Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:243

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-01-2021
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
200.279.443_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2020:2132
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling tussen minderjarige en de vader is in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 28 januari 2021

Zaaknummer: 200.279.443/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/246562 / FA RK 18-591

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.W.M. van Doorn,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. B. Lynen.

Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 maart 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 juni 2020, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - de beslissing op het inleidend verzoek van de vader alsnog, conform het raadsadvies, aan te houden voor de duur van acht maanden al dan niet met de inzet van een ander dwingend hulpverleningstraject, althans op een wijze zoals het gerechtshof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 juli 2020, heeft de moeder verzocht om de bestreden beschikking te bekrachtigen en de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep, althans dit verzoek af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 december 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    mr. Van Doorn namens de vader;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Lynen;

  • -

    mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] namens de raad.

2.3.1.

De vader is, volgens zijn advocaat zonder opgaaf van redenen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2.3.2.

Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.

Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de processen-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 1 februari 2019 en 13 februari 2019.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 10 oktober 2005 te [plaats] , Egypte, met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen is geboren:

- [minderjarige] , op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] .

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

Bij beschikking van 21 februari 2019 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 9 juli 2019 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts bepaald dat [minderjarige] het hoofdverblijf bij de moeder zal hebben.

Partijen zijn verder in de gelegenheid gesteld om deel te nemen aan de jeugdhulptrajecten begeleide omgangsregeling (BOR-traject niveau 2) en Nieuw Ouderschap (NO). Aan de raad is - kort gezegd - een voorwaardelijke opdracht gegeven om onderzoek te doen en advies uit te brengen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

3.3.

De raad heeft aan de rechtbank zijn rapport van 13 december 2019, tevens inhoudende een advies, gezonden.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader om een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, afgewezen.

3.5.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De vader voert, kort samengevat, het volgende aan.

In het kader van het Uniform Hulpaanbod zijn de ouders destijds verwezen naar aXnaga.

Uit het eindrapport van aXnaga blijkt dat er slechts twee van de vier geplande Kinder- en KIES-coachingsgesprekken hebben plaatsgevonden. Tijdens het eerste gesprek stond [minderjarige] open voor contact met de vader, maar in het tweede gesprek gaf [minderjarige] aan dat zijn opa (vader moederszijde) achter hem stond. Het lijkt erop dat [minderjarige] tussen de twee gesprekken in beïnvloed is door het netwerk van de moeder. De kindercoach had dit moeten signaleren en had moeten doorvragen in een eventueel derde en vierde gesprek. Dit is een gemiste kans met grote gevolgen, omdat hieraan de conclusie wordt verbonden dat [minderjarige] geen contact wil met de vader.

Er is verder te weinig gedaan met de hulpvraag van de moeder hoe zij [minderjarige] kan motiveren om het contact met de vader aan te gaan.

De rechtbank is verder ten onrechte voorbij gegaan aan het advies van de raad, terwijl zowel de vader als de moeder zich in dit advies konden vinden. Hiermee sluit de rechtbank de deur voor de vader volledig.

De vader voert ten slotte aan dat hij gedurende het traject van het Uniform Hulpaanbod een moeilijke periode in zijn leven heeft doorgemaakt. Hij heeft een zware operatie ondergaan, heeft zijn moeder verloren en hij heeft een stressvolle periode op zijn werk meegemaakt, hetgeen wellicht een rol heeft gespeeld tijdens de ouderbemiddelingsgesprekken.

3.7.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.

Er is geen mogelijkheid om te komen tot een begeleide omgangsregeling. [minderjarige] heeft bij de rechter in eerste aanleg reeds aangegeven dat hij de vader niet wil zien, dat hij de vader niet vertrouwt en niet met de vader wil praten. Hij heeft zijn standpunt meerdere keren herhaald en is hierin zeer consistent.

[minderjarige] kan zich niets positiefs over de vader herinneren en heeft er geen last van dat hij de vader niet ziet.

De vader blijft dwingend en kan dit niet accepteren. De vader heeft niets gedaan met de tips van aXnaga. Hij weigert zichzelf aan te passen, zelfs niet als hij hiermee [minderjarige] kan bereiken. Er wordt door de vader niets ondernomen om het contact tussen hem en [minderjarige] te herstellen, zoals het sturen van een kaartje.

De moeder heeft op 17 juni 2020 een email van de vader ontvangen, waarbij de vader haar onder druk probeert te zetten. Zij heeft dit als dreigend ervaren.

Het Uniform Hulpaanbod heeft niet geleid tot contactherstel. Er zijn geen beschikbare middelen om binnen afzienbare termijn op andere wijze te komen tot contactherstel. De raad heeft bovendien geadviseerd dat een eventueel nieuw hulpverleningstraject het contactherstel niet als doel moet hebben, omdat dit een averechts effect kan hebben.

Met [minderjarige] gaat het op dit moment goed. Hij haalt goede cijfers op school en mogelijk kan hij onderwijs op een niveau hoger gaan volgen. Er is geen sprake meer van gedragsproblematiek.

3.8.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling als volgt geadviseerd.

Gelet op de leeftijd van [minderjarige] is het niet zinvol om lichte dwang toe te passen in het contactherstel met een ouder. De wens tot contact(herstel) dient vanuit het kind zelf te komen. [minderjarige] is duidelijk en consistent in zijn wensen naar alle instanties.

De raad ziet derhalve geen aanknopingspunten om de procedure nog langer aan te houden en adviseert de bestreden beschikking te bekrachtigen.

3.9.

Het hof overweegt als volgt.

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.9.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen beoordeling en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat omgang tussen [minderjarige] en de vader op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] .

Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.

3.9.3.

Uit genoemd raadsrapport komt onder meer naar voren dat [minderjarige] een belast verleden heeft. Hij is getuige geweest van huiselijk geweld.

[minderjarige] heeft een overwegend negatief vaderbeeld. Op meerdere momenten en voor langere tijd is de vader niet beschikbaar voor [minderjarige] geweest. Dit heeft de hechting tussen [minderjarige] en de vader negatief beïnvloed.

In de periode 2011-2016 is met enige regelmaat geprobeerd om het contact tussen de vader en [minderjarige] te herstellen.

De raad acht het gedrag van [minderjarige] bij de moeder zorgelijk in de relatief korte periode dat hij contact met de vader had. Ook zijn gedrag in die periode op school acht de raad zorgelijk. Voorts blijkt uit het raadsrapport dat de ouders meerdere keren hebben geprobeerd om hun relatie te herstellen. Dit is voor [minderjarige] belastend geweest, hetgeen een averechts effect heeft gehad op de relatie tussen [minderjarige] en de vader. Mogelijk speelt de loyaliteit naar zijn moeder hierbij een rol.

3.9.4.

[minderjarige] heeft in het gesprek met hof aangeven dat hij minder stress en meer rust ervaart in de huidige situatie. Hierdoor kan hij zich beter op school concentreren, hetgeen een positieve invloed heeft op zijn prestaties. [minderjarige] heeft verder in het gesprek herhaald dat hij weerstand heeft tegen contact met de vader en de vader niet wil zien.

Het hof hecht veel waarde aan het standpunt van [minderjarige] over de omgang met de vader, omdat hij consistent in zijn standpunt is en hij inmiddels ook de leeftijd heeft waarop hij de gevolgen van wat hij zegt, kan overzien. [minderjarige] heeft duidelijk aangegeven dat hij last heeft van de dwingende houding van de vader. Daarbij komt dat [minderjarige] en ook de moeder aangeven dat het de laatste twee jaar beter met hem gaat en hij ook op school goed presteert.

3.9.5.

Daarbij neemt het hof in zijn oordeel mee dat de vader niet laat zien dat het hem er (alles) aan gelegen is om contact met [minderjarige] te krijgen. Zo laat hij bijvoorbeeld na om zelfs maar een kaartje op de verjaardag van [minderjarige] te sturen en is de vader zonder opgave van enige reden niet bij het hof verschenen om een mondelinge toelichting te geven op zijn verzoek, waarbij hij ook vragen van het hof had kunnen beantwoorden.

3.9.6.

Het hof neemt het advies van de raad over en zal de zaak niet aanhouden. Met de raad ziet het hof geen andere mogelijkheden om het contactherstel te bewerkstelligen. Er is reeds hulpverlening ingezet vanuit het uniform hulpaanbod, maar het is niet gelukt om het contact tussen [minderjarige] en de vader te herstellen en een ander traject is niet voorhanden.

Het is zelfs zeer waarschijnlijk dat hulpverlening gericht op contactherstel op dit moment een averechts effect met zich zal brengen.

3.9.7.

Gelet op hetgeen onder 3.9.2 t/m 3.9.6 is overwogen, zal het hof het verzoek van de vader om een zorgregeling vast te stellen, niet toewijzen.

3.10.

Het voorgaande brengt met zich dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 13 maart 2020;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, E.L. Schaafsma-Beversluis en P.M.M. Mostermans en is op 28 januari 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.