Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2088

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-06-2021
Datum publicatie
11-10-2021
Zaaknummer
20-002190-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd vanwege ingesteld cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002190-19

Uitspraak : 21 juni 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 juni 2019 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 03-124464-18, 03-161648-18 en 03-141462-19, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is in de appelakte uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder parketnummers 03-161648-18 en 03-141462-19 is tenlastegelegd en uitdrukkelijk niet gericht tegen de vrijspraak van het onder parketnummer 03-124464-18 tenlastegelegde.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van de gehele tenlastelegging zal worden vrijgesproken en dat daarom ook de vorderingen van de benadeelde partijen moeten stranden.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

in de zaak met parketnummer 03-161648-18:

hij in of omstreeks de periode van 13 augustus 2018 tot en met 15 augustus 2018 te Venlo, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk een minderjarige, [dochter] , geboren op

[geboortedag] , heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende;

in de zaak met parketnummer 03-141462-19:
1.
hij op of omstreeks 10 juni 2019 in de gemeente Roermond, althans in Nederland, [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een of meerdere malen te proberen voornoemde [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] , terwijl zij in de auto zi(ten) en/of rijden, van de weg af te duwen met zijn auto en/of door dreigend naast en/of voor voornoemde [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] te gaan rijden;

2.
hij op of omstreeks 10 juni 2019 in de gemeente Roermond opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 12 april 2019 gegeven door de officier van justitie te Limburg kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, geen contact (in welke vorm dan ook) met [aangeefster 1] mag opnemen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak inzake feit 1 van parketnummer 03-141462-19

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-141462-19 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is het hof duidelijk geworden dat er als gevolg van de verbreking van de relatie tussen de verdachte en aangeefster [aangeefster 1] ten tijde van het tenlastegelegde veel speelde. Om die reden treedt het hof de verklaringen die in de onderhavige strafzaak zijn afgelegd met de nodige behoedzaamheid tegemoet.

De vaststelling dat de verdachte op 10 juni 2019 zou hebben geprobeerd de personenauto met daarin aangeefsters [aangeefster 1] en [aangeefster 2] van de weg af te duwen of daar met zijn auto dreigend naast te gaan rijden, kan alleen worden gebaseerd op de verklaringen van beide aangeefsters, te weten de ex-partner van de verdachte en haar vriendin [aangeefster 2] . Hoewel hun verklaringen op de belastende onderdelen in de kern overeenstemming vinden, bevatten hun verklaringen echter ook opvallende tegenstrijdigheden over de feitelijke gang van zaken waarbinnen die beweerdelijke bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling zich zou hebben toegedragen, ook wat betreft hun bij de raadsheer-commissaris in hoger beroep afgelegde verklaringen. Daarbij komt dat in het politiedossier is vermeld dat door de politie op de camerabeelden die werden opgenomen bij de Swalmentunnel op de A73 geen bijzonderheden zijn waargenomen, terwijl beide aangeefsters verklaren dat de verdachte op die plek bijzonder gevaarlijk verkeersgedrag zou hebben vertoond.

De verdachte heeft steeds verklaard dat hij weliswaar op de A73 in een auto naast de personenauto met daarin [aangeefster 1] en [aangeefster 2] heeft gereden, maar dat hij dat niet op een bedreigende manier heeft gedaan. Hij heeft slechts contact willen leggen met zijn dochter, die bij [aangeefster 1] en [aangeefster 2] achterin de auto zat, en die hij negen maanden niet had gezien.

De stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting hebben onvoldoende overtuigend bewijs bijgebracht voor de gevolgtrekking dat bij het onderhavige incident sprake is geweest van een bedreiging met een misdrijf zoals genoemd in artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, te weten een bedreiging die van zodanige aard was en die is gedaan onder zodanige omstandigheden dat bij de bedreigden redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen.

Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het in de zaak met parketnummer 03-141462-19 onder 1 tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-161648-18 en in de zaak met parketnummer 03-141462-19 onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

in de zaak met parketnummer 03-161648-18:
hij op 13 augustus 2018 in Nederland opzettelijk een minderjarige, [dochter] , geboren op [geboortedag] , heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag;

in de zaak met parketnummer 03-141462-19:

2.
hij op 10 juni 2019 in de gemeente Roermond opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 12 april 2019 gegeven door de officier van justitie te Limburg kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, geen contact (in welke vorm dan ook) met [aangeefster 1] mag opnemen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

I.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

II.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat hij van de gehele tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Daartoe is ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 03-161648-18 tenlastegelegde aangevoerd dat niet wettig en/of overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zijn dochter [dochter] heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag. De verdachte stelt zich op het standpunt dat hem door aangeefster [aangeefster 1] toestemming is gegeven om hun dochter [dochter] langer bij zich te houden. Aangeefster verklaart daarover niet eenduidig volgens de raadsman en heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat toen verdachte zei dat hij met [dochter] naar Center Parcs wilde zij geen ja heeft gezegd, maar niet meer precies weet wat zij wel heeft gezegd.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 03-141462-19 onder 2 tenlastegelegde is betoogd dat geen sprake is van een opzettelijke overtreding van het contactverbod met [aangeefster 1] en dat de verdachte slechts een contactmoment met zijn dochter wilde. Er is geen sprake van overtuigend bewijs, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

parketnummer 03-161648-18

Het tot vrijspraak strekkende verweer vindt zijn weerlegging in de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast.

Bij vonnis in kort geding d.d. 20 juli 2018 van de rechtbank Limburg is bepaald dat de verdachte éénmaal per 2 weken van vrijdag 16.00 uur tot maandag 8.45 uur omgang met zijn dochter [dochter] zal hebben, waarbij voorts is bepaald dat aangeefster [dochter] naar de moeder van de verdachte zal brengen en daar ook weer zal worden opgehaald, waarbij de verdachte niet aanwezig zal zijn. Volgens die regeling had [dochter] derhalve door de verdachte op maandag 13 augustus 2018 om 8.45 uur terug gebracht moeten worden, maar dat heeft hij niet gedaan. De moeder van [dochter] , [aangeefster 1] , heeft diezelfde dag om 11:30 uur aangifte gedaan van onttrekking aan het gezag en vermissing van [dochter] en tevens verklaard dat zij niet wist waar [dochter] en de verdachte waren.

Later die dag, omstreeks 19.00 uur, is de verdachte door de politie samen met zijn dochter aangetroffen op het terrein van Center Parcs te [plaats] .

Dat de verdachte van de moeder van [dochter] , [aangeefster 1] voornoemd, toestemming had om [dochter] langer bij zich te houden wordt door [aangeefster 1] uitdrukkelijk ontkend. Voor het hof is het gelet daarop niet aannemelijk geworden dat sprake was van toestemming om [dochter] op een later moment terug te brengen

Daarbij heeft het hof nog in aanmerking genomen dat de verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie op 14 augustus 2018 helemaal niet heeft verklaard dat hij toestemming had gekregen om [dochter] langer bij zich te houden. Hij heeft toen, zoals blijkt uit pagina 28 van het politiedossier, juist verklaard dat hij de week ervoor ook al moeite had om zijn dochter terug te brengen en dat hij toen ook al op het matje werd geroepen en naar het politiebureau moest komen. In antwoord op de wat er volgens de verdachte ‘gisteren’ (het hof begrijpt: 13 augustus 2018) allemaal is gebeurd heeft de verdachte verklaard dat hij gisteren zijn dochter [dochter] terug had moeten brengen, hij zou [dochter] gisteren om 09.00 uur naar zijn moeder brengen en zijn moeder zou [dochter] dan weer naar zijn ex-vriendin [aangeefster 1] brengen. Ook verklaarde hij bij die gelegenheid dat hij [dochter] niet wilde brengen omdat hij vond dat hij zijn dochter de helft van de vakantieperiode bij zich kon houden, dat hij geprobeerd heeft het te regelen met de moeder van [dochter] maar dat hij geen respons kreeg. Voorts heeft de verdachte op 14 augustus 2018 bij de politie verklaard dat hij tegen niemand had gezegd waar hij naar toe was gegaan.

Op de eerste terechtzitting bij de politierechter d.d. 17 september 2018 heeft de verdachte zich evenmin op het standpunt gesteld dat sprake zou zijn geweest van toestemming van

[aangeefster 1] . Dat heeft hij pas een tijd later voor het eerst naar voren gebracht, op de terechtzitting van de politierechter d.d. 14 februari 2019. Aan die eerst toen en daarna afgelegde verklaringen dat er sprake zou zijn geweest van toestemming gaat het hof voorbij.

Aangezien de verdachte zich niet gehouden heeft aan de door de voorzieningenrechter vastgestelde omgangsregeling, de moeder van [dochter] met een afwijking daarvan niet heeft ingestemd en in onzekerheid verkeerde over de verblijfplaats van [dochter] , is sprake van een misdrijf als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht.

Het verweer wordt verworpen.

parketnummer 03-141462-19

Ook ten aanzien van dit feit vindt het vrijspraak verweer zijn weerlegging in de bewijsmiddelen.

Op basis van die bewijsmiddelen stelt het hof vast dat het de verdachte bij verlenging gedragsaanwijzing d.d. 12 april 2019 in verband met vrees voor ernstig belastend gedrag jegens [aangeefster 1] ( [geboortegegevens] ) gelet op artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering verboden is zich gedurende 90 dagen na

12 mei 2019 - en dus ook op 10 juni 2019 - te onthouden van elke vorm van contact met die [aangeefster 1] .

Het hof wil wel aannemen dat de verdachte de personenauto met daarin onder meer [aangeefster 1] op 10 juni 2019 bij toeval tegenkwam op de A73. Echter blijkt uit de feitelijke gang van zaken die daarop volgde, dat hij bewust contact heeft gezocht met de inzittenden van die auto omdat hij een knuffelmoment wilde met zijn dochter die hij al lange tijd niet had gezien. Uit de verklaring van de verdachte bij de politie d.d. 12 juni 2019, in het bijzonder dossierpagina 26, blijkt dat hij zag dat niet alleen [aangeefster 2] en zijn dochter in die auto zaten, maar ook [aangeefster 1] . Door desondanks te gebaren dat de auto aan de zijkant van de weg zou stoppen, zijn alarmlichten aan te zetten en de auto met daarin [aangeefster 1] te blijven volgen, heeft de verdachte niet alleen met de bestuurster van die auto, te weten [aangeefster 2] , en zijn dochter contact gezocht, maar ook met [aangeefster 1] . Ook ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte op 26 juni 2019 verklaard dat hij zag dat naast zijn dochter en [aangeefster 2] ook zijn ex [aangeefster 1] in de auto zat. Daar heeft de verdachte aan toegevoegd dat hij wel wist dat hij de auto voorbij moest rijden, maar dat hij, zo begrijpt hof, in plaats daarvan voor de auto is gaan rijden, zijn alarmlichten aan deed, hen voorbij is gereden, weer links is gaan rijden en smekend achter het stuur heeft gezeten.

Daarmee heeft hij opzettelijk in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, gehandeld en zich schuldig gemaakt aan het misdrijf als omschreven in artikel 184a van het Wetboek van Strafrecht.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 03-161648-18 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag.

Het in de zaak met parketnummer 03-141462-19 onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de ernst van het tenlastegelegde betrekt het hof bij zijn oordeel dat het gaat om strafbare feiten die een uitvloeisel zijn van een problematisch verlopen verbreking van een relatie, waarbij een jong kind betrokken is. De verdachte had zeer veel moeite met de gang van zaken rondom het contact met zijn minderjarige dochter. De in dat kader door de voorzieningenrechter vastgestelde omgangsregeling en de door de officier van justitie ten aanzien van zijn ex-partner opgelegde (verlengde) gedragsaanwijzing heeft hij door het begaan van de bewezenverklaarde feiten met voeten getreden. Daarbij heeft hij zijn eigen belangen boven die van zijn dochter en ex-partner gesteld.

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 maart 2021, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk tot straf is veroordeeld ter zake van soortgelijke delicten.

Voorts heeft het hof kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Vincent van Gogh GGZ Reclassering Limburg d.d. 3 september 2018, waarin wordt geadviseerd aan de verdachte een dadelijk uitvoerbaar contactverbod met [aangeefster 1] op te leggen.

Ook heeft het hof gelet op de inhoud van het voortgangsverslag van Reclassering Nederland d.d. 1 juni 2021 betrokken, waarin onder meer het volgende is vermeld: “De heer [verdachte] houdt zich veelal vast aan zijn eigen waarheid/beleving. Hij ziet zichzelf regelmatig als slachtoffer van de situatie in plaats van te kijken naar zijn eigen rol en verantwoordelijkheden. (…) De heer [verdachte] heeft geruime tijd zijn dochter niet mogen/kunnen zien. Dat hield hem continu bezig. (…) De heer [verdachte] blijft vasthouden aan zijn standpunt, waarheid/beleving. Los van of hij hier gelijk in heeft of niet, was het moeilijk hem in te laten zien wat zijn gedrag mogelijk teweeg brengt bij anderen. (…) Ten tijde van het toezicht is er regelmatig contact geweest met de betrokken wijkagent. Soms was het wat onrustig en kwamen er meldingen binnen van de ex van de heer [verdachte] . (…) Middels ons risico-inventarisatie instrument de OXREC wordt het risico op recidive gemiddeld tot hoog ingeschat. (…)”

Alles afwegende acht het hof het passend en geboden aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 2 maanden, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 3 jaren. Met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Daarnaast zal het hof, ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten, aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht opleggen, in de vorm van een contactverbod met [aangeefster 1] . Het hof heeft daarbij gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde. De verdachte zal worden bevolen zich gedurende 2 jaren te onthouden van enig contact met [aangeefster 1] , op de wijze zoals in het dictum is vermeld. Aan deze maatregel zal een vervangende hechtenis worden gekoppeld van 3 (drie) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met, kort gezegd, een totale duur van de vervangende hechtenis van ten hoogste 6 (zes) maanden.

Het hof zal de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoervaar verklaren, omdat er sprake is van een situatie waarin er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of personen.

Bij zijn oordeel omtrent de oplegging van deze vrijheidsbeperkende maatregel en het dadelijk uitvoerbaar verklaren ervan betrekt het hof de omstandigheid dat ook uit de recente risicotaxatie van de reclassering volgt dat het recidiverisico gemiddeld tot hoog is, alsmede de houding van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep. Uit die houding leidt het hof af dat hij het laakbare van zijn handelen onvoldoende inziet en moeite heeft zich in te leven in de gevoelens van anderen. Om te bewerkstelligen dat [aangeefster 1] verstoken blijft van belastend gedrag, ziet het hof geen andere voldoende adequate mogelijkheid dan het opleggen van deze dadelijk uitvoerbare, vrijheidsbeperkende maatregel.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1]

Nu aan verdachte ter zake van het onder parketnummer 03-141462-19 onder 1 tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [aangeefster 1] in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2]

Nu aan verdachte ter zake van het onder parketnummer 03-141462-19 onder 1 tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [aangeefster 2] in haar vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w, 57, 184a en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-141462-19 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-161648-18 en in de zaak met parketnummer 03-141462-19 onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 03-161648-18 en in de zaak met parketnummer 03-141462-19 onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster 1] (geboren op [geboortegegevens] ), met dien verstande dat de verdachte wel met tussenkomst van een erkend hulpverlener of een advocaat inzake de omgangsregeling met zijn minderjarige dochter [dochter] contact mag hebben met [aangeefster 1] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 3 (drie) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 6 (zes) maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1]

Verklaart de benadeelde partij [aangeefster 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2]

Verklaart de benadeelde partij [aangeefster 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door:

mr. J.J.M. Gielen-Winkster, voorzitter,

mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. C.P.J. Scheele, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,

en op 21 juni 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. O.A.J.M. Lavrijssen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.