Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2303

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-07-2021
Datum publicatie
29-07-2021
Zaaknummer
200.284.744_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Kinderalimentatie

Paspoort minderjarige

Niet voldaan aan verplichting ex artikel 21 Rv

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.284.744/01

zaaknummers rechtbank : C/03/266782 / FA RK 19-2647

C/03/280068 / FA RK 20-2543

C/03 278564/FA RK 20-1990

beschikking van de meervoudige kamer van 22 juli 2021

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.I.L. Laumans te Venlo,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A.M. Holmes te Maastricht,

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestiging] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de hierboven genoemde beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 17 juli 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 15 oktober 2020 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking van 17 juli 2020.

2.2.

De man heeft op 8 december 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Het hof heeft voorts kennis genomen van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 28 mei 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 4 november 2020 met bijlagen, ingekomen op 5 november 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de man met bijlagen, ingekomen op 4 mei 2021;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 7 mei 2021 met bijlagen, ingekomen op 7 mei 2021.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 20 mei 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en de beëdigde tolk de heer B.S.A. Doedee;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] , namens de raad, tijdens de mondelinge behandeling uitsluitend aanwezig bij de bespreking van het paspoort van de hierna te noemen minderjarige [minderjarige] .

2.5.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw een ‘Notitie ten behoeve van de mondelinge behandeling’ overgelegd.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn de ouders van:

- [minderjarige] ( [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .

[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw. Partijen hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige] . Hij staat met ingang van 18 juni 2020 onder toezicht van BJZ Limburg.

3.3.

Bij de bestreden beschikking is tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 23 oktober 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van [minderjarige] , bepaald op € 533,- per maand en de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) op € 2.666,- per maand. Ook is bepaald dat het Japanse paspoort bij [minderjarige] hoort en telkens met hem meegaat van de ene naar de andere ouder.

4.2.1.

De grieven van de vrouw zien op de kwestie van het paspoort van [minderjarige] , op de behoefte van [minderjarige] en de behoefte van de vrouw, alsmede op de draagkracht van de man.

4.2.2.

De vrouw heeft verzocht, primair:

1. de man te veroordelen om het Japanse paspoort van [minderjarige] aan de vrouw te doen toekomen, binnen 7 dagen na dagtekening van de door het hof te geven beschikking;

2. te bepalen dat de man aan de vrouw een kinderalimentatie voor [minderjarige] dient te betalen ter hoogte van € 642,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;

3. te bepalen dat de man aan de vrouw een partneralimentatie dient te betalen ter hoogte van € 6.500,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking,

subsidiair:

4. te bepalen dat zowel het Japanse als het Engelse paspoort met [minderjarige] meereist;

5. de man in een tussenbeschikking te veroordelen om binnen 7 dagen aan de vrouw een afschrift te overhandigen van de navolgende documenten:

- de arbeidsovereenkomst van de man;

- alle (overige) afspraken tussen de man en zijn werkgever en/of [bedrijf 1] (bij wie de man feitelijk werkt) over de bonus en de hiervoor te behalen targets/uren;

- de berekening van de bonus waar de man in de periode van 1 januari 2017 tot en met mei 2019 recht op heeft, inclusief onderliggende verificatoire bescheiden, waaronder in ieder geval een overzicht van de uren/targets die de man in deze periode daadwerkelijk heeft behaald;

- de jaaropgaven 2019 en – zodra hij deze heeft ontvangen – 2020 van de man;

- de aangifte Inkomstenbelasting 2019 van de man althans andere verificatoire bescheiden waaruit blijkt op welke wijze de terugbetaling van de bonus fiscaal is verwerkt alsook wanneer dit is gebeurd.

4.3.

De man heeft verzocht de grieven van de vrouw af te wijzen op de gronden als door de man in het verweerschrift gesteld en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Met betrekking tot het paspoort van [minderjarige]

5.1.

Omdat [minderjarige] de gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is het hof bevoegd om te beslissen over het verzoek van de vrouw ter zake het paspoort van [minderjarige] .

5.2.1.

De vrouw heeft, kort samengevat, het navolgende gesteld. Als de beslissing van de rechtbank wordt gevolgd, beschikt de man altijd over een paspoort van [minderjarige] (het Engelse) en op de momenten dat [minderjarige] bij de man verblijft, ook over het Japanse paspoort van [minderjarige] , terwijl de vrouw uitsluitend als [minderjarige] bij haar verblijft slechts over één paspoort van [minderjarige] beschikt, het Japanse paspoort. In verband met de gelijkwaardigheid tussen partijen moet het Japanse paspoort van [minderjarige] bij de vrouw blijven en het Engelse paspoort van [minderjarige] bij de man. Dat levert bovendien minder aanleiding tot discussie tussen partijen, hetgeen in het belang van [minderjarige] is. Subsidiair dienen beide paspoorten, zowel het Japanse als het Engelse, met [minderjarige] mee te reizen; dit laatste is ook de visie van de gezinsvoogd.

5.2.2.

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken. De vrouw beschikt thans over het Japanse paspoort van [minderjarige] en zij weigert dat met [minderjarige] te laten meereizen. De man vreest dat de vrouw, wanneer zij blijvend over het Japanse paspoort van [minderjarige] beschikt, voorgoed met [minderjarige] zal afreizen naar Japan. Het subsidiaire verzoek van de vrouw is een nieuw verzoek van de vrouw in dit hoger beroep; het gaat de man te ver om beide paspoorten met [minderjarige] mee te laten reizen.

5.2.3.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het Japanse paspoort met [minderjarige] moet meereizen, zoals de rechtbank heeft beslist.

5.2.4.

Het hof overweegt het navolgende.

Uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] twee nationaliteiten en ook twee paspoorten heeft. De man heeft de beschikking over het Engelse paspoort en de vrouw heeft op dit moment, hoewel de rechtbank anders heeft beslist, de beschikking over het Japanse paspoort. Waar de man altijd (met uitsluiting van de vrouw) beschikt over het Engelse paspoort van [minderjarige] , vindt het hof het redelijk en billijk en in het belang van [minderjarige] dat de vrouw (met uitsluiting van de man) altijd de beschikking heeft over het Japanse paspoort van [minderjarige] , dus ook op de momenten dat [minderjarige] bij de man verblijft. In het door de man gesignaleerde vluchtgevaar van de vrouw met [minderjarige] naar Japan, wat daar ook van zij, ziet het hof geen reden om de vrouw niet de permanente beschikking over het Japanse paspoort van [minderjarige] te geven; het gestelde vluchtgevaar doet zich immers ook voor als het Japanse paspoort met [minderjarige] meereist. De grief van de vrouw slaagt. Het hof begrijpt het verzoek van de vrouw aldus dat het paspoort van [minderjarige] bij de vrouw dient te blijven en zal dat verzoek toewijzen.

De bestreden beschikking dient op dit onderdeel vernietigd te worden.

Met betrekking tot de kinderalimentatie

5.3.

Op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr 4/2009 Raad van 18 december 2008) is het hof bevoegd met betrekking tot het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie voor [minderjarige] .

Ingangsdatum

5.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de door de man te betalen kinderalimentatie dient in te gaan op de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, 23 oktober 2020.

De behoefte van [minderjarige]

5.5.1.

De vrouw heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen geen aanleiding te zien om de behoefte van [minderjarige] van € 830,- per maand, te verhogen met de kosten van kinderopvang van € 109,- per maand, omdat de man die kosten voor zijn rekening neemt. De vrouw heeft, kort samengevat, het navolgende gesteld. [minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw en de vrouw wil de kinderopvang voor [minderjarige] graag zelf regelen; zij wil daarin niet afhankelijk zijn van de man. Tijdens het huwelijk regelde de vrouw ook de contacten met kinderopvang. De behoefte van [minderjarige] dient in de visie van de vrouw te worden bepaald op

€ 830,- + € 109,- = € 939,- per maand.

5.5.2.

De man heeft de stelling van de vrouw gemotiveerd weersproken. Hij heeft op verzoek van de vrouw de kosten van de kinderopvang voor zijn rekening genomen. De vrouw wil graag de touwtjes in handen hebben over de kinderopvang, maar dat staat los van de behoefte van [minderjarige] , aldus de man. De man is van mening dat de rechtbank de behoefte van [minderjarige] correct heeft bepaald op € 830,- per maand.

5.5.3.

Het hof overweegt het navolgende.

Tussen partijen is niet in geschil is dat de behoefte van [minderjarige] in beginsel € 830,- per maand bedraagt, zoals de rechtbank heeft bepaald. Het debat tussen partijen richt zich op verhoging van de behoefte van [minderjarige] met de opvangkosten.

Uitgangspunt bij de bepaling van de kosten van kinderen is conform het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie dat in beginsel alle normale kosten, zoals die van voeding en kleding, zijn inbegrepen in de kosten van kinderen. Allerlei kosten zijn uitwisselbaar en veelal blijkt dat hogere uitgaven aan de een uitgavepost samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Er kan wel sprake zijn van correctieposten als bepaalde kosten van een kind niet of niet voldoende zijn verdisconteerd in de vastgestelde kosten van het kind. Het kan onder meer, na aftrek van kinderopvangtoeslag en bijvoorbeeld de bijdrage van een werkgever, zodanig hoge resterende kosten van kinderopvang betreffen, dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten. Dat in de deze zaak sprake is van dergelijke hoge opvangkosten heeft de vrouw niet gesteld en daarvan is het hof ook niet gebleken. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof bij de bepaling van de behoefte van [minderjarige] geen rekening houdt met de door de vrouw gestelde opvangkosten van

€ 109,- per maand. Het hof stelt de behoefte van [minderjarige] op € 830,- per maand.

Door de man te betalen kinderalimentatie

5.6.1.

De vrouw heeft, samengevat, gesteld dat de man voldoende draagkracht heeft om, rekening houdend met een zorgkorting van 35%, een kinderalimentatie aan de vrouw te voldoen van € 533,- per maand, te vermeerderen met de kosten van kinderopvang van € 109,- per maand, totaal van € 642,- per maand.

5.6.2.

De man heeft de stelling van de vrouw gemotiveerd weersproken. Hij heeft aangevoerd dat niet de vrouw maar dat hij de kosten van kinderopvang voor [minderjarige] betaalt. De bestreden beschikking dient wat de kinderalimentatie betreft te worden bekrachtigd.

5.6.3.

Het hof overweegt het navolgende. Uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de kosten van kinderopvang voor [minderjarige] niet door de vrouw, maar feitelijk door de man worden betaald. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om de door de rechtbank bepaalde kinderalimentatie te verhogen met de gestelde kosten van kinderopvang. Het hof zal de door de man te betalen kinderalimentatie, evenals de rechtbank, bepalen op € 533,- per maand en de bestreden beschikking wat de kinderalimentatie betreft bekrachtigen.

Met betrekking tot de partneralimentatie

5.7.

Op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening is het hof bevoegd met betrekking tot het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie.

Ingangsdatum

5.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat de door de man te betalen partneralimentatie dient in te gaan op de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, 23 oktober 2020.

Behoefte en aanvullende behoefte van de vrouw

5.9.1.

De vrouw heeft, samengevat, het navolgende gesteld. De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van een netto gezinsinkomen van € 7.302,- per maand. De man weigert inzage te geven in zijn financiële gegevens, waardoor hij de vrouw de mogelijkheid ontneemt om een deugdelijke berekening van haar huwelijksgerelateerde behoefte te maken. Adequate financiële gegevens zijn met name van belang omdat de man op zijn vaste salaris maandelijks een bonus ontvangt/heeft ontvangen die iedere maand fluctueert/fluctueerde en het is gebruikelijk om voor de bepaling van de behoefte van de vrouw rekening te houden met de gemiddelde bonus over een aantal jaren, in dit geval de gemiddelde bonus over de jaren 2017 en 2018. De man heeft deze, overigens gebruikelijke gegevens, niet in het geding gebracht, hetgeen niet tot nadeel voor de vrouw mag leiden. De vrouw is primair van mening dat zij, bij gebrek aan voldoende financiële gegevens van de man, een aanvullende behoefte heeft van in ieder geval € 6.500,- bruto per maand. Subsidiair moet voor de bepaling van de behoefte van de vrouw worden uitgegaan van het inkomen van de man in het jaar 2018; meer subsidiair moet worden uitgegaan van het gemiddelde inkomen in de periode van april 2019 tot en met september 2019 van € 11.077,46 netto per maand en uiterst subsidiair van een gemiddeld inkomen in de periode van januari 2019 tot en met mei 2019 van

€ 10.340,- netto per maand.

De vrouw betwist dat zij te weinig inspanning levert om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Het arbeidscontract van de vrouw bij [bedrijf 2] is niet verlengd, de arbeidsverhouding is geëindigd per 14 april 2021. Mede gelet op de taalachterstand (de vrouw spreekt geen Nederlands) had de vrouw had al een moeilijke positie op de arbeidsmarkt en door de coronacrisis is het vinden van ander werk nog lastiger geworden; ondanks diverse sollicitatiebrieven wordt de vrouw niet eens uitgenodigd voor een gesprek. Zij heeft behoefte aan de verzocht bijdrage van € 6.500,- bruto per maand.

5.9.2.

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist. Hij heeft, samengevat, het navolgende betoogd. De man heeft zijn inkomen in eerste aanleg deugdelijk onderbouwd met verificatoire stukken. De man heeft in eerste aanleg salarisspecificaties over het jaar 2019 en van april 2020 overgelegd. In hoger beroep heeft de man ook de salarisspecificatie van de maand mei 2020 overgelegd. Niet valt in te zien dat op die specificaties inkomstencomponenten zouden ontbreken. De werkgever van de man heeft de aan de man uitgekeerde bonussen over de periode van januari 2018 tot 1 juli 2019 ten bedrage van

€ 66.417,- van de man teruggevorderd omdat de man zijn targets niet heeft gehaald. De bonussen moeten in de visie van de man buiten beschouwing moeten worden gelaten bij het berekenen van de behoefte van de vrouw. Om ervoor te zorgen dat de man door de terugbetaling van de bonussen niet in al te grote financiële problemen raakt heeft de man, mede gelet op de kosten van de echtscheiding, een lening bij zijn werkgever afgesloten. De man heeft de behoefte van de vrouw in eerste aanleg becijferd op € 1.163,- netto per maand.

Niet valt in te zien dat de vrouw niet kan rondkomen van de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie van € 2.666,- bruto per maand. De man heeft de vrouw er al tijdens de procedure voorlopige voorzieningen op gewezen dat de vrouw een inburgeringscursus en een Nederlandse taalcursus moet gaan volgen en dat zij in haar eigen levensonderhoud kan en moet gaan voorzien. In de zomer van 2018 heeft de man de vrouw verder gewezen op de mogelijkheid van een baan op de afdeling customer service van [bedrijf 3] tegen een salaris van € 2.000,- netto per maand, maar de vrouw is daar niet op in gegaan. Ook is de vrouw niet ingegaan op een goed betaalde baan bij KLM als stewardess (voordat partijen elkaar leerden kennen was de vrouw stewardess voor de vliegmaatschappij Emirates). De vrouw heeft voldoende tijd gehad om zich voor te bereiden en zich te oriënteren op de arbeidsmarkt, zij heeft voldoende verdiencapaciteit en zij moet, mede gelet op haar leeftijd en ervaring, in staat worden geacht in haar eigen behoefte te voorzien, in ieder geval deels in de door haar zelf gestelde behoefte.

5.9.3.

Het hof overweegt het navolgende.

De man is ingevolge artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gehouden de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Daarnaast is in het Procesreglement familiezaken gerechtshoven in artikel 2.1.2. (Bijvoeging stukken), bepaald dat, indien de behoefte of de draagkracht van (één van) de belanghebbenden wordt betwist, onder meer de volgende financiële informatie moet worden overgelegd:

a. a) van werknemers en uitkeringsgerechtigden: de meest recente jaaropgave en de drie meest recente loonopgaven en/of uitkeringsspecificaties;

……

c) de meest recente aangifte inkomstenbelasting, indien gedaan, met de bijbehorende aanslag;

…..

k) een berekening van het (gezins-)inkomen en het kindgebonden budget waarvan moet worden uitgegaan ten behoeve van de berekening van de behoefte, met alle daaraan ten grondslag liggende stukken, voor zover hiervoor nog niet genoemd.

Het hof constateert dat de man uitsluitend een aantal salarisspecificaties in het geding heeft gebracht, te weten de salarisspecificaties van de maanden januari tot en met december 2019 en van de maanden april 2020 en mei 2020. Andere, ook voor de bepaling van de behoefte van de vrouw relevante, financiële gegevens ontbreken geheel. Onder meer ontbreken de jaaropgaven 2018 en 2019 en de aangifte Inkomstenbelasting 2018 en 2019 met de bijbehorende aanslagen, hetgeen ter bepaling van de bepaling van de behoefte van de vrouw van belang is, met name in verband met de door de man ontvangen bonussen. Het had op de weg van de man gelegen deze stukken, zo al niet in eerste aanleg, dan in ieder geval in hoger beroep over te leggen, hetgeen de man heeft nagelaten. Nu de man niet aan zijn verplichting tot een juiste en volledige voorlichting van het hof en de wederpartij heeft voldaan, staat het het hof vrij daaraan de gevolgtrekkingen te verbinden die in overeenstemming zijn met de aard van en de ernst van deze schending van de desbetreffende verplichting. In het licht van het voorgaande is het hof van oordeel dat de behoefte van de vrouw (conform haar primaire standpunt) moet worden bepaald op het bedrag van de door haar verzochte partneralimentatie van € 6.500,- bruto per maand.

Vervolgens dient te worden beoordeeld in hoeverre de vrouw in staat is in die behoefte te voorzien. Uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vrouw, thans 31 jaar, vóór het huwelijk van partijen heeft gewerkt als stewardess, en in de periode van 14 september 2019 tot mei 2021 heeft gewerkt als verkoop medewerkster bij [bedrijf 2] BV. De vrouw beheerst de Japanse en in ieder geval ook de Engelse taal. Zij is de Nederlandse taal weliswaar (nog) niet machtig, maar niet valt in te zien dat die taalachterstand, dan wel de gevolgen van Covid-19, de vrouw belemmeren om minimaal het wettelijk minimumloon te verdienen. Dat de vrouw zich voldoende heeft ingespannen heeft zij door overlegging van een enkele sollicitatie (waarbij zij ook is uitgenodigd voor een gesprek) niet, althans onvoldoende onderbouwd, hetgeen gelet op de gemotiveerde betwisting door de man wel op haar weg had gelegen. Uitgaande van het minimumloon van € 1.653,60 per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag, gaat het hof uit van een verdiencapaciteit van de vrouw van € 21.436,- bruto per jaar. Het voorgaande leidt ertoe dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud van [€ 6.500,- x 12 =

€ 78.000,-] minus € 21.436,- = € 56.564,- bruto per jaar, dit is € 4.714,- bruto per maand.

Draagkracht van de man

5.10.1.

De vrouw heeft, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. De rechtbank heeft bij de berekening van de draagkracht van de man ten onrechte geen rekening gehouden met de maandelijks door de man te ontvangen bonus, die op minimaal gemiddeld € 3.775,- netto per maand moet worden gesteld. Indien en voor zover de man die bonus niet meer zou ontvangen, is er sprake van een vrijwillige inkomensvermindering die voor herstel vatbaar is. Voorts is ten onrechte rekening gehouden met een onkostenvergoeding van € 991,74 bruto per maand, een huurlast van € 2.050,- per maand en een eigen risico van de ziektekostenverzekering van € 384,- per jaar. De man is in staat de verzochte partneralimentatie van € 6.500,- per maand te voldoen.

5.10.2.

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken en, kort samengevat, het navolgende gesteld. Hij is niet in staat is om de verzochte partneralimentatie van

€ 6.500,- per maand te voldoen. Om proceseconomische redenen heeft de man geen incidenteel hoger beroep ingesteld. De bestreden beschikking moet, aldus de man, ten aanzien van de partneralimentatie worden bekrachtigd.

5.11.

Het hof overweegt het navolgende.

De man heeft wat zijn financiële situatie betreft uitsluitend de salarisspecificaties van de maanden januari tot en met december 2019 en van de maanden april 2020 en mei 2020 overgelegd. Ter beoordeling van de draagkracht van de man, in het bijzonder met betrekking tot zijn inkomen en in dat verband de al/dan niet ontvangen bonussen, en gelet op het bepaalde in artikel 21 Rv en het Procesreglement en mede gelet op hetgeen de vrouw ten aanzien van de draagkracht van de man heeft aangevoerd, had het op de weg van de man gelegen om recente salarisspecificaties (lees: salarisspecificaties van juni 2020 tot en met april 2021), de jaaropgaven 2019 en 2020, alsmede de aangiften Inkomstenbelasting 2019, 2020 en de bijbehorende aanslagen in het geding te brengen. Nu deze gegevens geheel ontbreken heeft de man het hof en de wederpartij niet juist en volledig voorgelicht en heeft hij het hof niet, althans onvoldoende in staat gesteld zijn draagkracht te beoordelen. De man heeft de op hem rustende verplichting van art. 21 Rv niet nageleefd, waardoor het hof niet beschikt over de voor het bepalen van hun draagkracht benodigde gegevens. Daaraan verbindt het hof de gevolgtrekking dat de man in staat is de bij deze beschikking te bepalen partneralimentatie van € 4.714,- bruto per maand te voldoen.

6 De slotsom

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 17 juli 2020, uitsluitend voor zover het betreft het Japanse paspoort van [minderjarige] en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat het Japanse paspoort van de minderjarige [minderjarige] bij de vrouw dient te blijven;

bepaalt dat de man met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (23 oktober 2020) aan de vrouw als bijdrage in haar levensonderhoud € 4.714,- bruto per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, E.P. de Beij en E.M.C. Dumoulin en is op 22 juli 2021 uitgesproken in het openbaar door mr. E.A.M. Scheij in tegenwoordigheid van de griffier.