Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2462

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-08-2021
Datum publicatie
03-08-2021
Zaaknummer
20-000350-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:295, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

(partiele) bevestiging van het vonnis van de rechtbank waarbij de verdachte is veroordeeld wegens doodslag op haar partner tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van voorarrest.

verweren noodweer(exces) ook in hoger beroep verworpen.

andere beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000350-18

Uitspraak : 3 augustus 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie

’s-Hertogenbosch, van 22 januari 2018, in de strafzaak met parketnummer 01-865051-16 tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

thans verblijvende in PI Zuid Oost - HvB Ter Peel Evertsoord te Evertsoord.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het impliciet primair tenlastegelegde (moord) en ter zake het impliciet subsidiair tenlastegelegde, gekwalificeerd als doodslag, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van voorarrest.

Tevens is beslist op de vordering van de benadeelde partij. De vordering is toegewezen tot een bedrag van € 148,95, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De vordering is voor het overige afgewezen en verdachte is in de proceskosten veroordeeld.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, behoudens de opgelegde gevangenisstraf en opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, die in hoger beroep haar oorspronkelijke vordering heeft gehandhaafd, heeft de advocaat-generaal gevorderd deze conform de beslissing van de rechtbank toe te wijzen tot een bedrag van € 148,95, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Door en namens de verdachte is vrijspraak bepleit van de impliciet primair tenlastegelegde moord en geen verweer gevoerd ten aanzien van de bewezenverklaring van het impliciet subsidiair tenlastegelegde, door de rechtbank gekwalificeerd als doodslag. De verdachte heeft ten aanzien van dit feit in eerste aanleg een bekennende verklaring afgelegd, welke verklaring zij in hoger beroep heeft bevestigd.

Zijdens de verdachte is verweer gevoerd betrekking hebbend op de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de verdachte. De verdediging heeft bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat haar primair een beroep op noodweer, subsidiair noodweerexces, toekomt. Meer subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging primair bepleit, gezien het gevoerde verweer tot ontslag van alle rechtsvervolging, deze niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met verbetering van de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de door de eerste rechter aangehaalde wetsartikelen.

Na te melden overwegingen stelt het hof in de plaats van de overwegingen in het vonnis van de rechtbank onder “De strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de dader” (pagina’s 3 t/m 9) en “Oplegging van straf” (pagina’s 10-11).

Voorts heeft de rechtbank nagelaten te beslissen ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen. Het hof zal dienaangaande beslissen als na te melden.

De strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de verdachte

Zijdens verdachte is, net als in eerste aanleg, ook in hoger beroep verweer gevoerd ten aanzien van de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de verdachte.

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er sprake was van een noodweersituatie als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte werd in de nacht van 4 mei 2016 door het latere slachtoffer gewurgd, waardoor zij geen lucht meer kreeg. Tegen deze ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de zijde van het slachtoffer heeft de verdachte zich mogen verdedigen en derhalve komt haar een beroep op noodweer toe. Subsidiair doet de verdediging een beroep op noodweerexces.

Verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het in eerste aanleg gevoerde verweer dat de verdachte zich meer subsidiair zou kunnen beroepen op psychische overmacht is door de verdediging in hoger beroep uitdrukkelijk niet gehandhaafd.

Bespreking van het verweer

Voor een gerechtvaardigd beroep op noodweer is vereist dat de verdedigingshandelingen door de verdachte, in de onderhavige zaak bestaande uit het slaan met een hamer tegen het hoofd, hals, borst en been van het slachtoffer, gericht is geweest tegen een "ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding" door het slachtoffer.

Ter onderbouwing van het verweer is door de verdediging het navolgende aangevoerd.

In de nacht van 4 mei 2016 sliep de verdachte op de bank in de woonkamer van de woning aan [adres 1] in Helmond. Zij en haar partner, het latere slachtoffer [slachtoffer] , sliepen al enige tijd apart en [slachtoffer] bevond zich die nacht boven in de slaapkamer. Het kwam geregeld voor dat het slachtoffer op de grond bonkte om de verdachte te roepen, omdat hij iets van haar wilde. Kennelijk had het slachtoffer die nacht ook op de grond gebonkt, maar de verdachte had dit niet gehoord. Het slachtoffer is toen naar beneden gekomen. De verdachte werd wakker omdat het slachtoffer met zijn vuist op haar hoofd sloeg. Hij zei tegen de verdachte dat hij een joint wilde en dat ze iets te drinken voor hem moest pakken. Het slachtoffer is toen weer naar boven gegaan. De verdachte heeft uit de keuken een blikje fris gepakt en is toen ook naar boven gegaan om een joint voor het slachtoffer te draaien. Tijdens het draaien van de joint zat de verdachte op de bedrand en het slachtoffer zat of lag naast haar op het bed televisie te kijken.

De verdachte stelt dat er vervolgens ruzie is ontstaan omdat zij volgens het slachtoffer niet reageerde op zijn gebonk en vervolgens niet snel genoeg was met het draaien van de joint. Daarbij heeft het slachtoffer met zijn arm de verdachte bij haar nek gepakt, in een soort van nekklem, en heeft met de knokkels van zijn vuist een aantal harde klappen gegeven op de linkerkant van haar hoofd en tevens op haar rug. De verdachte heeft in hoger beroep desgevraagd verklaard dat er tussen haar en het slachtoffer een worsteling is ontstaan “over het bed heen”, maar ze weet niet meer precies hoe dat is gegaan. Ze denkt dat beiden tijdens de worsteling naast het bed zijn komen te staan. Op enig moment werd de verdachte door het slachtoffer bij haar keel gepakt en werd zij door hem gewurgd. Desgevraagd kan de verdachte zich niet herinneren met welke hand zij door het slachtoffer werd vastgepakt en of hij dat met een of twee handen deed. De verdachte heeft verklaard dat zij tijdens de verwurging op enig moment wit licht zag en heeft, omdat zij dacht dat ze dood zou gaan, het slachtoffer van zich af geslagen. Vast staat dat de verdachte daarbij het slachtoffer met een steigerhamer heeft geslagen. De verdachte weet niet waar zij deze hamer vandaan heeft gepakt, met welke hand ze heeft geslagen, hoe vaak ze het slachtoffer met de hamer heeft geslagen en in welke volgorde op welke lichaamsdelen zij hem heeft geraakt. Ook weet zij niet of zij op dat moment stond, waar en hoe het slachtoffer zich ten opzichte van haar toen bevond en waar zij in de slaapkamer waren terwijl de verdachte het slachtoffer sloeg.

De verdachte weet zich wel nog te herinneren dat het slachtoffer op enig moment op zijn rug op het bed lag en rare geluiden maakte. De verdachte heeft toen op de muur van de slaapkamer aan de zijde van de buurvrouw (het hof begrijpt de buurvrouw van [nummer] [getuige] ) gebonkt en om hulp geroepen. Tijdens het gevecht heeft ze ook om hulp geroepen en geschreeuwd. Ze moest vechten voor haar leven, aldus de verdachte, “het was hij of ik”.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd nog verklaard dat ze zich na het geweldsincident niet heeft omgekleed en dat ze naar buiten, naar de buren, is gegaan.

Het hof ziet zich, naast voornoemde verklaring van de verdachte, geconfronteerd met de volgende feiten en omstandigheden.

A. Letsels slachtoffer

Uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen volgt dat op 4 mei 2016 een dode man, te weten [slachtoffer] , is aangetroffen op het bed in de slaapkamer van de woning te Helmond, waarbij sprake was van veel bloedverlies. Het forensisch bewijs geeft uitsluitsel omtrent de bij het slachtoffer geconstateerde letsels (te weten meerdere inslag-verwondingen) en de doodsoorzaak. De in de slaapkamer aangetroffen steigerhamer waarmee de inslagverwondingen door de verdachte zijn toegebracht, is onderzocht. Aan de steigerhamer zit een lange uitstekende punt.

Blijkens het verslag radiologisch onderzoek door Maastricht UMC d.d. 19 september 2016 waren er bij het slachtoffer dertien penetrerende huidletsels zichtbaar (met fracturen in de daaronder gelegen delen van het bottenstelsel dan wel letsels in de onderhuidse weke delen en/of organen): twee in het hoofd (letsels A, rechts hoog op het voorhoofd, en B, voor het rechter oor), twee in de hals (letsel C, nabij het strottenhoofd en letsel D, boven het borstbeen), minimaal vijf in de borst (letsels E, F, G, H en I), drie in de buik (letsels J, K en L) en één in het rechter bovenbeen (letsel M). De doodsoorzaak is functieverlies van de hersenen en met name de hersenstam (traject B) en functieverlies van het hart (traject I). Beide letsels zijn dodelijk. Mogelijk ook de halsletsels door bloedverlies. De andere letsels in de borst en de buik hebben een bijdrage geleverd aan het intreden van de dood.

Tevens blijkt uit dit onderzoek dat door een combinatie van de huidletsels en inwendige verwondingen een aantal trajecten kunnen worden onderscheiden. De trajecten maken zichtbaar dat alle letsels van voor naar achter aan het slachtoffer zijn toegebracht. Daarbij valt op dat de letsels A, B en E iets van rechts naar links zijn toegebracht, de letsels C, D, H, I, J, K, L en M iets van links naar rechts en de letsels F en G nagenoeg recht van voren.

Blijkens het kras-, indruk- en vormsporenonderzoek (rapport van 21 november 2016) heeft het NFI ten aanzien van letsel A geconcludeerd dat dit met de punt van de steigerhamer is veroorzaakt en dat met de steigerhamer moet zijn geslagen van rechtsachter ten opzichte van het hoofd van het slachtoffer.

Volgens het rapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood’ d.d. 29 juli 2016 betreft letsel B een C-vormige huidperforatie met een lengte van circa 3,5 cm en een wondkanaal naar links van circa 6 cm diep. Er was sprake van perforatie van de hersenen (rechter slaapkwab), het schedelbot rechts/schedelbasis.

Forensisch rechercheur [verbalisant 1] heeft blijkens het proces-verbaal sporenonderzoek letsel B omschreven als sikkel- dan wel halve maanvormig en heeft gerelateerd dat door de specifieke vorm van de verwonding het mogelijk is de stand van de steel/handgreep van de steigerhamer ten opzichte van de verwonding te positioneren. Op de bij dit proces-verbaal gevoegde foto 18 van (onder meer) letsel B heeft [verbalisant 1] een zwartkleurige “T” aangebracht met de toevoeging “L” voor de lange, linker punt van de hamer en de toevoeging “R” voor de korte, rechter punt van de hamer. Het hof neemt waar dat de hamerpositie ten opzichte van letsel B volgens deze toevoegingen van [verbalisant 1] op die foto precies rechtsachter ten opzichte van het hoofd van het slachtoffer is, met de steel horizontaal ter hoogte van het midden van diens oor.

Bij de raadsheer-commissaris heeft forensisch rechercheur [verbalisant 1] op 22 januari 2019 als getuige verklaard:

“Bij sikkel- dan wel halve maanvormig letsel is er sprake van het in het lichaam dringen van beide poten van de hamer tot en met de overbrugging van beide poten, het spijkertrekker-gedeelte van de hamer. (…) In aanmerking nemend dat het uiteinde van de steel van de hamer bij verwonding B in het verlengde van het achterhoofd moet hebben gezeten (onafhankelijk van de draaiing van het hoofd) en de persoon die de hamer hanteerde de hamer bij de steel vasthad, moet deze persoon ten opzichte van het hoofd achter het hoofd gepositioneerd zijn geweest. (…) Daarbij neem ik in aanmerking dat er sprake was van een diepe verwonding nu er sprake was van sikkelvormig letsel en er derhalve tot en met het spijkertrekker-gedeelte in het hoofd letsel is toegebracht. Er moet derhalve sprake zijn geweest van een behoorlijke slagkracht, nu verwonding B is toegebracht bij het schedelbot. Kort gezegd staat de op bladzijde 6, tweede alinea, opgenomen conclusie van de rechtbank niet in het rapport, maar is deze mijns inziens wel juist.” Het hof merkt op dat die conclusie van de rechtbank luidt als volgt: “Die steel moet voor letsel B precies van rechtsachter ten opzichte van het hoofd zijn gepositioneerd” en “…ook voor letsel B geldt dat het niet mogelijk is dat dit letsel vanaf de voorkant van het hoofd van verdachte is toegebracht”, waarbij het hof opmerkt dat met “verdachte” in deze laatste zin onmiskenbaar “het slachtoffer” moet zijn bedoeld.

Tijdens het verhoor heeft de getuige de positionering van de hamer visueel getoond, waarvan een foto is gemaakt, welke foto aan het proces-verbaal van verhoor is gehecht.

Bloedsporen en kleding verdachte

De in de slaapkamer aangetroffen bloedsporen zijn inzichtelijk gemaakt door middel van foto’s en beschrijvingen van de aangetroffen bloedspatten(patronen). Er is in de slaapkamer zichtbaar veel bloed aangetroffen op het hoeslaken van het bed, rondom het lichaam van het slachtoffer, met name boven en rondom het hoofd van het slachtoffer. Voorts zijn er bloedspatten aangetroffen op de slaapkamerdeur en de kastdeur, op de muur achter het hoofdeinde van het bed, op de muur achter de tv (aan de zijde van het voeteneind van het bed) en ook op het plafond zijn meerdere bloedspatten waargenomen.

De kleding die de verdachte droeg in de nacht van 4 mei 2016 is in beslag genomen, gefotografeerd en onderzocht op bloedsporen. Op de fleece jas met opschrift [naam] , waarvan de verdachte heeft verklaard dat zij die jas altijd droeg als ze sliep, is halverwege de linkermouw op twee plekken bloed aangetroffen . Tevens is links op de achterkant van de jas net boven het label bloed aangetroffen. Op de fleecebroek van de verdachte werd op het achterpand (15 cm van broeksband en 5 cm van buitenste stiknaad) eveneens bloed aangetroffen. Zoals zichtbaar op de foto’s van de jas en de broek bestaan deze aangetroffen bloedsporen in alle aangetroffen gevallen uit een zeer geringe hoeveelheid bloed. Op de overige kledingstukken die verdachte op 4 mei 2016 droeg, zijn geen bloedsporen aangetroffen.

Verklaringen getuige [getuige]

Het dossier bevat een tweetal verklaringen van de getuige [getuige] die een en ander in de nacht van 4 mei 2016 heeft gehoord. [getuige] is de buurvrouw en woonde naast de verdachte en het slachtoffer in [adres 2] . Haar slaapkamer grenst aan de slaapkamer waar het slachtoffer sliep en zij hoorde dikwijls dat er ruzie was tussen verdachte en het slachtoffer. Dat de woningen gehorig zijn is door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd.

Over de bewuste nacht heeft de buurvrouw verklaard dat zij in de nacht van 4 mei 2016 gebonk hoorde alsof er iemand op de grond stampte. Ze herkende het geluid omdat ze dat het slachtoffer vaker had horen doen als de verdachte naar boven moest komen. De verdachte had haar ook verteld dat het zo ging bij hen. Na het gestamp hoorde ze een persoon de trap oplopen en daarna hoorde ze dat er ruzie was in de slaapkamer. Op een gegeven moment hoorde zij de verdachte roepen om hulp. De getuige wist niet wat ze moest doen en heeft toen de zus van de verdachte via social media proberen te bereiken. De getuige hoorde bij de buren vervolgens een raar geluid dat ze niet herkende en ze dacht dat het slachtoffer de playstation weer aan had gezet. Als zij het geluid moet koppelen, denkt zij dat dit het moment was dat het slachtoffer naar zijn laatste adem aan het snakken was. Kort daarna hoorde ze dat de verdachte op haar voordeur klopte en om hulp riep.

Letsel verdachte

De verdachte is na haar aanhouding in de nacht van 4 mei 2016 op het politiebureau op sporen onderzocht. Verbalisant [verbalisant 2] hoorde de verdachte klagen over pijn aan haar hoofd en de verdachte gaf aan dat dat kwam door de klappen die ze van het slachtoffer had gekregen. De verbalisant hoorde de verdachte klagen over bulten op haar hoofd. De forensisch arts die de verdachte vervolgens heeft onderzocht, heeft echter geen bulten op het hoofd gevoeld. Evenmin werden er verkleuringen aan de hoofdhuid waargenomen.

Wel werd links in de hals één rode huidverkleuring waargenomen en rechts in de hals werd een tweetal huidbeschadigingen waargenomen. Hiervan zijn foto’s gemaakt.

De forensisch arts heeft de verdachte later opnieuw onderzocht in de P.I. ter Peel. Op 17 mei 2016 heeft de forensisch arts gerapporteerd dat toen drie verticale striemen en roodheid aan de linkerzijde van de hals zijn waargenomen. Ook hiervan zijn foto’s gemaakt. Blijkens de verklaring die de forensisch rechercheur [verbalisant 1] bij de raadsheer-commissaris op 22 januari 2019 heeft afgelegd, heeft tussen de twee onderzoeken geen 12 dagen maar 7 dagen gezeten, namelijk de periode van 4 mei 2016 tot 12 mei 2016.

In een rapport van 6 oktober 2017 “Forensisch geneeskundig onderzoek” zijn door een deskundige van het NFI de letselfoto’s die van de verdachte zijn gemaakt op 4 mei 2016 en op 12 mei 2016, waarbij zij opgemerkt dat het laatste fotomateriaal is vervaardigd op 12 mei 2016 volgens de metadata, beoordeeld. Aan de hals van verdachte werden op het fotomateriaal van 4 mei 2016 roodheid en oppervlakkige huidbeschadigingen waargenomen. Deze zijn passend bij recent letsel, opgelopen door plaatselijke frictie, krabben en/of krassen, stelt de deskundige van het NFI. Daarbij is tevens opgemerkt dat er geen stuwingsverschijnselen, zoals doorgaans optreden bij samendrukkend geweld op de hals, zijn waargenomen. Op basis van het onderzoeksmateriaal is aantreffen van de letsels aan de hals zowel mogelijk onder de hypothese dat deze door het slachtoffer, door een andere persoon, als door verdachte bij zichzelf zijn toegebracht.

De op het fotomateriaal van 12 mei 2016 en in de letselrapportage van 17 mei 2016 zichtbare en beschreven roodheid in de hals kan gezien de korte periode waarin dergelijke roodheid zich manifesteert, niet het resultaat zijn van geweld op de hals op 4 mei 2016.

Oordeel hof

Het hof ziet zich geplaatst voor de vraag of de verklaring van de verdachte, inhoudende dat zij in een noodsituatie verkeerde omdat zij door het slachtoffer werd gewurgd waardoor zij geen lucht meer kreeg en op enig moment zelfs wit licht zag, aannemelijk is.

Alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, is het hof van oordeel dat die verklaring van de verdachte geen steun vindt in enig ander objectief bewijs.

Zo bestaan er discrepanties tussen de lezing van de verdachte van de gebeurtenissen in de nacht van 4 mei 2016 en de verklaring van de getuige [getuige] . Het door de verdachte geschetste scenario dat het slachtoffer naar beneden is gekomen om haar (hardhandig) te wekken, dat hij vervolgens weer naar boven is gegaan, terwijl zij naar de keuken is gegaan om drinken te pakken en vervolgens ook naar boven is gegaan, strookt niet met de verklaring van de getuige die na het bonzen op de vloer slechts één keer een persoon naar boven heeft horen lopen. Bovendien heeft de buurvrouw niet verklaard over het bonzen op haar muur waarover de verdachte wel heeft verklaard, terwijl de buurvrouw dit had moeten horen omdat haar slaapkamer grensde aan die van de verdachte.

Voorts ontbreekt bij de verdachte enig waarneembaar letsel op haar hoofd en haar rug terwijl ze volgens haar verklaring door het slachtoffer, terwijl hij haar in een nekklem hield, meerdere keren hard met de vuist zou zijn geslagen op haar hoofd en op haar rug.

Ten aanzien van de gestelde verwurging stelt het hof vast dat na het geweldsincident door ter plaatse toegesnelde buren noch door het ambulancepersoneel noemenswaardig letsel aan de hals/keel of het gelaat van de verdachte is waargenomen. Verdachte is vervolgens diezelfde nacht door een forensisch arts onderzocht en daarbij zijn in de hals links één rode huidverkleuring en aan de rechterzijde van de hals twee huidbeschadigingen gezien. Acht dagen later zijn door dezelfde forensisch arts drie striemen en roodheid aan de linkerzijde van de hals van de verdachte waargenomen.

Volgens het NFI kunnen door samendrukkend geweld op de hals letsels of andere verschijnselen worden opgelopen als plaatselijke roodheid door frictie op de huid, roodheid van het gelaat door stuwing, puntbloedinkjes in het gelaat en/of in de slijmvliezen van onder andere de ogen, bloeduitstortingen en eventuele oppervlakkige huidbeschadigingen. Plaatselijke roodheid en stuwing van het gelaat ontstaan direct en verdwijnen na verloop van enkele minuten tot uren. Puntbloedinkjes ontstaan eveneens direct, echter deze verdwijnen pas na enkele dagen. Oppervlakkige huidbeschadigingen zijn eveneens direct na het trauma zichtbaar. Blauwe plekken kunnen in sommige gevallen pas na enkele uren zichtbaar zijn en soms verdwenen zijn na enkele dagen. Theoretisch is het dus mogelijk dat er blauwe plekken zijn geweest bij de verdachte tussen de twee fotomomenten, terwijl die op de foto’s niet meer of nog niet te zien zijn. De NFI-deskundige heeft echter ook opgemerkt dat stuwingsverschijnselen direct ontstaan tijdens geweld op de hals, waarbij de roodheid doorgaans na verloop van minuten tot uren wegtrekt, terwijl de puntbloedinkjes doorgaans enkele dagen zichtbaar blijven. In dat verband heeft de NFI-deskundige voorts opgemerkt dat op de foto’s van 4 mei 2016 geen stuwingsverschijnselen, zoals doorgaans optreden bij samendrukkend geweld op de hals, werden waargenomen.

Het hof stelt vast dat bij uitgebreid lichamelijk onderzoek van de verdachte op diverse momenten geen letsel en/of verschijnselen zijn waargenomen passend bij een verwurging, terwijl men dat/die wel zou verwachten ingeval van een verwurging met zodanige geweldsinwerking op de hals/keel als waarover de verdachte heeft verklaard. Er zijn ook geen getuigen die over dergelijk(e) letsel en/of verschijnselen hebben verklaard.

Het door de verdachte geschetste scenario wordt naar het oordeel van het hof verder ontkracht door de vaststelling van het hof dat de kleding van de verdachte slechts in geringe mate bloedvlekken bevatte, hetgeen – nog los van de vraag van wie dat bloed is, nu dat niet nader is onderzocht – niet in overeenstemming is met de in slaapkamer aangetroffen hoeveelheid bloed op en rondom het slachtoffer en de bloedspatten door de gehele slaapkamer op het bed, de muren, de deuren, de vloer en het plafond. Als de verdachte tijdens de worsteling met een hamer om zich heen zou hebben geslagen teneinde los te komen uit de verwurging van de verdachte die zich face-to-face tegenover haar bevond, is het naar het oordeel van het hof niet te verklaren dat bij de verdachte enkel een paar luttele bloedsporen zijn aangetroffen op de linkermouw van haar jas, op een plekje achterop die jas en op een plek op de achterzijde van haar broek, terwijl het slachtoffer ernstig werd toegetakeld met een steigerhamer en de slaapkamer verder vol bloedspatten zat.

Op het gezicht van de verdachte is wel enig bloed rond de mond aangetroffen en ook gezien door getuige [getuige] , maar dat bleek na onderzoek haar eigen bloed te zijn.

Voorts is zowel bij de verdachte als bij het slachtoffer aan de handen geen afweerletsel aangetroffen en tonen de foto’s van de slaapkamer dat het hoeslaken nog netjes om het matras zat, de kussens nog op het bed lagen en dat alleen het dekbed op de grond lag en dat er een asbak was omgevallen. Een en ander past naar het oordeel van het hof niet bij de verklaring van de verdachte dat er een worsteling “over het bed heen” heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van de hoofwonden A en B is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat beide verwondingen met de steigerhamer zijn toegebracht waarbij (de steel van) de hamer is gepositioneerd rechtsachter ten opzichte van het hoofd van het slachtoffer. Daarmee is nog niets gezegd over de positie van de verdachte en op dat punt is het hof het aldus met de verdediging eens. De verdediging heeft ter adstructie van het noodweerscenario meerdere foto’s in het geding gebracht, welke foto’s door twee kantoorgenoten van de raadsvrouw met een zelfontspanner zijn gemaakt. Op deze foto’s zijn diverse poses afgebeeld, waarbij twee personen (een man en een vrouw) met hun gezichten tegenover elkaar staan en waarbij de vrouw met haar linkerhand met een hamer richting het hoofd van de man beweegt, terwijl de man de vrouw met beide handen bij haar keel/hals vasthoudt. Ondanks deze op de foto’s door de verdediging geschetste poses en nog los van het feit dat de verdachte zich niets kan herinneren van hoe een en ander heeft plaatsgevonden, ziet het hof niet in hoe de verdachte, die destijds 48 kilogram woog, 169 cm groot en rechtshandig is, met kracht met een hamer in haar (vermoedelijk) linkerhand in de schedel van het slachtoffer, die destijds 87 kilogram woog en 187 cm groot was, een verwonding kan slaan van 6 centimeter diep terwijl zij wordt gewurgd door het slachtoffer. Zelfs al zou het slachtoffer zijn hoofd geheel naar links hebben gedraaid, zoals afgebeeld op een van de door de raadsvrouw overgelegde foto’s, zou dit naar het oordeel van het hof een onmogelijk opgave zijn voor de verdachte.

Gelet op het hiervoor overwogene, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof de verklaring van de verdachte dat zij door het slachtoffer werd gewurgd niet aannemelijk.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte de haar verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor haar de noodzaak bestond tot verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt.

Nu het hof de verklaring van de verdachte dat zij door het slachtoffer werd gewurgd niet aannemelijk acht, behoeven de overige stellingen van de verdediging (zoals ten aanzien van mogelijk geheugenverlies), alsmede het voorwaardelijke verzoek om een deskundige te benoemen die antwoord kan geven op de vraag of het mogelijk is dat iemand bij een verwurging “wit licht” ziet en toch geen uitwendig letsel heeft, geen bespreking.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, is het bewezenverklaarde feit strafbaar en is de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. Zij heeft haar partner, tevens vader van hun drie kinderen, in de echtelijke woning waar ook haar kinderen op dat moment verbleven, meerdere keren met een steigerhamer tegen het hoofd en lichaam geslagen, waarbij met de uitstekende puntzijde daarvan enkele diepe wonden zijn veroorzaakt. Vanwege functieverlies van de hersenen en met name de hersenstam en functieverlies van het hart is het slachtoffer vrijwel onmiddellijk overleden. Het delict doodslag is een feit waardoor de rechtsorde in het algemeen zeer ernstig wordt geschokt en dat in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweegbrengt.

Door aldus te handelen heeft de verdachte drie jonge kinderen hun vader ontnomen. Zij zullen opgroeien zonder hun vader en (later) in de wetenschap dat hun moeder daarvoor verantwoordelijk is. Door de gevolgen van haar handelen zullen de kinderen ook langere tijd zonder hun moeder moeten opgroeien.

Daarnaast heeft de verdachte onomkeerbaar en onherstelbaar leed berokkend aan de familie, vrienden en naaste omgeving van het slachtoffer, die zich geconfronteerd zagen met de gewelddadige en plotselinge dood van een dierbare.

De zus van het slachtoffer heeft ter terechtzitting van het hof op indringende wijze uiting gegeven aan haar gevoelens van ontzetting, verdriet en onmacht. Zij heeft geprobeerd onder woorden te brengen wat de wrede en plotselinge dood van haar broer en het gemis van hem voor haar en de familie betekent. Uit de ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaring blijkt dat zij het verdriet nu – ruim 5 jaar later – nog elke dag voelen en dat het voor hen schrijnend en kwellend is dat vele vragen onbeantwoord blijven.

Doodslag behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en is naar zijn aard een misdrijf dat in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke

gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt, waarbij doorgaans gevangenisstraffen tussen de acht en twaalf jaren worden opgelegd. Ook in dit geval is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een forse gevangenisstraf.

Tegelijkertijd heeft het hof oog gehad voor de moeilijke omstandigheden waaronder de verdachte lange tijd heeft geleefd. Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat de verdachte mede tot het delict is gekomen door herhaald en langdurig fysiek, psychisch en -het laatste jaar- ook seksueel geweld jegens haar gepleegd door het slachtoffer, waarbij gevoelens van angst, vernedering en woede een rol hebben gespeeld.

Hoewel deze context het feit niet rechtvaardigt of anderszins tot strafuitsluiting leidt, zal deze context niettemin in strafmatigende zin worden meegewogen bij het bepalen van de straf.

In verband met de persoon van de verdachte heeft het hof voorts gelet op het haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 juni 2021, waaruit blijkt dat de verdachte vóór het bewezenverklaarde feit niet eerder onherroepelijk voor gewelds- of levensdelicten is veroordeeld. Wel is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld wegens vermogensdelicten en is ze ná het bewezenverklaarde, tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis in de onderhavige zaak, wederom in aanraking gekomen met politie en justitie ter zake openlijke geweldpleging voor welk feit de verdachte inmiddels onherroepelijk is veroordeeld bij vonnis van 11 januari 2021.

Het hof heeft tevens kennisgenomen van de rapporten die zijn uitgebracht over de persoon van de verdachte en daarbij heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van:

  • -

    de triple rapportage van J. Fockens, psychiater in opleiding, A.F. Trompenaars, psychiater en supervisor, M.M.F. van Casteren, GZ-psycholoog en M.E. van Oort, forensisch milieuonderzoeker, d.d. 12 augustus 2016;

  • -

    het Pro-Justitiarapport van deskundige prof. dr. F. Koenraadt, gezondheidszorg-psycholoog en criminoloog, d.d. 16 maart 2017;

  • -

    de rapportages van Reclassering Nederland, d.d. 12 september 2016, 24 november 2017 en 5 juli 2021.

Uit genoemde omtrent de persoon van de verdachte opgemaakte triple rapportage volgt dat ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van partnerrelatieproblematiek en dat er geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij de verdachte is vastgesteld. Het tenlastegelegde kan de verdachte volledig worden toegerekend.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden. Het hof is van oordeel dat deze straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de hiervoor genoemde bijzondere omstandigheden omtrent de persoon van verdachte.

Redelijke termijn

Echter, iedere verdachte heeft recht op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Het hof stelt vast dat in eerste aanleg vonnis is gewezen binnen een redelijke termijn.

Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep overweegt het hof als volgt. De verdachte heeft op 1 februari 2018 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 3 augustus 2021 arrest wijst, derhalve 3 jaar en 6 maanden later. In strafzaken met gedetineerden of jeugdigen wordt doorgaans een redelijke termijn van 16 maanden gehanteerd, in hoger beroep te rekenen vanaf de appeldatum, en in strafzaken met niet-gedetineerden is die termijn 24 maanden. In casu is aldus sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn.

Voor de beoordeling van de vraag welke consequenties hieraan moeten worden verbonden, is het volgende van belang. Na het instellen van hoger beroep is op verzoek van de verdediging door de raadsheer-commissaris in dit hof een getuige gehoord, te weten forensisch rechercheur [verbalisant 1] welk verhoor heeft plaatsgevonden op 22 januari 2019. Vervolgens heeft op 19 november 2019 een regiezitting plaatsgevonden en is de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden omdat de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst was. De inhoudelijke behandeling was oorspronkelijk gepland op de zitting van 14 oktober 2020, maar op verzoek van de verdediging is de zaak toen aangehouden vanwege de gezondheidstoestand van de verdachte en in verband daarmee een opname voor een detoxbehandeling. Nadat de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte in januari 2021 is opgeheven vanwege overtreding van de schorsingsvoorwaarden, heeft het vanwege de volle agenda van het hof nog tot 20 juli 2021 geduurd voordat de zaak uiteindelijk inhoudelijk op zitting kon worden behandeld.

Al met al is het hof van oordeel dat de redelijke termijn in hoger beroep in ruime mate is overschreden, terwijl de verdachte voor een groot deel daarvan geen verwijt kan worden gemaakt, omdat de behandeling in hoger beroep niet altijd voortvarend is geweest. Hiermee zal het hof in het voordeel van de verdachte rekening houden, in die zin dat de op te leggen gevangenisstraf zal worden gematigd met 1 jaar. Het hof zal de verdachte derhalve veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van voorarrest.

In de Wet straffen en beschermen van 24 juni 2020, welke wet in werking is getreden per 1 juli 2021 en waarvan de verdediging heeft gesteld dat deze ten nadele van de verdachte is, hetgeen in de op te leggen straf dient te worden verdisconteerd, ziet het hof geen aanleiding om tot (verdere) matiging over te gaan.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering aan de orde is.

Beslag

Ten aanzien van de hierna in de beslissing als zodanig te noemen onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, is niet duidelijk wie als rechthebbende van deze goederen kan worden aangemerkt. Het hof kan derhalve niet de teruggave daarvan gelasten, maar zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] , zus van het slachtoffer, heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 685,00 ter zake de uitvaartkosten van het slachtoffer, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Voorts is verzocht om vergoeding van de proceskosten ad € 98,95, betreffende de gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zittingen en voor een gesprek met het openbaar ministerie. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van

€ 148,95 (ter zake de gevorderde reiskosten en uitvaartkosten tot een bedrag van € 50,00), te vermeerderen met de wettelijke rente en met afwijzing van het overige.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 50,00. Gebleken is dat de kosten voor de uitvaart van het slachtoffer via crowdfunding bij elkaar zijn gebracht en dat de benadeelde partij zelf een bedrag van € 50,00 heeft ingebracht. De overige kosten van de uitvaart zijn aldus door anderen betaald en leveren voor de benadeelde partij geen schade op. De vordering dient in zoverre te worden afgewezen.

Ten aanzien van de gevorderde reiskosten voor een slachtoffergesprek met het openbaar ministerie overweegt het hof dat dit geen rechtstreekse materiële schade ten gevolge van het strafbare feit betreft die voor vergoeding in aanmerking komt. Deze kosten komen evenmin als proceskosten voor vergoeding in aanmerking.

De door de benadeelde partij gevorderde vergoeding van de reiskosten voor het bijwonen van de zittingen zijn evenmin aan te merken als materiële schade, maar eventueel wel als proceskosten als zich de situatie voordoet als bedoeld in artikel 238, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Echter, nu de benadeelde partij zich ter zitting heeft laten bijstaan door een advocaat, biedt de civiele proceskostenregeling geen basis voor vergoeding voor deze kosten.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve voor het overige worden afgewezen, met een beslissing over de proceskosten als na te melden.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer

[benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 50,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2016 (zijnde de uiterlijke betalingsdatum van de factuur van Monuta) tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1.00 STK Computer, kl. wit, Samsung tablet, goednr. 1000952;

- 1.00 STK Computer, kl. wit, Asus tablet, goednr. 1000953;

- 1.00 STK GSM (mobiele telefoon), Apple iPhone, goednr. 1000954 (kapot scherm);

- 1.00 STK GSM (mobiele telefoon), Nokia, goednr. 1000956;

- 1.00 STK Computer (zakcomputer), Medion, goednr. 1000957;

- 1.00 STK MP3 speler, Difrnce, goednr. 1000958;

- 1.00 STK Gegevensdrager (geheugenkaart), Kingston, goednr. 1000959.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 50,00 (vijftig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2016 tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 50,00 (vijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2016 tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenstaande.

Aldus gewezen door:

mr. G.J. Schiffers, voorzitter,

mr. A.J. Henzen en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 3 augustus 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. N.I.B.M. Buljevic is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.