Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:247

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-01-2021
Datum publicatie
04-02-2021
Zaaknummer
200.275.819_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 28 januari 2021

Zaaknummer: 200.275.819/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/259327 / FA RK 19-140

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. N. Türkkol,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M. Yigitdol.

Deze zaak gaat over [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 24 december 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 maart 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking voor zover betrekking hebbende op het hoofdverblijf van [minderjarige 1] te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de moeder zal zijn, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 14 mei 2020, heeft de vader verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel dit beroep af te wijzen als ongegrond, onbewezen en/of niet steunend op de wet en voormelde beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de moeder in de kosten van deze procedure.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 december 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Türkkol;

  • -

    mr. Yigitdol namens de vader;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2.4.

Het hof heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 9 november 2020. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het van de zijde van de vader op 1 april 2020 ingekomen stuk;

  • -

    de van de zijde van de moeder op 10 april 2020 ingekomen stukken.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] , op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit. Ingevolge de bestreden beschikking heeft [minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 31 januari 2020 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vader zal zijn.

3.3.

De moeder kan zich met deze beslissing wat betreft de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.

De dreiging vanuit de vader naar de moeder en haar familie is nog altijd aanwezig. Tijdens het verblijf van de moeder in de opvang heeft zij geen last meer van de vader gehad. De moeder hoopt dat het rustig blijft doordat de vader een nieuwe relatie heeft. De moeder heeft inmiddels woonruimte. Op advies van de politie is het adres nog geheim. Zodra alles goed geregeld is, mag de vader het adres weten, hetgeen ook nodig is voor de omgang. De huidige situatie en het opdelen van de kinderen is niet in het belang van de kinderen. De omgang verloopt wel goed, alleen onderneemt de vader geen activiteiten met de kinderen.

Tijdens het raadsonderzoek hebben de kinderen weliswaar verklaard dat zij willen blijven wonen waar zij nu wonen, maar [minderjarige 1] heeft dit gedaan om de moeder en [minderjarige 2] te beschermen. Zij heeft zichzelf opgeofferd en geeft haar eigen mening niet. [minderjarige 1] wil graag met het hof komen praten en de brief aan het hof is niet door [minderjarige 1] geschreven. Zij is makkelijk manipuleerbaar, zij laat over zich heenlopen en zij spreekt de vader niet snel tegen. [minderjarige 1] wordt voortdurend geconfronteerd met een alcoholische vader die niet goed voor zichzelf zorgt. Zij doet de huishouding, zorgt voor de vader en voelt zich verantwoordelijk voor hem, terwijl [minderjarige 1] kind moet kunnen zijn. De school maakt(e) zich zorgen over [minderjarige 1] . De moeder heeft nu van de docenten van [minderjarige 1] begrepen dat het goed gaat met [minderjarige 1] op school.

3.5.

De vader voert, kort samengevat, het volgende aan.

De door de moeder gesuggereerde dreigementen en alcoholproblemen zijn door de raad onderzocht en door de rechtbank afgewogen en hebben niet tot de conclusie geleid dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijf niet bij de vader kan hebben. De vader betwist de aantijgingen van de moeder. De wisselmomenten bij de opvang zijn goed verlopen en er zijn geen dreigementen door de vader geuit. De vader heeft een nieuwe relatie en geen enkele band meer met de moeder. De omgang verloopt goed. De ouders zetten zich er voor in dat de kinderen elkaar en de andere ouder regelmatig zien.

Beide kinderen hebben aangegeven zich te kunnen vinden in de huidige situatie. Er zijn geen indicaties dat de relatie tussen de vader en [minderjarige 1] problematisch verloopt. [minderjarige 1] verblijft uit vrije wil bij de vader. Zij vindt het fijn om haar hoofdverblijf bij de vader te hebben. Tijdens het huwelijk had zij al een betere band met de vader. De raad heeft ook uitvoerig onderzoek verricht en één op één met [minderjarige 1] gesproken. [minderjarige 1] verblijft in een stabiele situatie bij de vader en dit duurt al geruime tijd. De vader is in staat om voor [minderjarige 1] te zorgen en haar op te voeden. Bij de vader is geen sprake meer van een alcoholprobleem. [minderjarige 1] helpt bij het huishouden maar het is niet zo dat zij alle huishoudelijke taken verricht. Bij de vader komt nog hulpverlening vanuit Nova Curae.

3.6.

De raad brengt, kort samengevat, het volgende naar voren.

Tijdens het raadsonderzoek is met [minderjarige 1] op school, derhalve op een neutrale plek, gesproken. [minderjarige 1] kiest voor haar vader, haar omgeving en haar vrienden. Dat is op haar leeftijd heel belangrijk. De keuze van [minderjarige 1] is te volgen en zij heeft die niet roekeloos gemaakt. Zij spreekt ook uit dat zij [minderjarige 2] mist, maar zij heeft daarin een afweging gemaakt. Het lijkt derhalve de keuze van [minderjarige 1] zelf te zijn. Daarbij stelt het de raad gerust dat er nog hulpverlening van Nova Curae bij de vader is, zowel voor de opvoedvaardigheden van de vader, maar ook voor [minderjarige 1] . Het is heel positief dat de omgang en de vakantieregeling goed loopt.

Voor de raad bestaat er geen aanleiding het hoofdverblijf opnieuw te bekijken omdat het goed gaat. De ouders zouden met elkaar in gesprek moeten gaan en hun communicatie moeten verbeteren, zodat de communicatie niet via de kinderen verloopt. Dat zou het voor [minderjarige 1] gemakkelijker maken.

3.7.

Het hof overweegt als volgt.

3.7.1.

Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Het hof is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, met de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft.

3.7.2.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.7.3.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof – na eigen beoordeling en waardering – overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de vader het meest in haar belang is. In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende.

3.7.4.

In hetgeen de moeder naar voren heeft gebracht ziet het hof, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vader, geen aanleiding om aan te nemen dat het niet de wens van [minderjarige 1] zelf is om haar hoofdverblijfplaats bij de vader te hebben. Buiten de blote stelling van de moeder, blijkt nergens uit dat [minderjarige 1] het anders zou willen. Ook tijdens het raadsonderzoek, waarbij [minderjarige 1] op een neutrale plek één op één met de raadsonderzoeker heeft gesproken, heeft zij deze wens geuit. Zoals ook de raad aangeeft, is de keuze van [minderjarige 1] , waarbij zij voor haar omgeving en sociale contacten kiest, ook heel begrijpelijk gelet op haar leeftijd. [minderjarige 1] lijkt een weloverwogen keuze te hebben gemaakt, nu zij het feit dat zij [minderjarige 2] hierdoor minder zal zien in haar beslissing heeft betrokken en zij bijna een jaar na de bestreden beslissing nog altijd achter haar keuze staat.

3.7.5.

Dat de situatie bij de vader niet in het belang van [minderjarige 1] zou zijn, heeft de moeder niet aannemelijk gemaakt. Daarbij laat de moeder [minderjarige 2] ook naar de vader gaan en geeft zij aan dat zij sinds haar verblijf in de opvang geen last meer van de vader heeft gehad. De stelling van de moeder dat [minderjarige 1] de zorg voor de vader en het huishouden op zich neemt, is door de vader voldoende gemotiveerd weersproken. Dat [minderjarige 1] meehelpt in het huishouden acht het hof niet in strijd met haar belangen. Mocht bij de vader nog sprake zijn van een alcoholprobleem dan is dit door de raad al meegenomen in zijn onderzoek. Daarbij komt er hulpverlening vanuit Nova Curae bij de vader thuis en gaat [minderjarige 1] naar school. Zowel Nova Curae als school hebben geen zorgen geuit en ook overigens is daarvan niet gebleken. Op school gaat het goed met [minderjarige 1] , hetgeen ook de moeder tijdens de mondelinge behandeling heeft erkend. Verder geeft de moeder aan dat de omgang goed verloopt.

3.7.6.

Het hof acht het heel positief dat de ouders [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de ruimte geven om elkaar en de andere ouder regelmatig te kunnen zien. Wel geeft het hof partijen nog in overweging om in het belang van de kinderen, zoals ook de raad aangeeft, wellicht met behulp van professionele begeleiding, te gaan werken aan het verbeteren van hun onderlinge communicatie als ouders.

3.8.

Het door de moeder gedane bewijsaanbod passeert het hof als onvoldoende gespecificeerd nu zij slechts in algemene bewoordingen bewijs van haar stellingen heeft aangeboden.

3.9.

Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

3.10.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 24 december 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, H. van Winkel en M.I. Peereboom-van Drunick en is op 28 januari 2021 uitgesproken door mr. E.A.M. Scheij in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.