .

6.7.5.

[appellante] en [appellant] hebben in hoger beroep ter toelichting van hun verweer dat de nalatenschap ontoereikend is om het gevorderde voorschot uit te keren een rapport van bevindingen van oktober 2020 overgelegd (prod. 26 bij akte overleggen producties), opgesteld door [de vennootschap 2] In dit rapport is 90% van de aandelen in [de vennootschap] gewaardeerd op € 294.300,00. Bij de waardering van de aandelen is rekening gehouden met een schuld van € 605.000,00 van [de vennootschap] aan [bedrijf] wegens onverschuldigd door [bedrijf] aan [de vennootschap] overgemaakte bedragen. Verder merken [appellante] en [appellant] op dat de nalatenschap van erflater een rekening-courantschuld van ruim € 710.000,00 heeft aan [de vennootschap] . Gelet op de schuld van [de vennootschap] aan [bedrijf] is [de vennootschap] genoodzaakt deze rekening-courantschuld te incasseren. Zij concluderen dat zelfs ingeval alle activa van de nalatenschap te gelde zouden worden gemaakt, de nalatenschap over onvoldoende liquide middelen beschikt om die schuld af te kunnen lossen en dus, zo begrijpt het hof, eveneens over onvoldoende liquide middelen om een voorschot aan [geïntimeerde] te betalen.

6.7.6.

Het hof is van oordeel dat [appellante] en [appellant] met genoemd rapport van bevindingen de vaststelling van de omvang van de nalatenschap door de accountant van erflater onvoldoende hebben betwist. Daarbij acht het hof van belang dat niet duidelijk is op grond van welke stukken het rapport van bevindingen is opgesteld. De stukken waarop het rapport is gebaseerd zijn ook niet overgelegd. [geïntimeerde] heeft geen beschikking over andere stukken voor de vaststelling van de omvang van de nalatenschap dan genoemd overzicht van de accountant van erflater en ook het hof beschikt niet over andere stukken. Verder is van belang dat het een eenzijdig rapport betreft en [geïntimeerde] daarbij niet is betrokken noch gehoord.

[geïntimeerde] heeft er verder nog op gewezen dat bij de waardering van de aandelen van [de vennootschap] de waarde van het 45% belang van [de vennootschap] in Spreewald enkel als PM post is meegenomen, omdat de waarde daarvan nog door een valuator in Duitsland moeten worden vastgesteld, hetgeen nog niet is gebeurd. Zij stelt zich op het standpunt dat het aandeel van [de vennootschap] in deze Duitse onderneming van substantieel belang is en van grote invloed zal zijn op de waarde van de aandelen van [de vennootschap] ten tijde van het overlijden van erflater.

Het hof volgt [geïntimeerde] in dit standpunt. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit genoemd rapport van bevindingen blijkt dat de deelneming van 45% in [bedrijf] per 31 december 2019 nog was meegenomen voor een bedrag van € 420.000,00. Ook is in het rapport een voorbehoud gemaakt ten aanzien van de waarde van het intellectuele eigendom.

Op grond van het voorgaande gaat het hof er vanuit dat de nalatenschap van erflater ten tijde van zijn overlijden € 773.568,00 bedroeg, zoals door zijn vaste accountant vastgesteld. Daarnaast blijkt uit een door [appellante] en [appellant] overgelegd bankafschrift (prod. 25 bij akte overleggen producties) dat het saldo van de privé rekening van erflater per 13 april 2020

€ 55.431,13 bedroeg. Aldus kan niet worden gezegd dat het saldo van de nalatenschap van erflater ten tijde van zijn overlijden ontoereikend is om het door [geïntimeerde] gevorderde voorschot van € 60.000,00 uit te keren.

6.7.7.

Het hof ziet in de omstandigheid dat [geïntimeerde] door de verkoop van de auto van erflater reeds een bedrag van € 25.500,00 heeft ontvangen geen aanleiding om haar een lager bedrag toe te kennen. Zoals hiervoor is overwogen, is bij [geïntimeerde] sprake van financiële nood.

Sinds het overlijden van erflater zijn inmiddels 16 maanden verstreken en gedurende deze periode heeft [geïntimeerde] over vermogen noch inkomen kunnen beschikken. Onder deze omstandigheden is het alleszins begrijpelijk dat zij de opbrengst van de auto niet heeft gestort op de – geblokkeerde – boedel/ervenrekening, maar onder meer heeft aangewend om, naar het hof begrijpt, te voorzien in haar levensonderhoud.

[appellante] en [appellant] hebben gesteld dat ook rekening moet worden gehouden met de door erflater aan [geïntimeerde] verstrekte geldlening van € 45.000,00. Nu [geïntimeerde] heeft betwist dat aan haar dit bedrag is uitbetaald en die uitbetaling ook niet blijkt uit de in deze procedure overgelegde bankafschriften, staat niet vast dat zij dit bedrag heeft ontvangen. Het hof is daarom van oordeel dat een en ander in het kader van de vereffening aan de orde kan komen.

6.7.8.

Net als de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat voorzienbaar is dat [geïntimeerde] als langstlevende echtgenote nog geruime tijd niet over de nalatenschap van erflater noch over inkomen kan beschikken. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken, dat er (nog) geen vereffenaar is benoemd. Tussen partijen is niet in discussie dat er nog steeds geen aanvang is gemaakt met de vereffening. Gelet op de tussen partijen nog aanhangige procedures - het hof verwijst onder meer naar de procedure bij de Ondernemingskamer van hof Amsterdam (prod. 69 van [geïntimeerde] ) - valt ook niet te verwachten dat de vereffening spoedig ter hand zal worden genomen. Zolang de nalatenschap nog niet is vereffend, vormt de nalatenschap in het belang van de schuldeisers een afgescheiden vermogen. [geïntimeerde] mag erflater dan wel van rechtswege zijn opgevolgd in zijn vermogen, maar zij zolang er nog niet vereffend is, kan zij daarover niet over beschikken.

6.7.9.

Dit alles leidt ertoe dat naar voorlopig oordeel van het hof de vordering van [geïntimeerde] om [appellante] en [appellant] te veroordelen hun medewerking te verlenen aan de betaling van een voorschot van € 60.000,00 op haar erfdeel moet worden toegewezen. Ook het hof acht daarbij een betalingstermijn van twee weken om aan deze veroordeling te voldoen redelijk.

6.7.10.

Dit betekent dat de grieven 7 t/m 15 van het principaal appel falen. Ook grief 1 in incidenteel appel behoeft op grond van het voorgaande geen verdere bespreking.

primaire en subsidiaire eiswijziging

6.8.1.

Nu de principale grieven falen en ook in hoger beroep de vordering van [geïntimeerde] tot toekenning van een voorschot wordt toegewezen, komt het hof toe aan beoordeling van de gewijzigde eis. [geïntimeerde] vordert primair dat het arrest van het hof in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekeningen van [appellante] en [appellant] . [appellante] en [appellant] hebben zich tegen de toewijzing daarvan verzet omdat dit volgens hen leidt tot een zuivere aanvaarding van de nalatenschap van [appellante] en [appellant] in België.

6.8.2.

Dit standpunt kan niet worden gevolgd. Vaststaat dat op de erfopvolging van erflater Nederlands recht van toepassing is en op grond van het Nederlandse recht staat eveneens vast dat de nalatenschap zowel door [geïntimeerde] als [appellante] en [appellant] beneficiair is aanvaard. Een dergelijke aanvaarding werkt naar Nederlands recht terug tot de datum van het overlijden en is onherroepelijk. Daarom kan van het alsnog zuiver aanvaarden van de nalatenschap door [appellante] en [appellant] geen sprake zijn.

6.8.3.

Het hof oordeelt dat het door [geïntimeerde] onder primair gevorderde toewijsbaar is, omdat aan de voorwaarden van artikel 3:300 BW is voldaan. [appellante] en [appellant] zijn door de voorzieningenrechter veroordeeld tot het verlenen van hun medewerking aan betaling aan [geïntimeerde] van een voorschot op haar erfdeel van € 25.000,00 binnen twee weken na betekening van het vonnis en deze veroordeling is alsnog bij aanvullend vonnis van 26 oktober 2020 uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Vaststaat echter dat [appellante] en [appellant] niet aan deze veroordeling hebben voldaan. Er kan daarom niet zonder meer vanuit worden uitgegaan dat zij thans vrijwillig aan de huidige veroordeling zullen voldoen door aan de bank toestemming te geven de betaling aan [geïntimeerde] uit te voeren en er in dat verband voor te zorgen dat de benodigde verklaring van erfrecht wordt opgemaakt. Daarom is er alle aanleiding om te bepalen dat ingeval [appellante] en [appellant] niet binnen de termijn van twee weken aan deze veroordeling voldoen, dit arrest in de plaats van hun noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekeningen treedt.

6.8.4.

Nu het primair gevorderde wordt toegewezen, is beoordeling van de subsidiair gevorderde dwangsommen niet aan de orde. De incidentele grief 2, gericht tegen de afwijzing van de dwangsommen door de voorzieningenrechter, behoeft geen beoordeling.

het bezwaar van [geïntimeerde] tegen de als ‘productie E’ overgelegde brief van 26 augustus 2020

6.9.

Op grond van het voorgaande behoeft op het bij H-14 formulier ingediende bezwaar van [geïntimeerde] vanwege gebrek aan belang niet meer te worden beslist.

Resumé

6.10.

Gelet op de toewijzing van een bedrag van € 60.000,00 zou het hof kunnen volstaan met vernietiging van het bestreden vonnis voor zover daarbij een bedrag van € 25.000,00 is toegewezen. Om pragmatische reden wordt het gehele vonnis van 9 september 2020 en het aanvullend vonnis van 26 oktober 2020 vernietigd. Opnieuw rechtdoende worden [appellante] en [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan betaling aan [geïntimeerde] van een voorschot van € 60.000,00. Ook het bij wijziging van eis onder primair gevorderde wordt toegewezen, in die zin dat het hof zal bepalen dat dit arrest in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekeningen van [appellante] en [appellant] ingeval zij na betekening van dit arrest niet binnen twee weken aan de veroordeling tot betaling van genoemd voorschot hebben voldaan. Aangezien het om een familiekwestie gaat, worden de proceskosten gecompenseerd. Dit betreft zowel in de kosten van eerste aanleg, de kosten van het incident in hoger beroep als de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep.

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

7.1.

vernietigt het vonnis van 9 september 2020 alsook het aanvullend vonnis van 26 oktober 2020 en,

opnieuw rechtdoende:

7.2.

veroordeelt [appellante] en [appellant] om hun medewerking te verlenen aan betaling aan [geïntimeerde] (op het rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [geïntimeerde] ) van een voorschot op haar erfdeel van € 60.000,00 binnen twee weken na betekening van dit arrest en

7.3.

bepaalt dat dit arrest in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekeningen van [appellante] en [appellant] ingeval zij na betekening van dit arrest binnen twee weken niet aan de onder 7.2 uitgesproken veroordeling hebben voldaan;

7.4.

verklaart dit arrest ten aanzien van het bepaalde onder 7.3 uitvoerbaar bij voorraad;

7.5.

compenseert de proceskosten van zowel de procedure in eerste aanleg, van het incident als van het principaal en incidenteel hoger beroep, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

7.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.W. Vermeulen, H.K.N. Vos en J. van der Steenhoven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 augustus 2021.

griffier rolraadsheer