Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2519

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-08-2021
Datum publicatie
13-08-2021
Zaaknummer
200.271.928_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:5261
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:3719
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:4642
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Hoger beroep van deelvonnis. Terugverwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.271.928/01

arrest van 10 augustus 2021

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante, hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. J.W.M. Hagelaars te Nijmegen,

tegen

Gemeenschappelijke regeling Kempisch Bedrijvenpark,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde, hierna: KBP,

advocaat: mr. J.F. de Groot te Amsterdam,

op het hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen vonnissen van 4 juli 2018 en 17 juli 2019 tussen appellante als eiseres en

geïntimeerde als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/306372 / HA ZA 16-244)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

[appellante] heeft bij exploot van 15 oktober 2019, en dus tijdig, aangezegd van genoemde

vonnissen in hoger beroep te komen met dagvaarding van KBP voor dit hof.

2.2.

Op de rol van 28 januari 2020 is de zaak aangebracht en is KBP bij advocaat

verschenen.

2.3

Bij arrest van 20 maart 2020 heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Deze behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juni 2020. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

2.4

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de memorie van grieven

- de memorie van antwoord

- de akte van 26 januari 2021

- de antwoordakte van 23 februari 2021.

2.5

Daarna zijn de stukken in handen gesteld van het hof voor het wijzen van arrest.

3 De beoordeling in hoger beroep

3.1

Het vonnis van 17 juli 2019 is een deelvonnis. In 3.1 en 3.3. in het dictum is een einde gemaakt aan de daar bedoelde geschillen, zodat het vonnis in zover als een eindvonnis heeft te gelden terwijl in 3.4. tot en met 3.11 in het dictum geen einde is gemaakt aan enig deel van het gevorderde, zodat in zover het vonnis als een tussenvonnis moet worden beschouwd. [appellante] is dus ontvankelijk in haar hoger beroep van dit vonnis en van het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 4 juli 2018.

Tegen de veroordeling van KBP in het vonnis van 17 juli 2019 tot betaling van € 150.670,49 in hoofdsom is door KBP geen hoger beroep ingesteld, zodat die veroordeling onherroepelijk is.

3.2

[appellante] kan zich niet geheel vinden in de voornoemde (tussen)vonnissen van de

rechtbank. Zij stelt zich op het standpunt dat de volgende, door de rechtbank in 3.3. van het dictum in het vonnis van 17 juli 2019 afgewezen, vorderingen toegewezen hadden moeten worden:

A) vergoeding van (een deel van) de koopprijs en aankoopkosten van [adres 1] ;

B) kosten ter voorkoming van belastingschade; en

C) de buitengerechtelijke kosten.

3.3

De rechtbank heeft nog niet op alle vorderingen van [appellante] een (definitieve) beslissing

genomen. In het vonnis van 17 juli 2019 heeft de rechtbank in 3.4. e.v. ter zake van de hierna genoemde vorderingen een comparitie van partijen bevolen en iedere verdere beslissing aangehouden. In het kader van een efficiënte procesvoering verzoekt [appellante] om ook over deze posten te beslissen. Het gaat om de volgende vorderingen:

D) de leges voor het nieuwe plan;

E) de kosten van de landschappelijke inpassing; en

F) de inkomensschade.

3.4

Het hof gaat daarin niet mee. Zoals hierna zal blijken, komt het hof tot het oordeel dat het

vonnis van 17 juli 2019, voor zover door [appellante] gericht tegen de afwijzing van haar vorderingen, bekrachtigd moet worden. Uit een oogpunt van een goede procesorde verdient het de voorkeur dat de rechtbank eerst over alle resterende vorderingen, ten aanzien waarvan een comparitie van partijen is bevolen, een eindoordeel geeft. Ook is niet gebleken van een eenstemmig verlangen van partijen als bedoeld in art. 355 lid 2 Rv. KBP heeft zich in de memorie van antwoord onder 9.2 gerefereerd aan het oordeel van het hof en dat levert geen verzoek op.

3.5

De door de rechtbank in haar tussenvonnis van 4 juli 2018 vastgestelde feiten zijn in hoger

beroep niet bestreden, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Kort samengevat gaat het over het volgende. KBP is door de gemeenten Bergeijk, Bladel, Eersel en Reusel- De Mierden in het leven geroepen om gezamenlijk een kwalitatief hoogwaardig bedrijvenpark (het Kempisch Bedrijvenpark) te realiseren ten zuiden van het dorp Hapert (gemeente Bladel). Om het bedrijvenpark te kunnen realiseren moest KBP het bedrijf van [appellante] aankopen. [appellante] (en haar overleden echtgenoot) hadden aan [adres 2] in [plaats] een intensieve varkens- en paardenhouderij. Aankoop van het bedrijfsperceel van [appellante] was nodig omdat ter plaatse in een geluidzone en in (delen van) bedrijfskavels was voorzien.

De beëindiging van de varkenshouderij was ook nodig in verband met geurhinder op

het nieuwe bedrijventerrein.

[appellante] beschikte aan de overzijde van haar boerderij over een aantal percelen grond aan [adres 3] . Daar kon geen nieuwe varkenshouderij worden gestart. [appellante] was echter bereid om het boerenbestaan vaarwel te zeggen en in plaats daarvan een recreatieonderneming te beginnen op deze gronden. Daarvoor was een wijziging van het bestemmingsplan ter plaatse nodig. Na intensieve onderhandelingen hebben partijen begin 2010 overeenstemming bereikt. Partijen spraken af dat [appellante] (naast de financiële vergoeding die zij direct kreeg

uitbetaald) recht zou hebben op een aanvullende passende schadeloosstelling voor het

geval dat het paardenbedrijf annex recreatiebedrijf met horeca als bedoeld in de

ruimtelijke onderbouwing van Compositie 5 Stedenbouw d.d. 3 november 2009 niet tijdig

vergund zou kunnen worden en dat plan ook niet alsnog met een 'ruimtelijke oplossing' kon worden gerealiseerd. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in juli 2013 bezwaren tegen het bestemmingsplan gegrond geoordeeld. [appellante] had inmiddels gronden met opstallen aan [adres 1] gekocht. Zij heeft daarop in combinatie met gronden aan [adres 3] een recreatiebedrijf ontwikkeld. Daartoe is het bestemmingsplan aangepast. In verband met de wijziging van de plannen vordert [appellante] van KBP de tussen hen overeengekomen aanvullende “passende” schadevergoeding.

3.6

De rechtbank heeft in haar vonnis van 17 juli 2019 het volgende overwogen:

2.1. In het tussenvonnis van 4 juli 2018 heeft de rechtbank bepaald dat [appellante] op

basis van de koopovereenkomst tussen partijen van 18 januari 2010 (hierna: de

Overeenkomst) recht heeft op een ‘passende schadeloosstelling’, omdat de in 2010 beoogde

verplaatsing van haar bedrijf naar [adres 3] niet kon doorgaan en het alternatief - de

verplaatsing van haar bedrijf naar de locatie [adres 1] - niet kan worden aangemerkt als

een ruimtelijke oplossing zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 sub c van de Overeenkomst.

Ten aanzien van de omvang van de bedoelde ‘passende schadeloosstelling’, heeft de

rechtbank overwogen dat KBP een vergoeding zal moeten betalen voor de kosten die

[appellante] heeft moeten maken en nog zal moeten maken en voor de schade die zij heeft

geleden en nog zal lijden doordat zij haar bedrijf weliswaar alsnog kan verplaatsen, maar dat

moet doen a) op basis van nieuwe plannen en b) met vertraging. Daarbij moet, gelet op

artikel 6:101 lid 1 BW, mede rekening worden gehouden met de verplichting van [appellante]

om haar schade te beperken.

2.2.

De rechtbank heeft in voormeld tussenvonnis al bepaald dat de kosten die zijn

gemaakt voor de aankoop van het perceel [adres 1] , niet zijn aan te merken als schade. Dit niet

alleen omdat het vermogen van [appellante] door die aankoop per saldo gelijk is gebleven,

maar ook omdat zij die aankoop al had gedaan voordat vast kwam te staan dat het oude plan

niet zou kunnen doorgaan. Wél komen mogelijk voor vergoeding in aanmerking a) de

(extra) kosten die [appellante] heeft moeten maken ter verkrijging van de vergunning voor het

nieuwe plan, waaronder eventuele belastingschade, en b) de inkomensschade die mogelijk

voortvloeit uit de verschuiving van het moment waarop [appellante] met haar nieuwe bedrijf

kon starten.”

3.7

Hetgeen in rov. 2.1 van het vonnis staat, is in hoger beroep niet bestreden. Ook het hof zal dus tot uitgangspunt nemen dat [appellante] recht heeft op een passende schadevergoeding op de wijze als de rechtbank heeft bepaald.

3.8

Het hof is het eens met de in hoger beroep door [appellante] wel bestreden rov. 2.2 van de rechtbank. Het hof neemt daarbij, evenals de rechtbank kennelijk heeft bedoeld, in aanmerking dat de koop van [adres 1] niet in voldoende direct causaal verband staat met het niet-doorgaan van de oorspronkelijke plannen van [appellante] en het ontwikkelen van een nieuw plan, ook al is dit uiteindelijk wel grotendeels op [adres 1] gerealiseerd. [appellante] heeft voordat duidelijk werd dat wijziging van het bestemmingplan op problemen stuitte de grond gekocht zonder dat zij al een alternatief plan had ontwikkeld (‘buurmans grond is slechts eenmaal te koop’). Voorts is de stelling van KBP dat [appellante] voor dit perceel een marktconforme prijs heeft betaald niet betwist. Daaruit volgt dat er geen vermogensverlies kan zijn opgetreden. Tenslotte kan uit de stellingen van [appellante] niet volgen dat de investering in het perceel [adres 1] voor haar vermogensnadeel heeft opgeleverd nu zij daarvoor de agrarische waarde heeft betaald doch via een wijziging van het bestemmingsplan daarop een recreatiebedrijf mag uitoefenen. Anders dan [appellante] meent is het niet juist om in het kader van een passende schadevergoeding uit te gaan van de opbrengstwaarde in het huidige bedrijf. Als [appellante] met het bedrag van de koopsom een hoger rendement had kunnen verwezenlijken dan zij thans heeft, had zij op grond van haar verplichting tot schadebeperking daarvoor moeten kiezen. De kosten die met de koop zijn gemoeid kunnen op grond van het vorenstaande ook niet als schade worden beschouwd.

3.9

Met betrekking tot de gevorderde kosten ter voorkoming van belastingschade heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen.

“2.5.6.2. De rechtbank heeft [appellante] in het laatste tussenvonnis nadrukkelijk uitgenodigd

om het gevorderde bedrag aan accountantskosten te onderbouwen en aan te geven waarom

KBP deze kosten zou moeten vergoeden. [appellante] heeft vervolgens een e-mail met

specificaties van haar accountant in het geding gebracht, waaruit blijkt welke

werkzaamheden in de periode 2010 tot 2017 (telkens boekjaren) voor [appellante] zijn

uitgevoerd (prod. 27). Uit die specificaties blijkt echter dat zij in de boekjaren 2010 tot en

met 2013 - waarin nog werd uitgegaan van uitvoering van het oorspronkelijke plan - óók al

kosten maakte ten behoeve van de herinvesteringsreserve. [appellante] legt niet uit waarom, en

zo ja in hoeverre, de accountantskosten in verband met de herinvesteringsreserve na 2013 te

wijten zouden zijn aan de omstandigheid dat het plan moest worden gewijzigd. Dat betekent

dat de vordering ter zake van de belastingschade zal worden afgewezen.”

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [appellante] ook zonder de wijziging van de plannen gebruik zou maken van de mogelijkheid van een herinvesteringsreserve en de in verband daarmee gemaakte accountantskosten kunnen niet als schade worden beschouwd als in dit geding bedoeld.

3.10

De rechtbank heeft de vordering ter zake van buitengerechtelijke incassokosten afgewezen omdat [appellante] daarvan geen deugdelijke verantwoording heeft afgelegd. In hoger beroep ontbreekt deze verantwoording nog steeds.

3.11

Met betrekking tot de nog niet door de rechtbank besliste schadeposten overweegt het hof als volgt.

D. De leges

Het oordeel van de rechtbank dat alleen daadwerkelijk betaalde leges voor vergoeding in aanmerking komen is op zichzelf juist. Het hof kan de stelling van [appellante] volgen dat kwijtschelding van eerder betaalde leges niet behoeft te betekenen dat ten aanzien van het nieuwe plan niet de volledige leges verschuldigd zijn, doch KBP is pas een schadeloosstelling verschuldigd als is komen vast te staan dat en in welke omvang [appellante] meer kosten heeft gehad dan zij had moeten betalen als het oorspronkelijke plan was doorgegaan.

E. De kosten van de landschappelijke inpassing

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het aan [appellante] is om hierover meer duidelijkheid te verschaffen.

F. Inkomensschade

De rechtbank heeft ook hier terecht overwogen dat nadere informatie noodzakelijk is.

3.12

Nu [appellante] geen grieven heeft aangevoerd met betrekking tot de posten E en F kunnen die posten in hoger beroep verder onbehandeld blijven. Daarover moet de rechtbank eerst oordelen. Wat post D betreft heeft [appellante] wel een grief (IV) aangevoerd. Naar het oordeel van het hof kan deze grief niet slagen omdat niet duidelijk is of de gemeente de kwijtschelding van leges uitsluitend beoogd heeft ten aanzien van de leges die betaald zijn ten behoeve van het oorspronkelijke plan. Daarom moet ook hierover eerst duidelijkheid worden gegeven voordat definitief over de hoogte van de legeskosten, die in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen, kan worden beslist.

3.13

[appellante] heeft geen feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, het hof tot een ander oordeel zouden kunnen brengen zodat op die grond aan haar bewijsaanbod wordt voorbijgegaan.

3.14.

Gezien artikel 355 Rv zal de zaak naar de rechter in eerste aanleg worden verwezen om de zaak voort te zetten ten aanzien van de schadeposten genoemd in 3.4. van het vonnis van 17 juli 2019 en daarop te beslissen.

3.15

[appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. Deze kosten worden begroot als volgt.

- griffierecht € 5.382,--

- salaris t. VII € 4.851,- x 2,5 € 12.127,50

Totaal: € 17.509,50

4 Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep,

bekrachtigt het vonnis van 17 juli 2019 voor zover daarbij de in 3.3. genoemde vorderingen van [appellante] zijn afgewezen ;

verwijst de zaak naar de rechter in eerste aanleg om daarop verder te beslissen;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot deze uitspraak aan de zijde van KBP begroot op € 17.509,50.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, E.J. van Sandick en R.F. Groos en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 augustus 2021.

griffier rolraadsheer