Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2484

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-08-2021
Datum publicatie
25-08-2021
Zaaknummer
200.284.236_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Curatele

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 5 augustus 2021

Zaaknummer: 200.284.236/01

Zaaknummer eerste aanleg: 8428971 TD VERZ 20-416

in de zaak in hoger beroep van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. M.F.J. Martens.

Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

- [dochter] , de dochter van [verzoeker] , hierna te noemen: [dochter] , advocaat mr. M. Warnink;

- [zoon] , de zoon van [verzoeker] , hierna te noemen [zoon] ;

- [de curator] B.V., de curator van [verzoeker] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 6 juli 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 oktober 2020, heeft [verzoeker] verzocht voormelde beschikking te vernietigen, met veroordeling van [dochter] en

de heer [betrokkene 1] in de kosten van deze procedure.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 22 december 2020, heeft [dochter] verzocht om [verzoeker] in zijn verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit verzoek als ongegrond en onbewezen af te wijzen, kosten rechtens.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 juli 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [verzoeker] , bijgestaan door mr. Martens;

  • -

    [dochter] , bijgestaan door mr. Warnink;

  • -

    [de curator] B.V. vertegenwoordigd door [medewerker 1] en [medewerker 2] .

2.3.1.

[zoon] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet naar de mondelinge behandeling gekomen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 24 juni 2020;

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van [verzoeker] d.d. 2 november 2020;

- de brief met bijlagen van de curator van 26 november 2020;

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van [verzoeker] d.d. 23 juni 2021;

- de door de advocaat van [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling overgelegde pleitnotities.

3 De beoordeling

3.1.

Bij beschikking van 27 maart 2020 heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant een provisioneel bewind ingesteld over [verzoeker] met benoeming van

[provisioneel bewindvoerder] tot provisioneel bewindvoerder.

3.2.

Bij beschikking van 9 april 2020 heeft de kantonrechter met ingang van 10 april 2020 [provisioneel bewindvoerder] ontslagen als provisioneel bewindvoerder en [medewerker 1] , vennoot van [de curator] als zodanig benoemd.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kantonrechter bepaald dat het ingestelde provisioneel bewind over [verzoeker] met ingang van

6 juli 2020 wordt omgezet in een ondercuratelestelling en [de curator] B.V. tot curator benoemd.

3.4.

[verzoeker] kan zich met deze beschikking niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

[verzoeker] voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - samengevat - het volgende aan.

Hij betwist dat er gronden zijn voor een ondercuratelestelling. [verzoeker] is zeer goed in staat zijn financiële belangen zelf te behartigen.

De ondercuratelestelling is aangevraagd door [dochter] en [betrokkene 1] nadat [verzoeker] samen met de notaris er achter was gekomen dat op onrechtmatige wijze € 63.000,- van de rekening van de overleden echtgenote van [verzoeker] was afgehaald door de familie [betrokkene 1] , de voormalige bewindvoerder van [verzoeker] ’ echtgenote. [verzoeker] betwist de overgelegde rekening en verantwoording over 2017 en de echtheid van de daarop gestelde handtekening van hem.

Er wordt op geen enkele manier financieel misbruik gemaakt van [verzoeker] door mevrouw [betrokkene 2] of mevrouw [betrokkene 3] . [verzoeker] heeft een bedrag van € 7.600,- geleend aan mevrouw [betrokkene 2] , maar dit geld zal hij in zijn geheel terugkrijgen. Ook heeft mevrouw [betrokkene 2] van [verzoeker] een machtiging gekregen voor zijn bankrekening. Zij heeft van deze machtiging nooit misbruik gemaakt. In de periode daarvóór had [dochter] een machtiging. Zij heeft ruim € 17.500,- van de rekening van [verzoeker] opgenomen.

[verzoeker] heeft zijn auto, die een beperkte waarde had, overgedaan aan een bekende van mevrouw [betrokkene 2] . Hij heeft met de nieuwe eigenaar afgesproken dat hij een beroep op haar kan doen wanneer hij vervoer nodig heeft. Soms betaalt hij een deel van de benzine.

3.6.

De curator brengt tijdens de mondelinge behandeling - samengevat - het volgende naar voren.

De opgelegde maatregel is noodzakelijk. [verzoeker] is niet in staat zelf zorg te dragen voor zijn financiële zaken. Er wordt financieel misbruik van [verzoeker] gemaakt. In 2016 bedroeg de verkoopopbrengst van de echtelijke woning € 70.482,17. Op 1 januari 2019 had [verzoeker] nog

maar € 10.000,- op zijn rekening staan. Bij aanvang van de curatele was er nog € 116,- aan vermogen. [verzoeker] kan zich niets herinneren van gedane uitgaven. Er is voor een bedrag van

€ 50.000,- aan contant geld gepind. Het is onduidelijk waar dit geld is gebleven.

[verzoeker] heeft niet-aangeboren hersenletsel. Hij krijgt thuiszorg. De curator heeft contact met de thuiszorg. De curator heeft ook aan de huisarts informatie gevraagd over de gezondheidssituatie van [verzoeker] , maar de huisarts houdt deze vragen af vanwege zijn plicht tot geheimhouding.

3.7.

[dochter] voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - samengevat - het volgende aan.

Zij schaart zich achter het standpunt van de curator.

De overboeking van het bedrag van in totaal € 63.000,-, dat toebehoorde aan de overleden echtgenote van [verzoeker] , naar de rekening van [betrokkene 1] in de loop van 2017 is in onderling overleg gegaan tussen de familie [betrokkene 1] , [dochter] en [verzoeker] . [verzoeker] vroeg toen al om hulp. Hij heeft [dochter] gemachtigd voor zijn bankrekening.

De financiële situatie van [verzoeker] is de afgelopen jaren zeer verslechterd. Blijkens de bankafschriften heeft mevrouw [betrokkene 2] aanzienlijke opnamen gedaan van de rekening van [verzoeker] en is er daarnaast door [verzoeker] een groot aantal uitgaven gedaan die hij zich niet kan herinneren.

[verzoeker] heeft in 2019 twee keer in het ziekenhuis gelegen, de ene keer voor een tia en de andere keer voor een hersenbloeding. Een aantal jaren daarvóór heeft [verzoeker] ook een tia gehad.

Toen [verzoeker] via zijn advocaat in februari 2020 om het geld vroeg dat oorspronkelijk aan de echtgenote van [verzoeker] had toebehoord, zagen [dochter] en de familie [betrokkene 1] het risico dat ook dat geld zou verdampen. Hierin hebben zij reden gezien om de ondercuratelestelling van [verzoeker] te verzoeken.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:378 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een meerderjarige door de rechter onder curatele worden gesteld wanneer hij tijdelijk of duurzaam zijn

belangen niet behoorlijk waarneemt of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt, als gevolg van:

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel;

b. gewoonte van drank- of drugsmisbruik,

en een voldoende behartiging van die belangen niet met een meer passende en minder verstrekkende voorziening kan worden bewerkstelligd.

3.8.2.

Het hof stelt voorop dat in deze procedure niet de vraag aan de orde is of het bewind en de nalatenschap van de overleden echtgenote van [verzoeker] behoorlijk is afgewikkeld.

Het hof dient de vraag te beantwoorden of er voldoende wettelijke gronden aanwezig zijn om [verzoeker] onder curatele te stellen. Deze vraag beantwoordt het hof bevestigend.

Als onweersproken staat vast dat er bij [verzoeker] sprake is van niet-aangeboren hersenletsel. Hij heeft veel hulp nodig en hij krijgt thuiszorg. Verder kan het hof uit de stellingen van de curator niet anders afleiden dan dat er financieel misbruik van [verzoeker] is gemaakt. De curator heeft onweersproken verklaard dat van het vermogen van [verzoeker] van ongeveer € 70.000,- in 2016 in maart 2020 nog € 116,- over was, terwijl [verzoeker] niet goed kan verklaren waaraan dit bedrag is besteed.

Voor het hof is gelet op het voorgaande voldoende aannemelijk dat [verzoeker] niet in staat is om

zelf zijn belangen behoorlijk waar te nemen. De curator moet [verzoeker] ondersteunen en bijstaan in zijn financiën en bij andere zaken. Het hof wil er de curator wel op wijzen dat zij ook op niet-vermogensrechtelijk gebied over de belangen van [verzoeker] moet waken en dat zij in contacten met artsen geen genoegen moet nemen met een afhoudende opstelling.

3.9.

Uit het voorgaande volgt dat de grieven van [verzoeker] niet slagen. Het hof zal de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

3.10.

Gezien de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 6 juli 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer;

compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, E.P. de Beij en

A.M. van Riemsdijk en is in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.