Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2478

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
06-08-2021
Zaaknummer
200.278.103_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2020:1000
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:7644
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkenheid bij mishandeling en causaal verband met schade niet bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0654
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.278.103/01

arrest van 3 augustus 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. G.J.L.F.M. Schakenraad te Eindhoven,

niet verschenen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.M. van der Marel te Eindhoven,

op het bij dagvaardingsexploot van 23 april 2020 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen vonnissen van 27 maart 2019, 18 december 2019 en 12 februari 2020 tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (nummer C/01/342027/HA ZA 19-27)

Hiervoor verwijst het hof naar de voornoemde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het voornoemde dagvaardingsexploot van [appellant] met grieven en producties;

- de memorie van antwoord van [geïntimeerde] .

2.2

Na gevraagd arrest heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de voornoemde stukken en die van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

Beknopt feitenoverzicht

3.1

In dit geding gaat het in de kern om het volgende.

Op carnavalszaterdag in februari 2012 is [appellant] naar de feesttent in [plaats] gegaan om samen met vrienden en vriendinnen Carnaval te vieren. Toen de feesttent op zondagochtend rond 1.00 uur ging sluiten en [appellant] met zijn vriend [vriend van appellant] (hierna: [vriend van appellant]) naar huis liep, heeft [geïntimeerde] op of nabij de [straatnaam] [appellant] ten minste één klap tegen het hoofd gegeven.

Omdat [appellant] die nacht slachtoffer is geworden van mishandeling heeft een ambulance [appellant] naar het Sint Anna Ziekenhuis in [plaats] gebracht.

Relevante vordering(en) en beslissingen uit de eerste aanleg

3.2

In dit met de dagvaarding van 18 december 2018 ingeleide geding heeft [appellant] in eerste aanleg in hoofdlijn gevorderd dat:

I. zal worden verklaard voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade als gevolg van zijn eigen onrechtmatig handelen en als onderdeel van de groep die [appellant] heeft mishandeld;

II. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot betaling van € 37.764,36 voor materiële schade en € 6.000,-- voor immateriële schade, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

3.3

Bij het beroepen tussenvonnis van 27 maart 2019 heeft de rechtbank een comparitiezitting gelast.

3.4

Bij het beroepen tussenvonnis van 18 december 2019 heeft de rechtbank [appellant] opgedragen te bewijzen dat hij in de nacht van 18 op 19 februari 2012 is geslagen door twee als eskimo verklede personen, waaronder [geïntimeerde] , en dat hij daarnaast ook is geschopt en getrapt door [geïntimeerde] .

3.5

Zonder dat bewijs was ingebracht althans was toegelaten, heeft de rechtbank bij het beroepen eindvonnis van 12 februari 2012 de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten met wettelijke rente en met nakosten

Vordering(en) in hoger beroep

3.6

In beroep formuleert [appellant] drie grieven en concludeert [appellant] in de kern dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en zijn (in rov 3.2 genoemde) vorderingen I. en II. alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het beroep.

3.7

Onder weerspreking van het beroep concludeert [geïntimeerde] in hoofdlijnen dat het hof de beroepen vonnissen niet zal vernietigen.

Geschil en partijdebat in beroep

3.8

Reeds omdat volgens artikel 131 Rv tegen een comparitievonnis na antwoord geen hogere voorziening openstaat, zal het hof [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep van het tussenvonnis van 27 maart 2019.

3.9

Bij gebreke van een daartegen gerichte grief zal het hof [appellant] ook niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep van het tussenvonnis van 18 december 2019.

3.10

Met grief 1 betoogt [appellant] dat onder het beschreven procesverloop in rov. 1.1 van het beroepen eindvonnis ten onrechte niet is opgenomen dat de rechtbank op 22 januari 2020 zijn akte overlegging producties (met productie 8) heeft geweigerd en dat die weigering op onjuiste gronden was gebaseerd.

Het hof overweegt dat deze grief tot niets kan leiden. Het hoger beroep dient immers niet alleen ter controle op door de rechtbank gegeven beslissingen, maar ook ter verkrijging van een hernieuwde (actuele) beoordeling van de zaak. Ook biedt het hoger beroep partijen een mogelijkheid om in eerste aanleg gemaakte fouten of onvolkomenheden te herstellen en/of om in eerste aanleg verwoorde standpunten of (grondslag van) vorderingen te wijzigen of aan te vullen. Zelfs als de grief terecht is voorgesteld, heeft [appellant] in beroep inmiddels voldoende gelegenheid gehad om dat in eerste aanleg geweigerde stuk alsnog in te brengen en/of desgewenst (ook nog) andere stukken te overleggen. Grief 1 treft dus geen doel.

3.11

Met grief 2 komt [appellant] op tegen rov. 2.2 van het beroepen eindvonnis die inhoudt dat de rechtbank de op groepsaansprakelijkheid gebaseerde vordering moet afwijzen. Met grief 3 keert [appellant] zich tegen de beslissing van de rechtbank in rov. 2.5 van het beroepen eindvonnis dat het causale verband tussen de door [geïntimeerde] gegeven klap en het letsel van [appellant] onvoldoende vast staat en betoogt [appellant] dat de rechtbank het in artikel 6:99 BW neergelegde leerstuk van de alternatieve causaliteit miskent. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.12

[appellant] legt aan zijn vorderingen I. en II. in de kern ten grondslag dat [geïntimeerde] hem heeft mishandeld althans dat [geïntimeerde] deel uitmaakte van de groep die hem heeft mishandeld. [appellant] licht toe dat hij op zaterdagavond 18 februari 2012 omstreeks 21.30 uur gekleed in een cowboypak met vrienden en vriendinnen naar de feesttent in [plaats] is gegaan om Carnaval te vieren. Toen de feesttent op zondag 19 februari 2012 rond 1.00 uur ging sluiten en de vriendengroep naar de woning van [appellant] zou lopen om daar samen nog wat te gaan eten, hebben [appellant] en zijn als playbunny verklede vriend [vriend van appellant] zich om een gevallen fietser bekommerd en daardoor de aansluiting bij hun vriendengroep verloren. Toen [appellant] na dat incident met [vriend van appellant] verder ging lopen, zag hij drie personen uit de richting van de café’s komen, van wie er één verkleed was als piraat. Nadat die als piraat verklede persoon hem zonder enige aanleiding tegen zijn bovenbeen was gaan schoppen, zegt [appellant] die persoon te hebben vastgegrepen, waarna zij allebei op de grond vielen. Volgens [appellant] zag hij daarna nog twee als eskimo/sneeuwvlokje (hierna: eskimo) verklede personen aan komen rennen, onder wie [geïntimeerde] , die hem vervolgens meermalen hebben geslagen en geschopt. [appellant] stelt door de mishandeling zwaar lichamelijk letsel en andere klachten te hebben opgelopen en daardoor materiële en immateriële schade te lijden.

3.13

[geïntimeerde] voert verweer en ontkent dat hij [appellant] als onderdeel van een groep althans individueel (mede) heeft mishandeld. [geïntimeerde] licht toe dat hij hooguit behoorde tot een groep van destijds verklede eskimo’s, maar niet tot het groepje van de hem destijds onbekende vijf personen die hij in de bewuste nacht tegenkwam toen hij alleen buiten liep. Omdat de van die groep van vijf deel uitmakende [appellant] hem uitschold voor kankerkind, zegt [geïntimeerde] naar hem te zijn toegelopen en hem één klap te hebben gegeven. Volgens [geïntimeerde] is hij daarna ook alleen doorgelopen, maar ontstond er vervolgens ruzie en een vechtpartij binnen de groep van vijf waarbij drie personen begonnen te slaan en te schoppen naar de andere twee personen.

Volgens [geïntimeerde] mag [appellant] hem niet aansprakelijk houden voor het door anderen veroorzaakte letsel. Volgens [geïntimeerde] blijkt niet welk letsel [appellant] door zijn enkele klap heeft opgelopen. [geïntimeerde] weerspreekt niet alleen de gestelde schade (mede) te hebben veroorzaakt, maar ook de opgevoerde schadeposten zelf en de hoogte ervan. Bovendien zou [appellant] zelf zijn schadebeperkingsplicht hebben geschonden en zou ook de eigen schuld van [appellant] verdisconteerd moeten worden.

3.14

Het hof overweegt dat als onbestreden ook in dit beroep tot uitgangspunt dient het in rov. 2.9 van het tussenvonnis van 18 december 2019 gegeven rechtbankoordeel dat [appellant] voor de groepsaansprakelijkheid en de beoordeling van het causaal verband tussen het handelen van [geïntimeerde] en het gestelde letsel en de klachten, moet bewijzen dat [appellant] in de nacht van 18 februari op 19 februari 2012 is geslagen door twee als eskimo verklede personen, waaronder [geïntimeerde] , en dat [appellant] daarnaast ook is geslagen en getrapt door [geïntimeerde] .

3.15

Aan dit uitgangspunt doet niet af dat [geïntimeerde] voor zijn gedrag in de bewuste nacht een strafbeschikking met een hem opgelegde taakstraf van 20 uren heeft aanvaard en heeft erkend dat hij [appellant] zelf één klap heeft gegeven. Anders dan [appellant] suggereert, heeft [geïntimeerde] hiermee nog niet erkend dat hij een bijdrage heeft geleverd aan de gedragingen in groepsverband die het gevaar voor toebrenging van schade hebben doen ontstaan. Van een gerechtelijke erkentenis in de zin van artikel 154 Rv die [geïntimeerde] voor het vervolg van dit geding (ook in beroep) bindt, is hier al helemaal geen sprake.

3.16

Ook de door [appellant] ingeroepen alternatieve causaliteit kan aan dit uitgangspunt niet afdoen. [appellant] beroept zich in dit verband met name op het feit dat [geïntimeerde] hem ten minste één klap tegen het hoofd heeft gegeven, in combinatie met de op 16 januari 2020 gedateerde schriftelijke verklaring van medisch adviseur [medisch adviseur] dat, samengevat, de klachten en verschijnselen van [appellant] het gevolg kunnen zijn van schedelletsel dat door een aanzienlijke geweldsinwerking op de aangezichtsschedel zoals een klap, kan zijn veroorzaakt. Reeds nu hieruit nog niet althans onvoldoende duidelijk wordt dat een enkele door [geïntimeerde] gegeven klap tegen het hoofd hier (mede) heeft bijgedragen aan het bedoelde schedelletsel bij [geïntimeerde] , kan het hof [appellant] hierin niet volgen.

3.17

Ook de door [appellant] ingeroepen omstandigheid dat [geïntimeerde] tijdens Carnaval 2012 deel uitmaakte van een groep als eskimo’s verklede personen die jaren later nog steeds als een groep blijkt op te trekken, doet aan dit uitgangspunt niet af. Deze door [appellant] ingeroepen omstandigheid levert bovendien nog geen bewijs van enig handelen in groepsverband of van ieders betrokkenheid bij de mishandeling van [appellant] op zondag 19 februari 2012 rond 2.00 uur.

3.18

Uitgangspunt blijft dus dat [appellant] voor de groepsaansprakelijkheid en de beoordeling van het causaal verband tussen het handelen van [geïntimeerde] en het gestelde letsel en de klachten moet bewijzen dat [appellant] in de nacht van 18 februari op 19 februari 2012 is geslagen door twee als eskimo verklede personen, waaronder [geïntimeerde] , en dat [appellant] daarnaast ook is geslagen en getrapt door [geïntimeerde] .

Met het oog op die bewijslevering beroept [appellant] zich op de bijzondere bewijskracht van door een politiefunctionaris ambtsedig vastgelegde verklaringen van gehoorde personen, onder wie met name [appellant] , [vriend van appellant] en [geïntimeerde] . Anders dan [appellant] veronderstelt, komt de bedoelde bewijskracht echter alleen toe aan de door de politiefunctionaris onder ambtseed beschreven waarneming(en) dat de gehoorde personen de weergegeven verklaringen hebben afgelegd, niet aan de verklaringen van de gehoorde personen zelf.

Ook kent [appellant] ten onrechte bijzondere bewijskracht toe aan de door [geïntimeerde] aanvaarde strafbeschikking met een hem opgelegde taakstraf van 20 uren.

Aan zowel die door de politiefunctionaris vastgelegde verklaringen van de gehoorde personen als die door [geïntimeerde] aanvaarde strafbeschikking, komt vrije bewijskracht toe waarvan de bewijswaardering aan de rechter is.

3.19

Hoewel de rechtbank het bewijs van de gestelde (te bewijzen opgedragen) feitelijke toedracht niet geleverd heeft geacht, brengt [appellant] in beroep nauwelijks relevante aanvullende bewijsmiddelen bij. Het blijft met name bij de verklaringen die bij de politie zijn afgelegd door [appellant] op 19 februari 2012, [vriend van appellant] op 21 februari 2012, [geïntimeerde] op 6 maart 2012, [naam 1] op 6 maart 2012, [naam 2] op 6 maart 2012 en [naam 3] op 6 maart 2012. Alleen de bedoelde verklaringen van [appellant] , [vriend van appellant] en [geïntimeerde] hebben echter betrekking op een in de bewuste nacht waargenomen vechtpartij. Blijkens hun verklaringen waren [appellant] en [vriend van appellant] daarin met drie anderen betrokken, maar wie de andere drie betrokkenen waren en wat er toen precies is gebeurd is, blijft (te) onduidelijk. Ook de rol en betrokkenheid van [geïntimeerde] daarbij blijkt niet althans onvoldoende. Het enige wat vast staat is dat [geïntimeerde] in de bewuste nacht ten minste één klap tegen het hoofd van [appellant] heeft gegeven, maar ook het hof oordeelt dat onvoldoende om het aan [appellant] opgedragen bewijs geleverd te achten.

De verder nog ingebrachte medische informatie van met name neuroloog [neuroloog] van 12 december 2012, huisarts [huisarts] van 25 februari 2013 en psycholoog [psycholoog] draagt ook niet of nauwelijks bij aan het opgedragen bewijs dat [appellant] in de nacht van 18 februari op 19 februari 2012 is geslagen door twee als eskimo verklede personen, waaronder [geïntimeerde] , en dat [appellant] daarnaast ook is geslagen en getrapt door [geïntimeerde] . Ook de grieven 2 en 3 treffen dus uiteindelijk geen doel

3.20

Het hof passeert het in beroep gedane bewijsaanbod van [appellant] . Niet alleen verduidelijkt [appellant] onvoldoende (dat en) in hoeverre hij in aanvulling op al ingebrachte bewijsmiddelen nog aanvullend bewijs denkt te kunnen bijbrengen, maar ook maakt [appellant] onvoldoende duidelijk welke (voor bewijs vatbare) feiten het concreet betreft. Verder betreft het een (te) vaag gesuggereerde deskundigeninbreng, waarvoor [appellant] bovendien inmiddels al voldoende gelegenheid gehad om dat zelf zo nodig -in aanvulling op overigens al ingebrachte stukken- te laten opmaken en in te brengen.

Slotsom

3.21

Alles bij elkaar concludeert het hof dat het hoger beroep niet slaagt. Het hof zal [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep van de beide beroepen tussenvonnissen en het beroepen eindvonnis bekrachtigen. Wat partijen verder nog aanvoeren, kan hieraan niet afdoen. Het hof zal de overwegend in het ongelijk te stellen [appellant] in de proceskosten van het beroep veroordelen.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van de tussenvonnissen van 27 maart 2019 en 18 december 2019;

bekrachtigt het beroepen eindvonnis van 12 februari 2020;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] van het hoger beroep en begroot die kosten tot op heden op € 760,-- aan griffierecht en op € 2.031,-- aan salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders in beroep gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, L.S. Frakes en J.G.J. Rinkes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 augustus 2021.

griffier rolraadsheer