Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2097

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-07-2021
Datum publicatie
16-07-2021
Zaaknummer
200.242.094_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:2329
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:2879
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vaststelling zorgregeling in hoger beroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 1 juli 2021

Zaaknummer: 200.242.094/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/323557/FA RK 17-3635

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te

[woonplaats] ,

verzoekster in principaal hoger beroep,

verweerster in

(voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.M. Bakker,

tegen

[de vader] ,

wonende te

[woonplaats] ,

verweerder in principaal hoger beroep,

verzoeker in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. H.C.M. Schaeken.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

Raad voor de Kinderbescherming,

Regio Zuidoost Nederland, locatie [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

9 De beschikking van 17 september 2020

9.1.

Bij die beschikking heeft het hof – in het principaal en (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep – een voorlopige zorgregeling vastgesteld, waarbij de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtigd zijn tot contact met elkaar als volgt:

- de kinderen hebben tot 1 november 2020 minimaal eenmaal per twee weken gedurende drie uren begeleid contact met de moeder op een door de GI vast te stellen plaats en tijdstip;

- de kinderen hebben tot 1 december 2020 minimaal eenmaal per twee weken gedurende vier uren of meer begeleid contact met de moeder op een door de GI vast te stellen plaats en tijdstip;

- de kinderen hebben vanaf 1 januari 2021 elke week één dag per week op zaterdag, of in overleg een andere dag, van 09.00 uur tot 18.00 uur onbegeleid contact, op een door de GI in overleg met partijen te bepalen locatie, waarbij de overdracht van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van de vader naar de moeder en andersom plaatsvindt in aanwezigheid van een neutrale begeleider;

- de feestdagen worden door de GI in overleg met partijen evenredig verdeeld en tijdens de schoolvakanties ziet de moeder de kinderen naast de reguliere voorlopige contactregeling, één dag extra per week;

- de GI kan bovengenoemde regeling bijstellen als meer of minder contacten of (andere) begeleiding in het belang van de kinderen worden geacht.

9.2.

Bij die beschikking heeft het hof verder de GI verzocht tijdig vóór de pro forma datum 17 maart 2021 rapport uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen, waarna de raadslieden van partijen worden verzocht binnen veertien dagen na ontvangst van de rapportage van de GI het hof te informeren over het verdere verloop van de zaak. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

10 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

10.1.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 mei 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Bakker;

-de vader, bijgestaan door mr. Schaeken;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

10.2.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

- een brief met bijlagen van de GI d.d. 16 februari 2021;

- een V-formulier met een brief en bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 26 februari 2021;

- een V-formulier met een brief en bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 3 maart 2021;

- een V-formulier met een brief en bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 17 mei 2021.

11 De verdere beoordeling

11.1.

De GI voert, samengevat, het volgende aan.

Het is belangrijk dat er voor de kinderen voldoende rust en duidelijkheid komt. Er is nog teveel strijd en wantrouwen tussen de ouders waar de kinderen veel last van hebben. Het lukt de vader en de moeder niet om onbelast contact van de kinderen met de andere ouder toe te laten. Dat maakt dat de kinderen, met name [minderjarige 1] , knel zitten tussen de ouders. Aan de ouders is de inzet van Kinderen uit de Knel (KUK) geadviseerd, maar de vader wil daar niet aan meewerken. Parallel ouderschap, dat de vader tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgesteld, is feitelijk al gebeurd. De GI constateert dat de kinderen steeds meer in de knel raken ondanks de jarenlange inzet van hulpverlening aan de ouders en vraagt zich af wat de vervolgstap moet zijn. Los daarvan is het belangrijk dat nu een zo duidelijk en volledig mogelijke zorgregeling wordt vastgesteld, zodat daarover voor de ouders zo min mogelijk ruimte voor discussie kan ontstaan.

De onbegeleide contacten tussen de moeder en de kinderen gedurende één dag per week zijn goed verlopen. De contacten worden steeds voor- en nabesproken door Zorgmed. Die huidige zorgregeling kan worden voortgezet, inclusief het wekelijkse belmoment op de woensdag. Het vervoer van de kinderen tijdens de zorgregeling is goed geregeld en is geen belemmerende factor. De GI acht een zorgregeling van één dag per week het maximaal haalbare voor de moeder. Zij adviseert daarom de zorgregeling niet verder uit te breiden, ook niet ten aanzien van de vakanties. Wat betreft de verandering in de woonplek van de moeder, zoals tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, geldt dat voor de uitvoering van de zorgregeling duidelijk moet zijn dat er een goede plek is waar de moeder de kinderen kan ontvangen.

Ten aanzien van de partner van de moeder geldt dat er veel onrust bij de kinderen ontstaat als hij tijdens de zorgregeling aanwezig is. Zijn aanwezigheid roept veel onveiligheid bij de kinderen op. [minderjarige 1] heeft aangifte bij de politie gedaan van een incident dat tweeënhalf jaar geleden met hem heeft plaatsgevonden. De GI heeft nu voor de lijn gekozen dat de partner van de moeder voorlopig niet bij de zorgregeling aanwezig mag zijn en dat eerst onderzoek op dit vlak moet plaatsvinden.

11.2.

De moeder handhaaft haar verzoek met betrekking tot het vaststellen van een weekendregeling. Zij verzoekt een zorgregeling vast te stellen inhoudende dat de kinderen eenmaal per twee weken van vrijdag uit school tot zondagavond bij haar verblijven én de helft van de vakanties. Ter onderbouwing voert zij het volgende aan.

De huidige zorgregeling tussen haar en de kinderen verloopt goed. Zij haalt de kinderen op zaterdag om 9.00 uur op bij het station in [plaats] en is dan, na reizen met de trein en bus, om 10.30 uur thuis. Het contact is ontspannen en onbelast. De kinderen hebben het naar hun zin bij haar. Zij ziet alleen een verandering in het gedrag van de kinderen op de terugweg. Dit heeft te maken met de overdracht. De moeder wil graag een deel van de zorgtaken voor de kinderen op zich nemen. Dat het voor de moeder niet haalbaar is om langer contact met de kinderen te hebben dan één dag per week is nooit onderzocht. Een weekendregeling zou de vader ontlasten in zijn zorgtaken en zou de kinderen ontlasten in de reistijd die zij nu hebben. De wekelijkse belcontacten met de kinderen wil de moeder continueren, waarbij zij aangeeft flexibel te zijn in de invulling daarvan. Er is geen reden om de zorgregeling opnieuw deels onder begeleiding te laten plaatsvinden, zoals de vader voorstelt.

Wat betreft haar partner heeft de moeder er steeds rekening mee gehouden dat hij niet bij de zorgregeling aanwezig is. Er moet wel worden toegewerkt naar een regeling waarbij hij wel betrokken is, zeker als het een weekendregeling wordt.

Waarschijnlijk krijgen hij en de moeder eind juli 2021 de sleutel van de nieuwe woning waarin zij samen gaan wonen. De moeder woont niet meer op het vakantiepark en verblijft, ter overbrugging van de periode tot de verhuizing, bij vriendinnen. Zij heeft twee weken bij een vriendin verbleven en zal vanaf de eerstvolgende zondag na de mondelinge behandeling bij een andere vriendin gaan verblijven, tot de sleuteloverdracht.

De moeder is in het belang van de kinderen bereid om met de vader ter verbetering van hun onderlinge verstandhouding in therapie te gaan.

11.3.

De vader is van mening dat de huidige regeling niet moet worden voortgezet en voert, kort samengevat, het volgende aan.

Het is niet in het belang van de kinderen dat zij elke zaterdag naar de moeder gaan, omdat de kinderen dan geen enkele zaterdag hebben waaraan zij zelf invulling kunnen geven. De kinderen vinden de huidige frequentie van de zorgregeling te veel en zij zijn er op de dagen voorafgaand aan de zorgregeling al mee bezig. Daarnaast geldt dat de kinderen elke zondag moe zijn van de reis op zaterdag. De reistijd is te lang. De (kosten van de) reisafstand tussen de vader en de moeder kunnen niet op de vader worden afgewenteld, omdat de moeder er voor heeft gekozen te gaan verhuizen.

Een regeling waarbij de kinderen eenmaal per twee weken op zaterdag bij de moeder verblijven verdient de voorkeur, waarbij de moeder zorgdraagt voor het halen en brengen van de kinderen. De vader is daarbij van mening dat de signalen van de kinderen over het verloop van de contacten met de moeder van dien aard zijn, dat het nodig is dat op die dagen op één of twee momenten een deskundige derde partij aanwezig is (ZorgMed of Kiescoach) om te zien of het contact naar behoren verloopt. Tijdens de contacten van de kinderen met de moeder dient de partner van de moeder niet aanwezig te zijn. De GI moet op dat vlak meer regie voeren. Ook oma moederszijde dient niet aanwezig te zijn. De kinderen ervaren de aanwezigheid van deze personen als onveilig.

Ten aanzien van de wekelijkse belcontacten tussen de moeder en de kinderen is een optie dat, als de begeleiding door de Kiescoach is gestopt, de belcontacten op woensdag om 12.00 uur gaan plaatsvinden. Daarbij geldt voor [minderjarige 1] dat zij, als zij geen zin heeft om te bellen, dat moet kunnen aangeven.

De vader wil niet meer in therapie met de moeder. Hij staat open voor parallel ouderschap en begrijpt niet waarom de GI niet meegaat in zijn voorstel dat hij de training voor parallel ouderschap gaat volgen.

11.4.

De raad adviseert als volgt.

Met de frequentie van één zaterdag per week zijn de kinderen nu vertrouwd en er wordt geen reden gezien om dit te beperken. De huidige zorgregeling kan daarom worden gecontinueerd. Voor uitbreiding van de regeling is geen ruimte. De groei in de pedagogische vaardigheden van de moeder die daarvoor nodig is, wordt niet gezien.

De prioriteit tijdens de zorgregeling dient te liggen bij de band tussen de moeder en de kinderen. De situatie is al fragiel. Als de kinderen aangeven dat zij zich niet veilig voelen bij aanwezigheid van de partner van de moeder tijdens de zorgregeling, dan kan de GI daarover duidelijk zijn en moet besloten worden dat hij er niet bij kan zijn.

De GI dient verder de hulpverlening op te pakken. Als de vader openstaat voor parallel ouderschap, dan valt daar winst te behalen. De vader zal zich (ook) moet gaan richten op hoe hij ervoor kan zorgen dat het voor de kinderen – die aanvoelen hoe de vader ten opzichte van de zorgregeling staat – makkelijker wordt om na het verblijf bij de moeder thuis te komen.

11.5.

Het hof overweegt als volgt.

11.5.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253 a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

11.5.2.

Tussen partijen is in geschil op welke wijze de verdeling van zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient te worden vastgesteld en met name:

- de reguliere zorgregeling;

- de belcontacten;

- de zorgregeling tijdens de vakanties.

Het hof zal deze onderwerpen hierna achtereenvolgens beoordelen.

De reguliere zorgregeling

11.5.3.

Ten opzichte van de eerder vastgestelde voorlopige zorgregeling verzoekt de vader de zorgregeling te beperken naar één dag per veertien dagen en verzoekt de moeder de zorgregeling te verruimen naar één weekend per veertien dagen. Beide ouders verzoeken het hof thans een definitieve regeling vast te leggen.

11.5.4.

Gebleken is dat vanaf 1 januari 2021 er sprake is van onbegeleid contact tussen de moeder en de kinderen gedurende één zaterdag per week van 9.00 uur tot 18.00 uur waarbij de kinderen door de moeder in [plaats] worden opgehaald en teruggebracht.

Het hof ziet geen reden om deze regeling te beperken of om de regeling deels onder begeleiding te laten gaan plaatsvinden, zoals de vader heeft verzocht. Gebleken is dat structureel uitvoering aan de regeling wordt gegeven en dat dit goed verloopt. De vader voert weliswaar aan dat het wekelijkse contact met de moeder op zaterdag voor de kinderen vermoeiend is, maar onvoldoende aannemelijk is geworden dat de zorgregeling hierdoor niet (meer) in het belang van de kinderen is. Zorgmed is betrokken om de invulling van de zorgregeling met de moeder te bespreken.

Zorgelijk is wel dat de kinderen nog steeds loyaliteitsproblemen ervaren en klem zitten tussen de ouders, maar hiervoor is aandacht in de vorm van een KIES-coach.

11.5.5.

Verruiming van de thans geldende zorgregeling, zoals de moeder heeft verzocht, acht het hof thans niet in het belang van de kinderen, om de navolgende redenen.

Voor uitbreiding van de zorgregeling is het nodig dat de moeder haar pedagogische vaardigheden aantoonbaar verbetert, zo heeft de raad eerder in zijn raadsrapport van 23 februari 2018 geadviseerd. Niet gebleken is dat hiervan sprake is. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat de huidige zorgregeling het maximaal haalbare voor de moeder is. De raad brengt in zijn advies in hoger beroep (ook) naar voren dat de verbetering in de pedagogische vaardigheden van de moeder die voor uitbreiding van de zorgregeling nodig is niet wordt gezien.

Daarnaast geldt dat onduidelijkheid bestaat over de woonsituatie van de moeder. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de moeder niet meer op het vakantiepark woont en thans tijdelijk bij vriendinnen verblijft. Zij stelt samen met haar partner in juli 2021 zicht te hebben op een nieuwe woning, maar omdat sprake is van een zeer langdurig (bouw)traject, is dit geen zekere datum. Onvoldoende duidelijk is waar de moeder thans verblijft, hoe lang de huidige overbruggingsperiode waarin de moeder bij vriendinnen verblijft zal duren en wanneer zij feitelijk de kinderen zal kunnen gaan ontvangen in een nieuwe woning.

De onduidelijkheid over de positie van de partner van de moeder maakt uitbreiding van de zorgregeling evenmin mogelijk. Gebleken is dat met name bij de oudste dochter gevoel van onveiligheid bestaat richting de partner. Dit wordt door de GI onderzocht. Met de raad is het hof van oordeel dat de bestaande fragiele situatie, waarin het contact tussen de moeder en de kinderen prioriteit heeft, niet in gevaar moet worden gebracht door de partner van de moeder tijdens die contacten aanwezig te laten zijn. Voor de wens van de moeder dat wordt toegewerkt naar een regeling waarbij hij betrokken is, zeker als het een weekendregeling wordt, bestaat vooralsnog geen ruimte. Dit zou voor de kinderen tot te veel onrust leiden. Het is aan de GI om nader te bezien in hoeverre de aanwezigheid van de partner van de moeder (op termijn) haalbaar en verantwoord is.

11.5.6.

Op grond van het vorenstaande acht het hof het vaststellen van een zorgregeling, inhoudende dat de kinderen één dag per week op zaterdag van 9.00 uur tot 18.00 uur onbegeleid contact met de moeder hebben, in het belang van de kinderen. Vanwege de onduidelijkheid die thans bestaat over de woonplek van de moeder, zal het hof ongewijzigd – zoals ook in het kader van de voorlopige zorgregeling is gedaan – vaststellen dat de zorgregeling plaatsvindt op een door de GI in overleg met partijen te bepalen locatie.

Het halen en brengen zal het hof eveneens bepalen overeenkomstig de thans geldende regeling, inhoudende dat de vader de kinderen op zaterdagochtend naar [plaats] brengt naar de voor partijen bekende plaats, zodat de moeder de kinderen daar om 9.00 uur ophaalt, en dat de moeder de kinderen op zaterdag om 18.00 uur terugbrengt naar [plaats] op diezelfde plaats, voor de overdracht van de kinderen aan de vader. Gebleken is dat de vader, ondanks de financiële bezwaren die hij tegen die regeling aanvoert, afgelopen periode (met hulp van een derde) invulling heeft kunnen geven aan deze regeling. Bovendien acht het hof deze verdeling van het halen en brengen tussen partijen in het belang van de kinderen.

De belcontacten

11.5.7.

Het belcontact dat wekelijks op woensdag om 14.00 uur tussen de moeder en de kinderen plaatsvindt, draagt bij aan frequent contact tussen hen. De moeder toont zich daarbij bereid om rekening te houden met de wensen van de kinderen qua tijdstip en duur van de gesprekken. De vader heeft te kennen gegeven dat een eerder tijdstip de kinderen beter zal passen. De moeder werkt in de ochtend. Het hof zal daarom voornoemde belmomenten handhaven, met dien verstande dat op het moment dat de gesprekken met de KIES-coach niet meer plaatsvinden, de belmomenten worden vervroegd naar 13.00 uur.

De zorgregeling tijdens de vakanties

11.5.8.

In het kader van de voorlopige zorgregeling heeft het hof bij beschikking van 17 september 2020 bepaald dat de feestdagen door de GI in overleg met partijen evenredig worden verdeeld en dat tijdens de schoolvakanties de moeder de kinderen naast de reguliere voorlopige contactregeling, één dag extra per week ziet.

Het hof acht uitbreiding van deze regeling niet in het belang van de kinderen. Kortheidshalve verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder 11.5.5. is overwogen. Het hof zal de regeling voor de feest- en vakantiedagen vaststellen overeenkomstig voornoemde voorlopige zorgregeling.

12 De slotsom

In het principaal en het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep

12.1.

Het hof zal de bestreden beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 6 april 2018 wat betreft de zorgregeling vernietigen en, op grond van wat hiervoor is overwogen, een zorgregeling vaststellen als hierna staat vermeld.

Het staat partijen vrij om de vast te stellen zorgregeling, in overleg met de GI, aan te passen.

12.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

13 De beslissing

In het principaal en het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 6 april 2018 wat betreft de zorgregeling en in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder vast, waarbij de moeder en de minderjarige kinderen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2011, en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2013, gerechtigd zijn tot contact met elkaar als volgt:

- de kinderen hebben één dag per week op zaterdag, of in overleg een andere dag, van 09.00 uur tot 18.00 uur onbegeleid contact met de moeder, op een door de GI in overleg met partijen te bepalen locatie,

waarbij de vader de kinderen in de ochtend naar [plaats] brengt naar de voor partijen bekende plaats, zodat de moeder de kinderen daar om 9.00 uur ophaalt, en de moeder de kinderen om 18.00 uur terugbrengt naar [plaats] op diezelfde plaats, voor de overdracht van de kinderen aan de vader;

- de feestdagen worden door de GI in overleg met partijen evenredig verdeeld en tijdens de schoolvakanties ziet de moeder de kinderen naast de reguliere contactregeling één dag extra per week, waarbij het halen en brengen van de kinderen plaatsvindt op de hiervoor weergegeven wijze;

- de kinderen hebben elke week op woensdag om 14.00 uur belcontact met de moeder;

dit tijdstip wordt 13.00 uur op het moment dat de gesprekken met de KIES-coach niet meer op woensdag plaatsvinden;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, J.C.E. Ackermans-Wijn en A.M. Bossink en is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.