Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2381

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-07-2021
Datum publicatie
10-08-2021
Zaaknummer
200.287.174_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.287.174/01

zaaknummer rechtbank : C/03/268859 / FA RK 19-3349

beschikking van de meervoudige kamer van 29 juli 2021

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] (Spanje),

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. N.M.F. Statnik te Sittard,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. G.M.B.R. Niellissen te Geleen.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 18 september 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 15 december 2020 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 18 september 2020.

2.2.

De vrouw heeft op 2 februari 2021 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen:

- het V8 formulier met bijlage van de advocaat van de man van 29 december 2020;

- het V6 formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw van 11 mei 2021;

- het V6 formulier met bijlagen van de advocaat van de man van 2 juni 2021.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 15 juni 2021 plaatsgevonden. De man is met bericht van verhindering niet verschenen, zijn advocaat is wel verschenen. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat.

3 De feiten in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Het huwelijk van partijen is op 27 december 2017 ontbonden door echtscheiding.

3.3.

Partijen zijn de ouders van de kinderen:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2005 (hierna: [minderjarige 1] ),

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2008 (hierna: [minderjarige 2] ).

4 De omvang van het geschil in principaal en incidenteel hoger beroep

4.1.

Bij beschikking van de rechtbank van 5 december 2017 is verwezen naar het door partijen ondertekende ouderschapsplan van 25 oktober 2017, waaruit volgt dat de man met ingang van 1 januari 2018 aan de vrouw een kinderalimentatie zal voldoen van € 93,- per kind per maand.

4.2.

Bij de bestreden beschikking is het in de beschikking van de rechtbank van 5 december 2017 opgenomen ouderschapsplan gewijzigd, in die zin dat de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019

€ 95,- per kind per maand bedraagt, in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 mei 2020 € 86,- per kind per maand en in de periode vanaf 1 juni 2020 € 170,- per kind per maand.

4.3.

De grieven van de man zien op zijn draagkracht. De man verzoekt vernietiging van voormelde bestreden beschikking en:

  • -

    primair te bepalen dat hij over de maanden juni, juli, oktober en november 2020 niet is gehouden tot het betalen van kinderalimentatie en over de maanden augustus, september, december 2020 en toekomstige maanden een bedrag van € 23,- per kind per maand;

  • -

    subsidiair te bepalen dat hij met ingang van juni 2020 een kinderalimentatie aan de vrouw voldoet van € 23,- per kind per maand;

  • -

    meer subsidiair te bepalen dat hij met ingang van juni 2020 een kinderalimentatie aan de vrouw voldoet van € 86,- per kind per maand;

  • -

    meest subsidiair te bepalen dat hij met ingang van juni 2020 een nader in goede justitie te bepalen kinderalimentatie aan de vrouw voldoet.

4.4.

De grief van de vrouw ziet op de draagkracht van de man. De vrouw verzoekt om afwijzing van de verzoeken van de man. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw vernietiging van voormelde bestreden beschikking en te bepalen dat de man vanaf 1 juni 2020 een kinderalimentatie van € 301,35 per kind per maand moet voldoen, althans een zodanige beslissing als het hof juist acht.

4.5.

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

4.6.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

5. De motivering van de beslissing zowel in principaal als incidenteel hoger beroep

Rechtsmacht

5.1.

Het hof is evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft en het Nederlandse recht van toepassing is.

Wijziging van omstandigheden

5.2.

Er zijn geen grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de kinderalimentatie rechtvaardigt, zodat het hof hiervan uitgaat.

Ingangsdatum

5.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat het in hoger beroep alleen gaat om de door de rechtbank vanaf 1 juni 2020 vastgestelde kinderalimentatie, zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt.

Behoefte

5.4.

De bij de bestreden beschikking vastgestelde en geïndexeerde behoefte van de kinderen in 2020 van € 402,- per kind per maand is niet in geschil en staat daarmee vast.

Draagkracht van de vrouw

5.5.

Er zijn geen grieven gericht tegen de draagkracht van de vrouw, zodat het hof aansluit bij de door de rechtbank vastgestelde draagkracht in 2020 van € 75,- per maand.

Draagkracht van de man: inkomen

5.6.

De man voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij met ingang van 1 juni 2020 weer volledig arbeidsgeschikt is en in staat moet worden geacht om een inkomen te genereren gelijk aan zijn inkomen uit arbeid in 2018. Hij ontvangt ook na 1 juni 2020 een invaliditeitsuitkering. Deze uitkering fluctueert tussen € 1.700,- netto per maand en

€ 1.750,- netto per maand. Dit is zijn enige inkomen. Op basis van een gemiddeld inkomen van € 1.714,- per maand heeft de man in beginsel een draagkracht van € 157,- per maand. De man voert verder aan dat zijn invaliditeitsuitkering stopt per 1 juli 2021. De plannen die de man in Spanje had zijn, mede door corona, niet van de grond gekomen. De advocaat van de man geeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd aan dat zij niet van de man heeft vernomen of hij de intentie heeft om in Spanje te blijven wonen.

5.7.

De vrouw voert hiertegen verweer. De man heeft ook in hoger beroep onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie na 1 juni 2020. Niet duidelijk is of de man volledig of deels arbeidsongeschikt is, er zijn geen uitkeringsspecificaties en/of jaaropgaven overgelegd, de maand september ontbreekt bij de bankafschriften en er zijn geen fiscale stukken overgelegd. De maandelijkse bedragen op de bankafschriften fluctueren, waar de man geen verklaring voor heeft. De vrouw wijst er op dat de man een zwaarwegende onderhoudsverplichting jegens zijn kinderen heeft en hij verifieerbare bescheiden dient te overleggen waaruit blijkt dat zijn draagkracht is afgenomen. Dit heeft de man ook in hoger beroep niet gedaan.

5.8.

Over het inkomen van de man overweegt het hof als volgt.

5.8.1.

Uit de bestreden beschikking volgt dat de man destijds heeft gesteld dat zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering (invaliditeitsuitkering) is beëindigd. In hoger beroep voert de man aan dat zijn invaliditeitsuitkering niet is gestopt en hij ook na 1 juni 2020 een uitkering heeft ontvangen, maar dit kan het hof aan de hand van de overgelegde stukken niet verifiëren. De man wijst op de overgelegde bankafschriften en op een brief van 1 maart 2021 over een invaliditeitsuitkering. Uit deze stukken leidt het hof af dat er op de bankrekening mogelijk een aantal maanden geld is gestort en dat dit mogelijk een invaliditeitsuitkering betreft, maar niet duidelijk is of deze bankrekening (enkel) toebehoort aan de man, waar het gestorte bedrag op is gebaseerd en voor welke periode een eventuele uitkering is toegezegd. De man heeft geen uitkeringsspecificaties en/of jaaropgaven overgelegd. Ook is niet duidelijk of de uitkering het enige inkomen van de man is, omdat de man geen belastingaangiftes en -aanslagen heeft overgelegd. Er is geen verklaring gegeven voor het fluctueren van de maandelijkse bedragen op de bankafschriften. Er is van de zijde van de man aangevoerd dat de invaliditeitsuitkering stopt per 1 juni 2021, maar dit is niet nader onderbouwd. Niet duidelijk is waar de man van leeft na 1 juni 2021. De man voert aan, onder verwijzing naar de door hem overgelegde (Spaanse) medische stukken, dat hij rugproblemen heeft, maar welke gevolgen dit heeft voor de eventuele mate van arbeidsongeschiktheid is het hof, bij gebrek aan stukken, niet duidelijk. De enkele niet onderbouwde stelling van de man dat hij volledig arbeidsongeschikt is, acht het hof onvoldoende.

5.8.2.

De man heeft naar het oordeel van het hof zijn inkomenssituatie per 1 juni 2020 totaal niet inzichtelijk gemaakt. Er zijn nog veel vragen over zijn financiële situatie en door de man is hierover in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling geen duidelijkheid verschaft. Er ontbreken (financiële) stukken en de man heeft naar het oordeel van het hof geen helder en aannemelijk verhaal over de reden dat hij deze stukken niet kan tonen. Op grond van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren; in alimentatiezaken is dit nader uitgewerkt in het procesreglement. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Gelet hierop dient het ontbreken van dit inzicht in de financiële situatie dan ook voor rekening en risico van de man te komen.

5.8.3.

Uit het voorgaande volgt dat de grief van de man faalt. Dat betekent dat de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de draagkracht van de man ook het hof tot uitgangspunt strekt. Voor de bepaling van de draagkracht van de man per 1 juni 2020 gaat het hof, net als de rechtbank, dan ook uit van een netto besteedbaar inkomen van € 2.086,- per maand.

Draagkracht van de man: woonlasten

5.9.

De vrouw voert in incidenteel hoger beroep aan dat de rechtbank in de bestreden beschikking bij de draagkracht van de man ten onrechte is uitgegaan van de draagkrachtformule. Zij wijst op de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 29 juli 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:2310). De forfaitaire woonlast van de man van € 625,- per maand is aanzienlijk hoger dan zijn werkelijke woonlast van € 500,- per maand. Nu er sprake is van een aanzienlijk tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien, moet er worden aangesloten bij de werkelijke woonlast van de man. Daarnaast kan de man de woonlasten delen met zijn partner. De man stelt weliswaar dat zijn partner geen inkomsten heeft, maar dit is door hem niet onderbouwd. De vrouw voert aan dat er primair gerekend moet worden met een woonlast van € 250,- per maand, subsidiair met een woonlast van € 500,- per maand.

5.10.

Volgens de man betaalt hij momenteel in Spanje een huur van € 500,- per maand. Hij kan zijn woonlast niet delen, omdat zijn partner geen inkomen heeft.

5.11.

Het hof overweegt als volgt.

5.11.1.

Bij het berekenen van de draagkracht voor kinderalimentatie wordt gebruik gemaakt van een (grotendeels) forfaitair systeem. Dit systeem dient de voorspelbaarheid en rechtszekerheid. Gelet op dit uitgangspunt ziet het hof in de stellingen van de vrouw ten aanzien van de woonlast van de man onvoldoende aanleiding om van het forfaitaire systeem voor de berekening van kinderalimentatie af te wijken. De man en de vrouw kunnen weliswaar niet gezamenlijk in de totale behoefte van de kinderen voorzien, maar er is geen dusdanig lage woonlast aan de zijde van de man die afwijking van het forfaitaire systeem rechtvaardigt. Evenmin is gesteld of aannemelijk geworden dat sprake is van een bestendige en duurzame woonsituatie aan de kant van de man. De grief van de vrouw slaagt dan ook niet.

Draagkracht van de man: schulden

5.12.

De man verzoekt het hof bij de berekening van zijn draagkracht rekening te houden met de maandelijkse lasten die hij heeft in verband met het aflossen van diverse schulden. Het gaat om kosten voor fysiotherapie, apotheekkosten, een aflossing in verband met de aanschaf van een medisch matras en betalingen aan de belastingdienst.

5.13.

De vrouw betwist deze schulden. De kosten voor fysiotherapie en de apotheekkosten zijn incidentele kosten waar geen rekening mee moet worden gehouden. Ook is niet duidelijk of deze kosten worden vergoed door de ziektekostenverzekering. Met de maandelijkse aflossing in verband met de aanschaf van een medisch matras moet eveneens geen rekening worden gehouden. Het is geen huwelijkse schuld en geen noodzakelijke schuld, waarvan de aflossing voorrang zou moeten hebben op de kinderalimentatie. Ook wijst de vrouw er op dat partijen na de verkoop van de woning ieder een bedrag van ruim € 4.200,- hebben ontvangen en de man zich de spaarpolis van de kinderen heeft toegeëigend. De man beschikt dus over vermogen en kan deze gelden aanwenden. Dit geldt ook voor de door de man opgevoerde belastingschulden.

5.14.

Het hof overweegt als volgt.

5.14.1.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof – na eigen onderzoek en waardering – overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat met de door de man opgevoerde schulden geen rekening moet worden gehouden. Naar het oordeel van het hof zijn door de man in hoger beroep geen (nieuwe) feiten of omstandigheden gesteld die een andere beslissing rechtvaardigen. In aanvulling hierop, overweegt het hof als volgt.

5.14.2.

Er zijn veel onduidelijkheden over de aanschaf alsook over de aflossing van het medisch matras en de man is er niet in geslaagd om deze onduidelijkheden weg te nemen. Er zijn vragen over het ontstaan van deze schuld; evenmin is duidelijk of deze schuld toebehoort aan de man en/of zijn partner, gelet op de naam van de partner op de overgelegde betalingsoverzichten. Ook is niet duidelijk of de man over spaargeld beschikt waarmee hij een eventuele schuld kan voldoen. Evenmin is het ontstaan van de belastingschulden en de aflossing daarop duidelijk geworden. Voor de kosten voor fysiotherapie en de apotheekkosten geldt dat gesteld noch gebleken is dat deze kosten zodanig bovenmatig zijn dat deze vallen buiten het forfaitaire systeem voor het berekenen van kinderalimentatie. Daar komt bij dat niet duidelijk is of de man deze kosten daadwerkelijk moet voldoen of deze vallen onder de ziektekostenverzekering. Het had op de weg van de man gelegen om hierover duidelijkheid te verschaffen. De advocaat van de man heeft daarover tijdens de mondelinge behandeling enkel gesteld dat de man voorheen in België verzekerd was, maar inmiddels in Spanje verzekerd is. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, houdt het hof met de opgevoerde schulden geen rekening. De grief van de man slaagt niet.

6 De slotsom

6.1.

De grieven van de man in het principaal hoger beroep slagen niet. De grief van de vrouw in het principaal hoger beroep slaagt eveneens niet.

6.2.

Nu de man en de vrouw hun grieven tevergeefs hebben voorgedragen, zal het de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen.

6.3.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

7 De beslissing

Het hof:

In principaal en incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van

18 september 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.N.M. Antens en H.M.A.W. Erven en is op 29 juli 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.