Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2480

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-08-2021
Datum publicatie
09-08-2021
Zaaknummer
20-002567-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verstek
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat indien en voor zover een eventuele onbekendheid bij de raadsman van de zittingsdatum te wijten is aan het feit dat hij – hoewel artikel 51 van het Wetboek van Strafvordering formeel wel is nageleefd – geen afschrift van de appeldagvaarding heeft ontvangen omdat deze op het “oude” kantooradres is bezorgd, het een omstandigheid betreft die voor rekening van de verdachte en diens raadsman komt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 51
Wetboek van Strafrecht 9a
Wetboek van Strafrecht 266
Wetboek van Strafrecht 267
Wetboek van Strafrecht 180
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002567-20

Uitspraak : 5 augustus 2021

VERSTEK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 november 2020, parketnummer 02-075605-17 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 02-800224-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met inbegrip van de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging onder parketnummer 0280022416, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de strafmotivering en met dien verstande dat het vonnis wordt aangevuld met een overweging aangaande het aanwezigheidsrecht.

Aanwezigheidsrecht

Het hof overweegt ambtshalve het volgende.

Zowel de verdachte als diens raadsman zijn ter terechtzitting van 22 juli 2021, op welke zitting de onderhavige zaak inhoudelijk is behandeld, niet verschenen.

Het hof heeft ter terechtzitting vastgesteld dat de verdachte op rechtsgeldige wijze is gedagvaard, nu uit de akte van betekening blijkt dat de appeldagvaarding op 2 juni 2021 aan een huisgenoot van de verdachte op het van hem, verdachte, geregistreerde BRP adres is uitgereikt. Daarnaast heeft het hof ter terechtzitting vastgesteld dat de raadsman zich op 31 maart 2021 in deze zaak heeft gesteld, dat hij op 25 mei 2021 ervan in kennis is gesteld dat op 22 juli 2021 de inhoudelijke behandeling van de onderhavige strafzaak gepland stond en dat de raadsman zonder opgaaf van verhindering of andere redenen niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen.

Uit een door het hof verzochte controle van de advocaat-generaal in de verwijsindex personen (VIP) is gebleken dat de verdachte thans niet gedetineerd is. Het hof heeft ter terechtzitting uit deze feiten en omstandigheden de conclusie getrokken dat bij gebreke van aanwijzingen van het tegendeel ervan mag worden uitgegaan dat de verdachte kennelijk vrijwillig geen gebruik heeft willen maken van diens aanwezigheidsrecht en daarvan afstand heeft gedaan. Namens de verdachte is zonder opgaaf van bericht zijn raadsman evenmin ter terechtzitting verschenen om de verdachte ofwel in zijn afwezigheid op tegenspraak te doen berechten ofwel om aanhouding van de behandeling van de zaak te verzoeken om bijvoorbeeld het aanwezigheidsrecht te kunnen verzekeren. Telefonisch vervolgens ingewonnen inlichtingen bij het kantoor van de raadsman leerde bij monde van de secretaresse niet meer dan dat de onderhavige zaak “niet in de agenda van [raadsman] stond”. Het hof heeft daarop, op vordering van de advocaat-generaal, verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte en bevolen dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan. Het hof heeft, na behandeling van de zaak, het onderzoek ter terechtzitting op 22 juli 2021 gesloten.

Tijdens de beraadslagingen heeft het hof echter een discrepantie in de adresgegevens van de raadsman opgemerkt, die het hof ambtshalve ertoe heeft gebracht om te bezien of er een gebrek kleeft aan de wijze waarop de raadsman van de datum van de behandeling van de strafzaak in kennis is gesteld.

De kennisgeving aan de raadsman in hoger beroep is verstuurd naar [postbus te Goirle] . In de stelbrief van de raadsman staat het volgende adres vermeld: [adres te Goirle] . Aan voornoemd postbus en adres is [advocatenkantoor 1] verbonden. Het hof heeft uit openbare bron afgeleid dat [advocatenkantoor 1] en [advocatenkantoor 2] per 1 november 2020 zijn gefuseerd tot [advocatenkantoor 3] . Per 12 juli 2021 wordt er gewerkt vanuit het kantoor aan de [adres te Tilburg] . Op 25 mei 2021 is de kennisgeving van de raadsman door het Openbaar Ministerie verstuurd naar de adresgegevens zoals die op dat moment bekend waren in het Landelijk Advocaten Tableau (LAT). Het hof is van oordeel dat de raadsman, met het oog op zijn bevoegdheid ex artikel 51 van het Wetboek van Strafvordering en opdat de Staat op behoorlijke wijze aan zijn verplichtingen kan voldoen, verantwoordelijk is voor een juiste registratie van zijn adresgegevens. Indien de adresgegevens van de raadsman wijzigen, is het dus aan de raadsman om ervoor te zorgen dat zijn actuele adresgegevens in het LAT staan. Indien en voor zover dus een eventuele onbekendheid bij de raadsman van de zittingsdatum van 22 juli 2021 te wijten is aan het feit dat hij – hoewel artikel 51 van het Wetboek van Strafvordering formeel wel is nageleefd – geen afschrift van de appeldagvaarding heeft ontvangen omdat deze op het “oude” kantooradres is bezorgd, dan betreft dat een voor rekening van de verdachte en diens raadsman komende omstandigheid.

Dat brengt mee dat thans moet worden vastgesteld dat de raadsman van de verdachte op 25 mei 2021 op rechtsgeldige wijze in kennis is gesteld van de behandeling van de onderhavige zaak in hoger beroep en dat door de raadsman geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht die maken dat in verband met het aanwezigheidsrecht van de verdachte en/of zijn belang bij een procedure op tegenspraak het onderzoek in de zaak zou moeten worden heropend en zou moeten worden geschorst tot een nader te bepalen terechtzitting.

Ook overigens mag de raadsman van de verdachte geacht worden op de hoogte te zijn (geweest) van de dienende dag in hoger beroep, nu het dossier in de onderhavige strafzaak een digitaal dossier betreft dat via het advocatenportaal voor de raadsman beschikbaar was, en in dit portaal de kennisgeving van de zitting van 22 juli 2021 is opgenomen.

Geen straf of maatregel

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte – conform het vonnis van de politierechter – een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week zal worden opgelegd.

Het oordeel van het hof

Het hof heeft bij de na te melden beslissing gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging en wederspannigheid, waardoor de verbalisanten in hun eer en goede naam werden aangetast en zij werden belemmerd hun werk te doen.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het de verdachte betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 25 mei 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om de onderhavige feiten te plegen.

Het hof houdt daarnaast – in het voordeel van de verdachte – rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM.

Op grond van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan het hof tot een bewezenverklaring komen zonder oplegging van een straf of maatregel. Het hof heeft gelet op de omstandigheden van het geval, in die zin dat ter terechtzitting van 5 juli 2017 de onderhavige zaak is aangehouden om deze gelijktijdig met een andere zaak tegen verdachte (onder parketnummer 02-800428-17) op zitting aan te brengen. Dit is uiteindelijk – om onbekende redenen – niet gebeurd. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 27 november 2017 onder andere ter zake van het onder parketnummer 02-800428-17 tenlastegelegde aan de verdachte de voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd. Indien de onderhavige zaak wel gelijktijdig was aangebracht met de zaak onder parketnummer 02-800428-17, zou de voorwaardelijke ISD-maatregel ook ter zake van de onderhavige zaak zijn opgelegd.

Voorts heeft het hof de geringe ernst van het feit en de overschrijding van de redelijke termijn in aanmerking genomen. Het hof is van oordeel dat met het opleggen van een straf of maatregel thans geen redelijk strafdoel meer is gediend.

Hoewel de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte in beginsel het opleggen van een straf rechtvaardigen, zal het hof dit in het licht van het voorgaande achterwege laten. Het hof acht het – alles overwegende – raadzaam te bepalen dat aan de verdachte met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 63, 180, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Bepaalt dat ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inbegrip van de beslissing tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 juli 2016, parketnummer 02-800224-16, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Aldus gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. S. Riemens en mr. Ch.N.G.M. Starmans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.G. Gersen, griffier,

en op 5 augustus 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Scheele is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.